Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW9309

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
25-06-2012
Zaaknummer
227085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident;

Algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 227085 / HA ZA 12-171

Vonnis in incident van 6 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIE VERKOOP B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.M.G. van Lotringen te Ede,

tegen

[eiseres in het incident]

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. E.H.M. Swaneveld- Bakelaar te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna Recreatie Verkoop en [eiseres in het incident] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot relatieve onbevoegdheid met producties,

- de incidentele conclusie van antwoord met een productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten in het incident

2.1. Op 31 januari 2011 hebben Recreatie Verkoop en [eiseres in het incident] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een recreatieobject. Daartoe hebben zij een verkoopbevestiging opgesteld.

2.2. Op de verkoopbevestiging staat, voor zover van belang:

“Extra voorzieningen: aangekocht als investeringsobject voor verhuur

(…)

- Koper verklaart hierbij kennis genomen te hebben en accoord te gaan met de geldende verkoop- en leveringsvoorwaarden van ons bedrijf zoals op de achterzijde vermeld.”

De verkoopbevestiging is direct daaronder ondertekend door [eiseres in het incident] en de verkoper van Recreatie Verkoop de heer H. [betrokkene].

2.3. In een set algemene voorwaarden, die door Recreatie Verkoop in het geding is gebracht, is in artikel 14 een forumkeuzebeding opgenomen luidende, voor zover van belang:

“Alle geschillen die tussen koper en verkoper mochten ontstaan kunnen uitsluitend en alleen worden aangebracht bij de volgens de normale regels van absolute competentie bevoegde rechter in het arrondissement Arnhem.”

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiseres in het incident] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak naar de rechtbank Haarlem verwijst. Zij beroept zich, samengevat, primair op vernietiging van de algemene voorwaarden conform artikel 6:233 sub b juncto artikel 6:234 BW, nu de algemene voorwaarden door Recreatie Verkoop niet aan [eiseres in het incident] ter hand zijn gesteld. Subsidiair beroept zij zich op de vernietiging van het forumkeuzebeding op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub n BW.

3.2. Recreatie Verkoop voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1. Wat betreft de primaire grond overweegt de rechter als volgt. In artikel 6:233 sub b BW is een algemene informatieplicht neergelegd. Deze houdt in dat de gebruiker van de algemene voorwaarden (in casu Recreatie Verkoop) een redelijke mogelijkheid moet bieden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. De algemene informatieplicht wordt in artikel 6:234 BW nader gestalte gegeven door te eisen dat de gebruiker van de algemene voorwaarden die voorwaarden aan de wederpartij (in casu [eiseres in het incident]) ter hand moet stellen. Onder ter hand stellen is te verstaan: ieder feitelijk aanleveren van de tekst van de algemene voorwaarden. De terhandstelling dient vóór of bij het sluiten van de overeenkomst te geschieden. Als aan deze eisen niet is voldaan, kan de wederpartij de algemene voorwaarden (gedeeltelijk) vernietigen.

4.2. Recreatie Verkoop stelt bij dagvaarding dat [eiseres in het incident] de verkoopbevestiging heeft ondertekend waar op de achterzijde de algemene voorwaarden zijn gedrukt en op de voorzijde een verwijzing naar deze algemene voorwaarden is opgenomen. Zij heeft als productie 3 bij dagvaarding een soortgelijke, niet ingevulde verkoopbevestiging overgelegd. [eiseres in het incident] heeft daarop in haar incidentele conclusie aangevoerd dat zij slechts een kopie van de overeenkomst zonder de algemene voorwaarden na afloop van de ondertekening ontvangen heeft. Dat [eiseres in het incident] de verkoopbevestiging heeft getekend waarbij op de achterzijde de algemene voorwaarden gedrukt stonden, heeft [eiseres in het incident] niet betwist. De vraag is nu of Recreatie Verkoop aan het wettelijke vereiste heeft voldaan, namelijk vóór of tijdens het sluiten van de overeenkomst de algemene voorwaarden aan [eiseres in het incident] ter hand stellen.

Uit het bovenstaande kan de conclusie getrokken worden dat op het moment dat [eiseres in het incident] de overeenkomst tekende zij voldoende mogelijkheid had om kennis te nemen van de algemene voorwaarden waar zij op de voorzijde van de door haar ondertekende overeenkomst op gewezen werd. Daarmee is voldaan aan het wettelijke vereiste van terhandstelling vóór of bij het sluiten van de overeenkomst. Dat [eiseres in het incident] na afloop van de ondertekening slechts een kopie van de voorkant van de overeenkomst mee neemt of krijgt maakt dit niet anders. [eiseres in het incident] voert geen feiten of omstandigheden aan die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden.

Op de primaire grond is de vordering niet toewijsbaar.

4.3. Subsidiair beroept [eiseres in het incident] zich op de vernietiging van het forumkeuzebeding op grond van de artikelen 6:233 sub a juncto 6:236 sub n BW. Een beding in de algemene voorwaarden is op basis van artikel 6:233 sub a BW vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Artikel 6:236 BW somt een aantal bedingen op die bij voorbaat als onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar worden geacht. Wel geldt, wil een beroep op artikel 6:236 BW slagen, dat de wederpartij niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [eiseres in het incident] stelt dat zij niet handelde in uitoefening van een beroep of bedrijf. Dan zou, volgens [eiseres in het incident], zij op zijn minst ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel, dan wel beschikken over een BTW-nummer. Volgens [eiseres in het incident] heeft zij de onderhavige woning permanent willen bewonen en was het uitdrukkelijk niet de bedoeling het object als investering aan te kopen. Tevens legt [eiseres in het incident] een verklaring over van de heer Van der Poel waarin staat, voor zover van belang:

“[eiseres in het incident] heeft meerdere keren aangegeven dat ze zelf in het chalet wilde gaan wonen en dat als het verhuurd zou moeten worden, dat ze geen vreemden erin wilde.

H. [betrokkene] heeft gezegd dat je het zou kunnen verhuren dit kan familie vrienden en kennissen zijn (dus geen vreemden) en dat je dan de belasting van €20.000 zou kunnen aftrekken. Hij heeft niet gezegd dat het een investeringsobject was. [eiseres in het incident] heeft ook niet gezegd dat zij bij mij ging wonen. Er is alleen gezegd door [eiseres in het incident] dat zij eventueel bij mij kon logeren of dat zij op vakantie kon in die periode.

Op de dag van tekenen heeft [eiseres in het incident] aangegeven dat ze, als het zou moeten verhuren aan vreemden, dat ze dan toch liever niet de € 20.000 terug wilde van de belasting.

Dhr. [betrokkene] zei dat dit onzin was, want dit deed iedereen en het zou jammer zijn als je dat zou laten lopen.”

Recreatie Verkoop voert aan dat [eiseres in het incident] wel handelde in uitoefening van een beroep of bedrijf. De zinsnede “aangekocht als investeringsobject voor verhuur”, zoals in de overeenkomst opgenomen is zou volgens Recreatie Verhuur geen ruimte voor een andere interpretatie overlaten. Daarnaast voert Recreatie Verkoop een door haar verkoper, de heer H. [betrokkene] ondertekende verklaring, waarin deze voor zover van belang het volgende verklaart:

“Bij de aankoop heb ik aangegeven dat permanente bewoning niet mogelijk is op DroomPark Buitenhuizen. Het recreatieobject wordt immers aangekocht als investeringsobject. Mevrouw [eiseres in het incident] heeft aangegeven dat zij bij haar vriend ging wonen, dus dit zou geen problemen opleveren.

Mevrouw [eiseres in het incident] heeft vragen gesteld over de verhuur. De verhuur wordt geregeld door DroomPark Buitenhuizen.”

4.4. De rechtbank overweegt dat het aankopen van een voor de verhuur bestemde recreatiewoning in het algemeen als handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangemerkt kan worden. Dit is niet anders als de koper niet als professioneel of deskundig aangemerkt kan worden noch als het de bedoeling van de koper was om slechts een gedeelte van de tijd het onroerend goed te verhuren en een gedeelte van de tijd de woning zelf te bewonen. Een inschrijving bij de Kamer van Koophandel danwel een B.T.W.- nummer is voor het als zodanig aanmerken niet noodzakelijk. Zie in dit kader ook de uitspraken van het hof in Arnhem van 7 maart 2006 (LJN: AV4864) en het Hof van Justitie EG van 20 januari 2005 (C-464/01).

In casu vermeldt de op schrift gestelde overeenkomst dat de recreatiewoning als investeringsobject voor de verhuur werd aangekocht. Dat leidt in dit incident tot de conclusie dat het handelen van [eiseres in het incident] kan aangemerkt worden als handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dat [eiseres in het incident], zoals zij stelt, hier haar bedenkingen bij had of dat zij sterk door verkopende partij ingegeven handelde, maakt dat, nu zij getekend heeft, niet anders.

4.5. Nu [eiseres in het incident] verder geen feiten en omstandigheden stelt waaruit blijkt dat het forumkeuzebeding zoals in de overeenkomst is opgenomen onredelijk bezwarend is, wordt ook de subsidiaire incidentele vordering afgewezen.

4.6. [eiseres in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

5.4. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

5.5. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt [eiseres in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van Recreatie Verkoop tot op heden begroot op € 452,00, wegens salaris advocaat,

6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.5. bepaalt dat [eiseres in het incident] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Recreatie Verkoop dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juni 2012 voor het opgeven van de verhinderdagen van partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden juli tot en met september 2012, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

6.7. bepaalt dat bij gebreke van de opgevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelf zal bepalen,

6.8. bepaalt dat na vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.9. wijst partijen er op dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

6.10. bepaalt dat de in de overwegingen bedoelde stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moeten zijn toegestuurd,

6.11. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.