Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0031

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
817472 HA VERZ 12-1107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst thuiszorg-medewerkster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0629
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 817472 \ HA VERZ 12-1107 \ BE \ 340

uitspraak van 21 juni 2012

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Thuiszorg Midden-Gelderland

gevestigd te Arnhem

verzoekende partij

gemachtigde mr. R.J.A. Dil

tegen

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. E. Klijn

Partijen worden hierna Thuiszorg en [werkneemster] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 juni 2012 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van Thuiszorg Midden-Gelderland en de gemachtigde van [werkneemster].

2. De feiten

2.1. [werkneemster] is met ingang van 10 juni 2002 bij Thuiszorg in dienst getreden en is thans werkzaam in de functie van wijkziekenverzorgende. Van 2002 tot 2007 was haar functie Verzorging niveau C. [werkneemster] heeft van 2004 tot september 2007 de opleiding Verzorgende IG gevolgd en met succes afgerond.

2.2. Op 18 april 2007 heeft Thuiszorg een klacht ontvangen van een familielid en/of de beschermingsbewindvoerder van een cliënte van Thuiszorg. Het betreft een vrouw van destijds ongeveer 81 jaar oud. Deze vrouw werd verzorgd door [werkneemster]. Volgens deze melding zou [werkneemster] gedurende langere tijd aanzienlijke bedragen hebben opgenomen van de rekening van deze vrouw (nader: de cliënte), in totaal rond de € 100.000,-. Op advies van Thuiszorg heeft het familielid aangifte tegen [werkneemster] gedaan. Op 5 september 2007 heeft de officier van justitie bij Thuiszorg om aanvullende gegevens over [werkneemster] gevraagd. [werkneemster] is gearresteerd en verhoord door de politie.

2.3. Thuiszorg heeft [werkneemster] van 3 december 2007 tot 17 december 2007 geschorst voor haar werkzaamheden.

2.4. Op 6 december 2007 heeft Thuiszorg met [werkneemster] gesproken. Van dit gesprek is destijds door Thuiszorg een verslag gemaakt. De tekst van dit verslag luidt onder meer als volgt: “(…) Volgens mevrouw [werkneemster] wordt ze beschuldigd van diefstal van ongeveer € 100.000. Mevrouw [A] vraagt hoe dat kan. Mevrouw [werkneemster] zegt dat niet te weten. Zij ging regelmatig met de cliënt boodschappen doen en ook mee naar de bank om geld te halen. Cliënt nam het geld zelf op van de rekening, maakte daar pakketjes van en ruimde het bij thuiskomst op. Het geld was bedoeld voor haar broer in Zuid Afrika. Op de vraag of mevrouw [werkneemster] gemachtigd was door de cliënt om geld op te nemen vertelde ze dat zij niet gemachtigd was om geld op te nemen. (…) Mevrouw [werkneemster] zegt dat de waarheid gezegd mag worden omdat ze niets te verbergen heeft. (...)"

2.5. Op 17 december 2007 vond een vervolggesprek plaats tussen Thuiszorg en [werkneemster]. Dit gesprek ging over de vervolgprocedure nadat [werkneemster] op 3 december 2007 was geschorst voor haar werkzaamheden. De tekst van het verslag luidt onder meer als volgt: "(…) Mevrouw [A] vraagt of mijn vrouw [werkneemster] op-aanmerkingen heeft over het gesprekverslag van 6 december 2007. Mevrouw [werkneemster] zegt geen op-aanmerkingen in te hebben en het verslag aan haar advocaat te hebben gegeven. Mevrouw [A] heeft naar aanleiding hetgeen mijn vrouw [werkneemster] de vorige keer vertelde de volgende vraag. "Heeft u uw manager of zorgcoördinator destijds ingelicht over de herhaaldelijke geldopnames van de cliënt en het thuis opbergen van de pakketjes geld?". Mevrouw [werkneemster] zegt dat ze dit niet gemeld heeft op de vraag "waarom niet " zegt mevrouw [werkneemster] dat ze daar niet aan gedacht heeft. Zowel mevrouw [A] als mevrouw [B] vinden dit nalatig en onprofessioneel. (…)” In dat gesprek is [werkneemster] voorts medegedeeld dat zij op non-actief werd gesteld en dat een ontslagvergunning wordt aangevraagd.

2.6. Thuiszorg heeft vervolgens een ontslagaanvraag ingediend bij CWI omdat het benodigde vertrouwen om de arbeidsovereenkomst voort te zetten ontbrak

2.7. Op 7 januari 2008 hebben partijen wederom met elkaar gesproken. Ook van dit gesprek is door Thuiszorg een verslag gemaakt. De tekst daarvan luidt onder meer als volgt:

"(…) Mevrouw [A] vraagt of mevrouw [werkneemster] op-aanmerkingen heeft over het gesprek slag van 17 december 2007. mevrouw [werkneemster] zegt dat wat er in de derde alinea staat over het brengen van eten naar cliënt 's avonds niet klopt. Zij heeft wel eten naar cliënt gebracht maar niet ’s avonds. Verder zegt mevrouw [werkneemster] nog even ter verduidelijking op het verslag, dat de cliënt bij thuiskomst zelf de pakketjes geld ging opbergen.”

2.8. In de procedure betreffende de ontslag aanvraag stelt [werkneemster] dat de verdenking ongegrond is en dat zij binnen de grenzen van het zorgplan heeft gehandeld. In de een brief van de advocaat van [werkneemster] d.d. 15 februari 2008 staat onder meer ten aanzien van activiteiten buiten het zorgplan: "(...) Uit de brieven van de stichting in de bijgevoegde gespreksaantekeningen begrijpt mevrouw [werkneemster] dat de stichting met deze activiteiten doelt op het brengen van eten naar de cliënt en – mogelijk - op het vergezellen van de cliënt als die geld opnam van haar bankrekening. (...) Mevr. [werkneemster] beschikt niet zelf over een exemplaar van het zorgplan, maar weet dat het onder meer voorzag in "ondersteunende begeleiding" van de cliënte praktisch gesproken houdt dat (ook) in dat van haar verwacht werd dat zij de cliënte vergezelde als deze boodschappen ging doen. Bij die gelegenheden nam de cliënte (en nooit Mevrouw [werkneemster]) ook wel geld op van haar bankrekening. Ook de begeleiding bij dat soort boodschappen valt geheel binnen de voorzieningen van het zorgplan.

2.9. De ontslagaanvraag is op 20 maart 2008 afgewezen omdat niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat sprake was van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 5 ne 6 van het Ontslagbesluit.

2.10. Na deze afwijzing heeft [werkneemster] haar werkzaamheden met ingang van 14 april 2008 hervat.

2.11. Bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2012 (LJN BW2461) is de aan [werkneemster] – onder meer – ten laste gelegde diefstal van de cliënte van Thuiszorg bewezen verklaard. De tekst van het vonnis luidt onder meer als volgt: “Het standpunt van de verdediging (…) Verdachte heeft zich nooit geld van [slachtoffer] toegeëigend en zij heeft het door haar gepinde geld steeds aan [slachtoffer] overhandigd. (…) wettig en overtuigende bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 3 juni 2003 tot en met 31 maart 2007 in totaal circa € 65.025,00 van [slachtoffer] heeft gestolen. (…)”

3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1. Thuiszorg Midden-Gelderland verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden wegens dringende, althans vanwege veranderingen in omstandigheden, een en ander op de eerst mogelijke datum, althans de datum die de kantonrechter redelijk acht, zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [werkneemster] in de kosten van de procedure.

3.2. Thuiszorg Midden-Gelderland onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt.

Uit het strafvonnis van deze rechtbank van 26 april 2012 blijkt dat [werkneemster] misbruik heeft gemaakt van de bankpas van cliënte van Thuiszorg en dat zij het geld van cliënte heeft aangewend om grote aankopen te doen, zoals een auto, keuken, vier Breitling horloges en een plasma TV. Het wettelijke uitgangspunt is dat diefstal in het kader van arbeidsovereenkomsten een dringende reden voor beëindiging van het dienstverband is. Er zijn geen redenen om van dit uitgangspunt af te wijken. Feit is immers dat [werkneemster] veelvuldig en een aanzienlijk geldbedrag heeft gestolen van een kwetsbare cliënte, een bejaarde vrouw met fysieke en mentale problemen die zorg behoefde. Subsidiair geldt dat [werkneemster] met haar handelen de goede naam en reputatie van Thuiszorg op het spel heeft gezet, dat ze binnen de organisatie veel onrust heeft teweeggebracht, maar nog belangrijker [werkneemster] heeft tegen de achtergrond van haar voortdurende ontkenningen en uiteindelijke veroordeling door de rechtbank het vertrouwen van Thuiszorg ernstig en onherstelbaar beschaamd. Het laat Thuiszorg geen andere conclusie toe dan dat van haar niet gevergd kan worden dienstverband met [werkneemster] nog langer voort te zetten.

3.3. [werkneemster] stelt dat zij onschuldig is. Zij heeft hoger beroep aangetekend en zal tot in hoogste instantie de veroordeling bestrijden. Het vonnis is nog niet onherroepelijk en heeft geen bindende bewijskracht. Bovendien betreft het een verdenking uit 2007 en zou een zo oude veroordeling haar in het kader van justitiële documentatie niet meer worden nagedragen. [werkneemster] heeft anders dan ten aanzien van de strafverdenking nimmer negatieve beoordelingen of functioneringsgesprekken gehad. Zij heeft altijd met overgave en plezier haar werkzaamheden verricht en zou dat graag kunnen voortzetten. Het ontbindingsverzoek van Thuiszorg dient als ongegrond te worden afgewezen.

Nu Thuiszorg haar weer heeft geschorst en tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wenst te komen, voelt [werkneemster] zich door Thuiszorg wederom ernstig in steek gelaten beschadigd en gegriefd zodat zij zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst vraagt onder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Zij stelt dat Thuiszorg haar nimmer heeft gesteund en dat die steun wel mocht worden verwacht in het kader van goed werkgeverschap omdat Thuiszorg-personeel erg kwetsbaar is voor beschuldigingen zoals diefstal. In plaats van steun heeft Thuiszorg haar eind 2007 al eens geschorst. Op het functioneren van [werkneemster] is vervolgens niets meer aan te merken. [werkneemster] meent dat Thuiszorg ernstige verwijten kunnen worden gemaakt en dat een correctiefactor twee aan de orde is op grond van slecht werkgeverschap. Met inachtneming van haar leeftijd, het aantal dienstjaren en haar loon is een ontbindingvergoeding van € 25.000,- geïnitieerd. Zij verzoekt van haar zijde de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van genoemde ontbindingsvergoeding.

3.4. Thuiszorg heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde ontbindingsvergoeding.

4. De beoordeling

4.1. Nu partijen beide om ontbinding van de arbeidsovereenkomst hebben verzocht, zal de kantonrechter daartoe overgaan en gaat het om de vraag of aan [werkneemster], ten laste van Thuiszorg Midden-Gelderland, een vergoeding moet worden toegekend en zo ja welke vergoeding.

4.2. Uit het strafvonnis valt af te leiden dat [werkneemster] (ook) zelf geld heeft gepind van de rekening van cliënte. Ter zitting is haar daarnaar gevraagd. [werkneemster] heeft daarover verklaard dat als zij met de cliënte meeging naar het winkelcentrum dat de cliënte zelf geld pinde. Als ze niet meeging, bijvoorbeeld als het regende, ging [werkneemster] op de scooter. Dan gaf de cliënte haar het bankpasje en dan pinde zij € 500,- of € 750,- of € 1.000,- dat was net wat cliënte haar vroeg. Dat geld was voor haar broer in Zuid-Afrika. Cliënte vloog daar, aldus [werkneemster], één keer per jaar heen. Volgens [werkneemster] had cliënte enkel last van haar schouders en mankeerde zij verder niets. Het was volgens [werkneemster] niet zo dat deze cliënte licht dementerende was.

4.3. De kantonrechter stelt vast dat deze verklaring in strijd is met de verklaringen die zij blijkens de gesprekverslagen die Thuiszorg heeft opgemaakt van de gesprekken die tussen Thuiszorg en [werkneemster] plaatsvonden op 6 december 2007 en 17 december 2007. Blijkens die verklaringen heeft [werkneemster] toen aangegeven dat cliënten zelf geld bij de bank pinde. Thans verklaart [werkneemster] dat zij ook regelmatig geld voor de cliënte pinde. De kantonrechter gaat van dit verslag uit omdat op 17 december 2007 naar die juistheid van het gesprekverslag van 6 december 2007 is gevraagd. Op 7 januari 2008 heeft ook een gesprek tussen Thuiszorg en [werkneemster] heeft plaatsgevonden en toen is ook naar de juistheid van dat verslag gevraagd. Bovendien staat in de brief van de advocaat van [werkneemster], van 15 februari 2008, welke in het kader van de procedure bij het CWI is verzonden, dat de cliënte en uitdrukkelijk nooit [werkneemster] geld opnam van haar bankrekening.

De conclusie is dat [werkneemster] in 2007 en begin 2008 geen openheid van zaken heeft gegeven tegenover Thuiszorg. Daar komt bij dat een verzorgende, zoals [werkneemster], niet geacht wordt geld op te nemen met de bankpas van een cliënte. Ook zonder dat daar regels over zijn opgesteld had [werkneemster] duidelijk moeten zijn geweest – zij zegt zelf ook dat medewerkers van Thuiszorg kwetsbaar zijn voor beschuldigingen van diefstal – dat zij dat niet mocht doen. Dit geldt te meer nu [werkneemster] grote bedragen opnam en voorts niet aannemelijk heeft gemaakt welke noodzaak er was om die bedragen te pinnen nu dat geld, aldus [werkneemster], voor een broer van de cliënte was, die zij eens per jaar bezocht. De kantonrechter overweegt voorts dat Thuiszorg ter zitting heeft verklaard dat er tijdens de opleiding die [werkneemster] van 2004-2007 volgde aandacht is besteed aan het feit dat zij professioneel afstand behoort te houden tot haar cliënten en dat er daarnaast intervisiebijeenkomsten over dit onderwerp zijn gehouden. [werkneemster] heeft dit niet betwist.

4.4. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat Thuiszorg terecht het vertrouwen in [werkneemster] heeft opgezegd en dat dat verlies van vertrouwen voor rekening en risico van [werkneemster] zelf komt nu zij, zoals overwogen, geen openheid van zaken heeft gegeven. Het tijdsverloop sinds 2007 maakt dat niet anders omdat eerst met het strafvonnis van 26 april 2012 duidelijk werd dat [werkneemster] zelf (grote) bedragen van de rekening van de cliënte had gepind.

4.5. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verandering in omstandigheden die volledig voor rekening en risico van [werkneemster] komen zodat toekenning van een vergoeding niet aan de orde is. Dit betekent dat de vraag of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7: 678 lid 1 BW in het midden kan blijven. [werkneemster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden;

5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.