Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW9362

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
AWB 10/4062 en 11/4213
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:796, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank laat zich uit over het (proces)belang van meerdere eisers ten aanzien van één verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob). Voor zover het beroep ontvankelijk is, oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet in strijd is met de uitzonderingsgronden van de Wob. Het verslag van de mediation is op een dusdanige wijze geanonimiseerd, dat het niet tot personen te herleiden is. Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer doet zich dan ook niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2014/43 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/4062 en AWB 11/4213

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam 1], eiser 1

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [naam 2],

en

[naam 2], eiser 2

wonende te [woonplaats],

tegen

het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

- Besluit van verweerder van 29 oktober 2010 (besluit I);

- Besluit van verweerder van 26 september 2011 (besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit I heeft verweerder geweigerd aan eiser de door hem op grond van de Wet openbaar bestuur (Wob) verzochte informatie te verstrekken.

Eiser 1 heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Dit bezwaar is met instemming van eiser 1 door verweerder aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als rechtstreeks beroep. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder nummer AWB 10/4062.

Het beroep van eiser 1 is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 augustus 2011. Eiser 1 is aldaar vertegenwoordigd door [naam 2] (later: eiser 2). Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Diependaal en P. van Leeuwen.

Op 31 augustus 2011 heeft de rechtbank een mondelinge tussenuitspraak gedaan.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder besluit II genomen.

Eiser 1 heeft naar aanleiding van besluit II een zienswijze ingediend.

Eiser 2 heeft beroep ingesteld tegen besluit II. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 11/4213.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 maart 2012. Eiser 1 is aldaar vertegenwoordigd door eiser 2. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Diependaal en P. van Leeuwen.

3. Overwegingen

AWB 10/4062

Ten aanzien van besluit I

De rechtbank stelt allereerst vast dat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder besluit I bij besluit II heeft ingetrokken. Gelet hierop en nu overigens gesteld noch gebleken is van een resterend belang, is de rechtbank van oordeel dat eiser 1 geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van besluit I. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser 1 betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Ten aanzien van besluit II

De rechtbank stelt voorts vast dat besluit II binnen de grondslag en reikwijdte van besluit I valt, zodat besluit II dient te worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb. Tussen partijen is in geschil of verweerder met dit besluit geheel aan het verzoek van eiser 1 tegemoet is gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser 1 heeft met een beroep op de Wob verzocht om de verstrekking van de versie van het mediationverslag waarvan door het bestuur van verweerder is kennisgenomen, voor zover nodig geanonimiseerd.

Verweerder heeft bij het besluit van 26 september 2011 het verzochte verslag, geanonimiseerd, aan eiser 1 verstrekt.

In zijn zienswijze stelt eiser 1 zich – kort gezegd – op het standpunt dat a. het besluit onrechtmatig is omdat het mediationverslag in strijd met de Wob openbaar is gemaakt; en b. dat verweerder ten onrechte niet ook de tweede versie van het verslag heeft verstrekt.

De rechtbank is van oordeel dat nu eiser 1 verzocht heeft om openbaarmaking van het verslag en aan dat verzoek is tegemoetgekomen hij geen belang heeft bij het opkomen tegen de rechtmatigheid van het besluit in zijn algemeenheid.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat nu eiser 1 slechts om één versie van het verslag heeft verzocht, namelijk de versie waar het bestuur van verweerder kennis van heeft genomen, er geen reden was voor verweerder ook de tweede versie te verstrekken. Ter zitting is namens verweerder nog eens bevestigd dat de verstrekte versie van het verslag de versie is die ter kennis is gekomen van het bestuur. Deze grond slaagt derhalve niet

Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser 1 tegen besluit II ongegrond.

AWB 11/4213

Eiser 2 heeft aangevoerd dat besluit II in strijd met artikel 6, vijfde lid, van de Wob is genomen nu de verstrekking van de informatie gelijktijdig met het besluit is geschied en niet twee weken later. Volgens eiser 2 had verweerder moeten weten dat hij bezwaar zou hebben tegen de openbaarmaking van deze informatie. Ook de overige bij de mediation bijeenkomst aanwezigen zijn volgens eiser ten onrechte niet vooraf geïnformeerd over de openbaarmaking. Verder voert eiser 2 aan dat het besluit, hoewel geanonimiseerd, toch tot hem te herleiden is en ook dat hij benadeeld is nu – kort gezegd – iedereen uit het verslag kan opmaken dat hij door verweerder om de tuin is geleid. Tot slot acht eiser het openbaar maken van het mediationverslag onrechtmatig nu de partijen bij de mediationovereenkomst vertrouwelijkheid zijn overeengekomen.

Ter zitting heeft eiser 2 aangegeven dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 26 september 2011 omdat dit besluit veel stress heeft veroorzaakt bij zijn zoon, eiser 1, met als gevolg dat eiser 2 en zijn vrouw hun vakantie voortijdig hebben moeten afbreken en dat zijn zoon nog steeds gedeeltelijk bij hem en niet in zijn eigen huis verblijft en daardoor op het gezinsbudget drukt.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser geen belanghebbende is bij het besluit van 26 september 2011 omdat hij bij de mediation aanwezig was als gemachtigde van zijn zoon en subsidiair dat het besluit van 27 september 2011 niet in strijd is met de Wob.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser 2 wel als belanghebbende bij besluit II dient te worden aangemerkt aangezien het besluit de openbaarmaking van een verslag van een mediationbijeenkomst betrof waarbij eiser 2 als partij aanwezig was. De mediation betrof in hoofdzaak de vertroebelde verhouding tussen eiser 2 en verweerder. Voorts heeft eiser bij zijn beroep ook een procesbelang gelet op de door hem gestelde schade.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet genomen is in strijd met artikel 6, vijfde lid, van de Wob. In de eerste plaats was verweerder er mee bekend dat eiser 1 al kennis had genomen van de ongeanonimiseerde versie van het verslag. En in de tweede plaats trad eiser 2 als gemachtigde van eiser 1 op in de procedure waarbij eiser 1 om openbaarmaking van het verslag. Gelet hierop hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet te verwachten dat eiser 2 als belanghebbende zelf bezwaar zou hebben tegen de (genanonimiseerde) openbaarmaking van het verslag.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat artikel 6, vijfde lid, van de Wob ook is geschonden ten opzichte van de andere aanwezigen bij de bijeenkomst waar het verslag van is gemaakt, stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat deze personen bezwaren hebben tegen de geanonimiseerde openbaarmaking van het verslag. Reeds om die reden kan deze grond niet slagen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat besluit II ook niet in strijd is met de uitzonderingsgronden van de Wob en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat bij overeenkomst niet afgeweken kan worden van de Wob. Het feit dat partijen bij de mediationovereenkomst zijn overeengekomen dat hetgeen tijdens de mediation gewisseld wordt, vertrouwelijk blijft, is daarom als zodanig geen reden om het Wob-verzoek af te wijzen. Dat neemt niet weg dat dit aspect bij een belangenafweging op grond van een van de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, van de Wob wel meegewogen dient te worden.

De rechtbank is echter van oordeel dat in het voorliggende geval geen van de uitzonderingsgronden van de Wob zich voordoet. Het verslag is volgens de rechtbank namelijk geanonimiseerd op een wijze die maakt dat het niet tot personen – en dus ook niet tot eiser 2 – te herleiden is. Het belang van de bescherming van de persoonlijke levensfeer doet zich derhalve niet voor.

Voorts heeft eiser 2 volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij onevenredig benadeeld is door het besluit. De stelling van eiser 2 dat anderen nu kunnen zien dat hij om de tuin is geleid door verweerder – wat daar verder ook van zij – gaat niet op nu het verslag in niet tot personen te herleiden vorm openbaar is gemaakt. De door eiser 2 gestelde schade is volgens de rechtbank – zo er al sprake is van schade – niet het directe gevolg van besluit II. Het afbreken van de vakantie dateert van juli 2011, dus vóór de datum van besluit II. En van extra kosten wegens het vaker thuis verblijven is niet aannemelijk geworden dat deze in directe relatie staan tot besluit II. In ieder geval was deze schade bij het nemen van besluit II voor verweerder niet te voorzien, omdat eiser 1 op dat moment al kennis had genomen van het (ongeanonimiseerde) verslag. Ook de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob doet zich derhalve niet voor.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht tot geanonimiseerde openbaarmaking van het mediationverslag besloten. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser 2 ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank

in zaak 10/4062:

verklaart het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 aan hem vergoedt.

in zaak 11/4213:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Westerdijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: