Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW9332

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
229426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing beslag.

In het kader van dit kort geding kan niet worden vastgesteld of sprake is van een toerekenbare tekortkoming en causaal verband met de schade. Niet summierlijk gebleken van ondeugdelijkheid vordering. Beslag blijft liggen.

Wel veroordeling tot betekening van een verklaring aan de veiling dat het beslag geen betrekking heeft op opbrengsten van na 23 april gehouden veilingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229426 / KG ZA 12-244

Vonnis in kort geding van 4 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESPOSA B.V.,

gevestigd te Bruchem, gemeente Zaltbommel,

eiseres,

advocaat mr. M. Stegeman te Den Bosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]l,

gedaagde,

vrijwillig verschenen,

advocaat mr. T.B.M. Kersten te Den Bosch.

Partijen zullen hierna Esposa en [gedaagde] B.V. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Esposa

- de pleitnota van [gedaagde] B.V.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Esposa heeft in 2007, 2008, 2009 en 2010 op basis van mondelinge afspraken werkzaamheden verricht voor [eigenaar van gedaagde] bestaande uit het uitzaaien van Helleboruszaden.

2.2. Esposa heeft daartoe op 8 juli 2007, 15 augustus 2009, 12 juli 2009 en 18 juli 2010 facturen gezonden aan [eigenaar van gedaagde], [adres]. Deze facturen zijn zonder protest behouden en voldaan.

2.3. Ui[eigenaar van gedaagde] [gedaagde] B.V. overgelegd bankafschrift blijkt dat betaling van de factuur van 18 juli 2010 op 8 augustus 2010 heeft plaatsgevonden door overschrijving het factuurbedrag vanaf de Raborekening ten name van [gedaagde] B.V. naar de rekening van Esposa.

2.4. Esposa hanteert algemene voorwaarden. Op de facturen van Esposa werd in 2007, 2008 en 2009 verwezen naar de algemene voorwaarden van Esposa V.O.F. en in 2010 naar die van Esposa B.V.

2.5. Op 13 maart 2011 heeft Esposa aan [eigenaar van gedaagde] de leveringsvoorwaarden (algemene voorwaarden) toegezonden.

2.6. De algemene voorwaarden van Esposa B.V. luiden, voor zover relevant in deze procedure:

Artikel 13: Klachten

13.1 De koper zal de geleverde zaken terstond na levering keuren. (…)

13.2.c Klachten over kiemkracht en machinale zuiverheid zullen binnen 60 dagen na

levering schriftelijk aan Esposa worden gedaan. (…)

13.3 Het klachtrecht van de koper vervalt indien hij niet tijdig in de zin van het vorige

lid heeft geklaagd.

13.4 De koper zal de beklaagde zaken ter beschikking van Esposa houden. (…)

13.7 Indien de koper niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoet aan een verplichting

van hem jegens Esposa, uit welke overeenkomst dan ook, is Esposa met

betrekking tot geen van de overeenkomsten tot enige garantie gehouden.

Artikel 14: Aansprakelijkheid

(…)

14.2 Iedere aansprakelijkheid voor schadevergoeding van Esposa is beperkt tot het

bedrag dat de koper in het kader van de overeenkomst aan Esposa heeft betaald.

Iedere aansprakelijkheid van Esposa vervalt als niet binnen 1 jaar na de levering

een rechtsvordering tegen Esposa is ingesteld.

2.7. In december 2010 heeft [eigenaar van gedaagde] geconstateerd dat voor wat betreft de 128-gaats zaaitrays de door Esposa ingezaaide helleboruszaden te diep waren ingezaaid waardoor een groot deel daarvan niet is opgekomen. [eigenaar van gedaagde] heeft Esposa vervolgens mondeling aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.

2.8. Esposa heeft op 26 januari 2011 de schade gemeld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar Interpolis.

2.9. Bij brief van 28 januari 2011 heeft Interpolis Esposa onder meer meegedeeld dat er geen polisdekking was voor de gemelde schade.

2.10. Om de oorzaak van het lage rendement van de 128-gaats zaaitrays te verifiëren heeft [gedaagde] B.V. gewasdeskundige DLV Plant Gewastaxaties te Boxtel (hierna: DLV) opdracht gegeven de oorzaak, aard en omvang van de schade te onderzoeken.

DLV komt in haar rapport tot de conclusie dat het zaaiproces bij Esposa niet goed is uitgevoerd en dat het zaad in de tempex trays te diep is ingezaaid.

2.11. Bij afzonderlijk rapport van 21 juni 2011 wordt de gevolgschade die is veroorzaakt door het te diep inzaaien van de helleboruszaden door DLV begroot op € 171.417,-.

2.12. Bij brief van 19 juli 2011 heeft DAS Rechtsbijstand namens [eigenaar van gedaagde] Esposa aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.

2.13. In antwoord daarop heeft de advocaat van Esposa bij brief van 18 augustus 2011 de aansprakelijkheid gemotiveerd betwist.

2.14. Omstreeks 29 november 2011 heeft Esposa een nadere sommatie ontvangen van de advocaat van [gedaagde] B.V. met bijgevoegd een afschrift van de brief van DLV d.d. 8 november 2011 die een reactie bevat op het schrijven van Esposa van 18 augustus 2011.

2.15. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde] B.V. ten laste van Esposa op 23 april 2012 conservatoir (derden)beslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank Bommelerwaard U.A. en de Koninklijke Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (hierna: FloraHolland).

Het beslag onder de Rabobank heeft geen doel getroffen.

2.16. Op verzoek van Esposa heeft AGRIOM Agrarische Ontwikkelingsmaatschappij (hierna: AGRIOM) op 16 mei 2012 een rapport uitgebracht waarin een reactie is gegeven op het door DLV uitgebrachte rapport in zake het zaadkiemprobleem. AGRIOM concludeert:

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan ik de conclusie die in het rapport getrokken wordt niet

onderschrijven. Dat dieper is gezaaid dan wenselijk is de enige vaststelling die is gedaan.

Diep zaaien in combinatie met te veel vocht of te hoge temperaturen kan nadelige gevolgen

hebben. Indien diep gezaaid is maar de andere klimaatomstandigheden zijn optimaal, dan

behoeft dat geen gevolgen te hebben.

Er is voorbijgegaan aan bovenstaande punten waarvoor Esposa niet kan worden

aangesproken omdat de factoren buiten het zicht van de betreffende onderneming

vallen.

3. Het geschil

3.1. Esposa vordert primair de opheffing van het op 23 april 2012 gelegde beslag.

Subsidiair vordert Esposa:

1. [gedaagde] B.V. op straffe van een dwangsom te veroordelen een

door haar ondertekende verklaring te laten betekenen aan FloraHolland waarin

staat vermeld:

“Geachte heer/mevrouw,

Op 23 april jl. is door [betrokkene], als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder, namens [gedaagde] b.v. derdenbeslag gelegd onder uw organisatie. Mede naar aanleiding van een veroordeling daartoe in een gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter te Arnhem, wordt hierbij bevestigd dat het gelegde derdenbeslag géén betrekking heeft op opbrengsten van veilingen die worden gehouden na 23 april 2012.

Veilingopbrengsten ten behoeve van Esposa, die voortvloeien uit veilingen die zijn gehouden na 23 april 2012 worden dan ook niet door het beslag getroffen, zodat het gelegde beslag aan voldoening van die opbrengsten aan Esposa niet in de weg staat.

Hoogachtend,

[gedaagde] b.v.”

2. het door [gedaagde] B.V. gelegde beslag op te heffen voor zover

dit beslag een bedrag heeft getroffen van meer dan € 7.309,12.

3.2. [gedaagde] B.V. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.2. Esposa heeft aan haar primaire vordering ten grondslag gelegd dat

a. [gedaagde] B.V. geen vordering op haar heeft omdat [gedaagde] B.V. geen contractspartij van haar is;

b. voor zover geoordeeld zou worden dat [gedaagde] B.V. toch

contractspartij is, de door [gedaagde] B.V. gepretendeerde vordering

ondeugdelijk is;

c. een belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen en ertoe dient te leiden

dat het beslag onder FloraHolland zal worden opgeheven.

4.3. Esposa heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat [gedaagde] B.V. geen contractspartij is aangevoerd dat door haar gedurende vier jaar werkzaamheden zijn uitgevoerd voor [eigenaar van gedaagde] privé. Volgens Esposa is door [eigenaar van gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat gehandeld zou worden namens [gedaagde] B.V. Omdat [eigenaar van gedaagde] dat heeft nagelaten heeft hij volgens Esposa de overeenkomsten zelf gesloten. In lijn daarmee heeft Esposa de door haar uitgevoerde werkzaamheden ook gefactureerd aan [eigenaar van gedaagde] privé. Daarnaast wijst Esposa erop dat in de brieven van 19 juli 2011 van DAS Rechtsbijstand en 29 november 2011 van de advocaat van [eigenaar van gedaagde] wordt vermeld dat [eigenaar van gedaagde] zich tot de respectievelijke gemachtigden heeft gewend in verband met beweerdelijk door hem geleden schade en niet [gedaagde] B.V. Esposa is van mening dat, omdat [gedaagde] B.V. geen contractspartij is, zij dus geen vordering op haar heeft waardoor summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van de beslaglegger is gebleken.

4.4. [gedaagde] B.V. heeft de stellingen van Esposa gemotiveerd betwist. [gedaagde] B.V. heeft, naar haar zeggen ter wegneming van elke twijfel, een overeenkomst van lastgeving, gedateerd april 2012, in het geding gebracht waarin staat dat indien [eigenaar van gedaagde] persoonlijk gecontracteerd zou hebben, hij zulks als lasthebber van [gedaagde] B.V. heeft gedaan. Volgens [gedaagde] B.V. wist Esposa van het bestaan en de activiteiten van de vennootschap van [eigenaar van gedaagde] en wist zij, althans had zij dienen te begrijpen dat [eigenaar van gedaagde] contracteerde namens de vennootschap. Partijen handelden in onderling vertrouwen hetgeen zich volgens [gedaagde] B.V. onder meer uitte in mondelinge afspraken. Dat de facturen zijn gericht aan [eigenaar van gedaagde] en niet aan de vennootschap zegt volgens [gedaagde] B.V. niets omdat partijen elkaar kenden en elkaar bij de roepnaam aanspraken. De roepnaam van [eigenaar van gedaagde] is [voornaam]. De facturen van Esposa zijn volgens [gedaagde] B.V. overigens altijd voldaan door de vennootschap.

4.5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Of [eigenaar van gedaagde] in privé contractspartij is van Esposa dan wel [gedaagde] B.V. is in het kader van deze procedure niet eenvoudig vast te stellen. Enerzijds bestaan er aanwijzingen dat [eigenaar van gedaagde] in privé contractspartij van Esposa is. Zo zijn de door Esposa verzonden facturen gericht aan [eigenaar van gedaagde] privé en niet aan de vennootschap en wordt in de aansprakelijkheidsstelling bij brief van 19 juli 2011 door DAS Rechtsbijstand niet gesproken van de vennootschap die schade zou hebben geleden, maar uitsluitend van [eigenaar van gedaagde] als natuurlijk persoon. Of dat ook zo is in de omstreeks 29 november 2011 door Esposa ontvangen brief van de advocaat van [eigenaar van gedaagde], zoals Esposa heeft gesteld, is vooralsnog niet vast te stellen omdat een afschrift van die brief niet in het geding is gebracht. Anderzijds is door [gedaagde] B.V. onweersproken gesteld dat alle facturen in de afgelopen jaren door de vennootschap zijn voldaan, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat de vennootschap contractspartij van Esposa is. De door [gedaagde] B.V. overgelegde overeenkomst van lastgeving is, anders dan [gedaagde] B.V. heeft gesteld, geen aanwijzing dat de vennootschap in 2010 contractspartij van Esposa was. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt immers dat deze achteraf, nadat de overeenkomsten waren uitgevoerd en na het uitbrengen van de dagvaarding, is opgesteld. Bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft deze dus geen rol gespeeld.

4.6. Ter beantwoording van de vraag of [eigenaar van gedaagde] op eigen naam met Esposa heeft gecontracteerd of namens de vennootschap, is van belang hetgeen Esposa en [eigenaar van gedaagde] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977 NJ 1977,521). Partijen hebben op basis van mondelinge overeenkomsten zaken met elkaar gedaan. Volgens Esposa is [eigenaar van gedaagde] privé haar contractspartner omdat door hem voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten op geen enkele wijze kenbaar is gemaakt dat gehandeld zou worden namens [gedaagde] B.V. Daartegenover heeft [gedaagde] B.V. aangevoerd dat zij als contractspartner van Esposa heeft te gelden omdat partijen elkaar kenden en Esposa wist van het bestaan en de activiteiten van de vennootschap. Esposa op haar beurt heeft dit betwist en erop gewezen dat [eigenaar van gedaagde] meerdere vennootschappen heeft, waaronder een maatschap met zijn echtgenote en Kwekerij Van Liempt v.o.f. Daarbij constateert de voorzieningenrechter dat Esposa steeds factureert op naam van ‘Esposa’ zonder vermelding of het gaat om een besloten vennootschap dan wel een vennootschap onder firma en dat zij op de oudere facturen verwijst naar de algemene voorwaarden van een V.O.F. en op de laatste factuur naar de algemene voorwaarden van een B.V., maar dat zij op alle facturen hetzelfde Kamer van Koophandelnummer, bankrekeningnummer en BTWnummer opgeeft en ook hetzelfde adres en hetzelfde telefoonnummer.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende kan zonder nadere bewijsvoering, waarvoor in een kort geding geen plaats is, niet worden vastgesteld wie over en weer de contractspartijen waren. Daarover zal in de bodemprocedure duidelijkheid verkregen dienen te worden.

Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde] B.V. geen partij bij de overeenkomst was en uit dien hoofde geen vordering op Esposa heeft.

4.7. Esposa heeft als grondslag voor haar vordering voorts aangevoerd dat de vordering van [gedaagde] B.V. ondeugdelijk is. Esposa betwist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan haar zijde en zo er al sprake zou zijn van enige tekortkoming, dan ontbreekt het causaal verband tussen de tekortkoming en de door [gedaagde] B.V. gepretendeerde schade. Er zijn, zoals onder meer blijkt uit de rapportage van AGRIOM, veel factoren die van invloed zijn op het uiteindelijke resultaat van kweken van helleborussen en Esposa had naar haar zeggen slechts invloed op één van die factoren. Omstandigheden als temperatuur en luchtvochtigheid werden alleen beïnvloed door [eigenaar van gedaagde] en volgens Esposa is zeer aannemelijk dat één van deze factoren oorzaak is geweest van de mindere opkomst van de zaden. Er zijn volgens Esposa met [eigenaar van gedaagde] nooit specifieke afspraken gemaakt over de zaaidiepte. Esposa heeft in alle jaren op dezelfde zaaidiepte gezaaid. Ter zitting heeft Esposa verklaard dat de zaden in de 128-gaats trays niet dieper zijn ingezaaid maar mogelijk wel dieper zijn komen te liggen omdat op verzoek van [eigenaar van gedaagde] twee maal extra water en extra vermiculiet is toegevoegd. Dit is volgens Esposa in voorgaande jaren en in de andere trays niet gebeurd. Esposa is van mening dat zij heeft gehandeld in het kader van een aanvullende opdracht door [eigenaar van gedaagde], waardoor, zo al vast zou komen te staan dat het niet of niet goed ontkiemen van de zaden het gevolg daarvan is, dit haar niet is toe te rekenen.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. [gedaagde] B.V. heeft de vordering waarvoor beslag is gelegd, bestaande uit de door haar gepretendeerde schade onderbouwd met het rapport van DLV. Daarin is geconcludeerd dat de betreffende zaden niet goed zijn ontkiemd omdat ze door Esposa te diep zijn ingezaaid. [gedaagde] B.V. is van mening als gevolg van deze aan Esposa toerekenbare tekortkoming schade te hebben geleden. De schade is bij afzonderlijk rapport van DLV begroot op

€ 171.417,-. Esposa heeft een en ander betwist en een rapport overgelegd van AGRIOM waarin de conclusie in het rapport van DLV niet wordt onderschreven. Volgens AGRIOM hoeft enkel diep inzaaien waarbij de andere klimaatomstandigheden optimaal zijn, geen gevolgen te hebben. [gedaagde] B.V. heeft op haar beurt het rapport van AGRIOM betwist. De stellingen en standpunten van partijen staan haaks op elkaar. Ook ten aanzien van de door Esposa gestelde en door [gedaagde] B.V. betwiste aanvullende opdracht tot het toevoegen van extra water en extra vermiculiet en de mogelijke gevolgen daarvan. Binnen het beperkte kader van deze procedure kan, zonder nadere bewijsvoering, waarvoor in een kort geding geen plaats is, niet worden vastgesteld of sprake is van een tekortkoming, of die aan Esposa is toe te rekenen en of die de oorzaak is van de door [gedaagde] B.V. gepretendeerde schade. Aan wie van partijen is toe te rekenen dat de helleboruszaden in de 128-gaats trays niet of niet goed zijn ontkiemd, en wat de schade daarvan is zal in de bodemprocedure moeten worden uitgezocht. Dat betekent dat, voorshands geoordeeld, niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] B.V.

4.9. Esposa heeft voorts een beroep gedaan op de door haar gehanteerde algemene voorwaarden, waarin haar aansprakelijkheid wordt beperkt. Volgens Esposa zijn de algemene voorwaarden van toepassing omdat partijen al geruime tijd zaken met elkaar doen, op haar facturen steeds werd verwezen naar de voorwaarden, tegen de toepasselijkheid ervan nimmer is geprotesteerd en [gedaagde] B.V. daarom geacht moet worden stilzwijgend ermee te hebben ingestemd. Esposa is van mening dat [gedaagde] B.V. niet aan haar verplichtingen genoemd in artikel 13 van de algemene voorwaarden heeft voldaan, zodat Esposa ingevolge artikel 13 lid 7 niet tot enige garantie is gehouden. Volgens Esposa heeft [gedaagde] B.V. in strijd met artikel 14 lid 2 van de algemene voorwaarden niet tijdig een rechtsvordering tegen haar ingesteld, zodat haar aansprakelijkheid is komen te vervallen.

4.10. [gedaagde] B.V. heeft zich op het standpunt gesteld dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn omdat deze niet zijn aanvaard en niet voorafgaand aan het sluiten van de (mondelinge) overeenkomsten ter hand zijn gesteld. De algemene voorwaarden zijn haar voor het eerst op 13 maart 2011 toegezonden. Voorts stelt [gedaagde] B.V. zich op het standpunt dat de door Esposa gestelde exoneratie onredelijk bezwarend is, hetgeen door Esposa wordt betwist. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van [gedaagde] B.V. aldus dat in de bodemprocedure door haar op de desbetreffende vernietigingsgronden een beroep zal worden gedaan. Of de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst die partijen in 2010 hebben gesloten is in het beperkte kader van dit kort geding en zonder nadere bewijsvoering niet vast te stellen. Daarover zal in de bodemprocedure duidelijkheid verkregen moeten worden. Dat betekent dat het beroep van Esposa op beperking van haar aansprakelijkheid op grond van de algemene voorwaarden, voorshands geoordeeld, niet slaagt. De door [gedaagde] B.V. gepretendeerde vordering is ook in zoverre niet summierlijk ondeugdelijk gebleken.

4.11. Gelet op het bovenstaande heeft Esposa onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door [gedaagde] B.V. gepretendeerde, aan het beslag ten grondslag gelegde vordering ondeugdelijk is. De primaire vordering tot opheffing van het beslag dient daarom te worden afgewezen. Een belangenafweging tussen partijen maakt dat niet anders. Het belang van [gedaagde] B.V. bij verhaalsmogelijkheid van haar vooralsnog niet summierlijk ondeugdelijke vordering dient in de gegeven omstandigheden te prevaleren boven het belang van Esposa bij opheffing van het beslag. Daarbij is van belang dat het onder de Rabobank gelegde beslag geen doel heeft getroffen waardoor het beslag onder FloraHolland de enige verhaalsmogelijkheid is voor [gedaagde] B.V. Dat [gedaagde] B.V., nadat haar vordering bekend was bijna een jaar heeft stilgezeten en nu wederom talmt doordat zij verlenging heeft aangevraagd voor de termijn waarbinnen de hoofdzaak dient te worden ingesteld, zoals Esposa heeft gesteld en [gedaagde] B.V. heeft betwist, doet aan het voorgaande niet af. De stelling van Esposa dat het beslag buitenproportioneel is en zij daardoor ernstig wordt benadeeld, is op zich onvoldoende om voorshands aannemelijk te achten dat Esposa onevenredig zwaar in haar belangen is getroffen.

4.12. Indien en voor zover het beslag niet opgeheven zou worden vordert Esposa subsidiair dat [gedaagde] B.V. aan FloraHolland kenbaar maakt dat het gelegde beslag niet in de weg staat aan uitkering van opbrengsten van toekomstige veilingen aan Esposa. Volgens Esposa heeft FloraHolland het standpunt ingenomen dat de opbrengsten van veilingen die nog moeten plaatsvinden vallen onder het beslag en daarom niet aan haar worden afgedragen. Esposa verkoopt vrijwel wekelijks goederen via FloraHolland en is voor haar inkomsten volledig afhankelijk van deze veilingopbrengsten. Als zij verstoken blijft van die inkomsten wordt zij ernstig bedreigd in haar voortbestaan. Esposa is van mening dat de toekomstige veilingopbrengsten niet onder het beslag vallen omdat zij niet voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Ter zitting heeft [gedaagde] B.V. verklaard het uitdrukkelijk eens te zijn met het door FloraHolland ingenomen standpunt dat de opbrengst van toekomstige veilingen wel door het beslag worden getroffen.

4.13. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit het beslagrekest, waarvan een afschrift zich bij de stukken bevindt, blijkt dat [gedaagde] B.V. heeft verzocht het verlof tot het leggen van beslag ten aanzien van de Rabobank en FloraHolland meerdere malen te mogen gebruiken en dat dit verzoek is afgewezen. [gedaagde] B.V. heeft dus maar eenmalig derdenbeslag mogen leggen onder de Rabobank en FloraHolland. Het beslag onder de Rabobank heeft geen doel getroffen zodat dit in het kader van deze procedure niet relevant is. Op grond van artikel 475 Rv kan geen beslag worden gelegd op toekomstige vorderingen omdat die niet voortvloeien uit een ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding. Onder het derdenbeslag onder FloraHolland vallen daarom alleen de op dat moment aanwezige gelden en niet de opbrengsten van toekomstige veilingen. Esposa laat regelmatig partijen planten veilen bij FloraHolland en deze veilingen kunnen niet worden gezien als een bestaande rechtsverhouding tussen FloraHolland en Esposa. Elke opeenvolgende veiling is immers aan te merken als een nieuwe opdracht tot bemiddeling van Esposa aan FloraHolland.

4.14. Uit het voorgaande volgt dat de subsidiaire vordering in zoverre kan worden toegewezen, met dien verstande dat het totaal van de gevorderde dwangsommen zal worden gemaximeerd.

4.15. Voor toewijzing van de subsidiaire vordering om het beslag te beperken tot maximaal het factuurbedrag van € 7.309,12, op grond van de in de algemene voorwaarden gestelde aansprakelijkheidsbeperking, bestaat geen grond, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen ten aanzien van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden.

4.16. [gedaagde] B.V. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Esposa worden begroot op:

- dagvaarding € 0,00

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] B.V. om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een door haar ondertekende verklaring te laten betekenen aan Koninklijke Coöperatieve Bloemveiling FloraHolland U.A., gevestigd en kantoorhoudende te 1431 GB Aalsmeer aan de Legmeerdijk 313, waarin de volgende tekst is opgenomen:

“Geachte heer/mevrouw,

Op 23 april jl. is door [betrokkene], als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder, namens [gedaagde] b.v. derdenbeslag gelegd onder uw organisatie. Mede naar aanleiding van een veroordeling daartoe in een gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter te Arnhem, wordt hierbij bevestigd dat het gelegde derdenbeslag géén betrekking heeft op opbrengsten van veilingen die worden gehouden na 23 april 2012.

Veilingopbrengsten ten behoeve van Esposa, die voortvloeien uit veilingen die zijn gehouden na 23 april 2012 worden dan ook niet door het beslag getroffen, zodat het gelegde beslag aan voldoening van die opbrengsten aan Esposa niet in de weg staat.

Hoogachtend,

[gedaagde] b.v.”

5.2. veroordeelt van Liempt Helleborus B.V. om aan Esposa een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

5.3. veroordeelt van Liempt Helleborus B.V. in de proceskosten, aan de zijde van Esposa tot op heden begroot op € 1.391,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagde] B.V. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2012.

Coll: ESMD