Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW9172

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
229145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kopje voor zaak IvHG-VGZ, vs van 18 juni 2012

Partijen hebben sinds 2000 opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd gesloten voor de verlening van zorg (hyperbare zuurstoftherapie) door IvHG aan VGZ-verzekerden en de vergoeding van die zorg door VGZ aan IvHG. De laatste overeenkomst voor het jaar 2011 is geëindigd op 31 december 2011. Partijen hebben vanaf november 2011 onderhandeld over een nieuwe overeenkomst voor het jaar 2012. Op 2 mei 2012 heeft IvHG uiteindelijk de onderhandelingen afgebroken omdat er volgens haar geen zicht meer was op het bereiken van overeenstemming over de voorwaarden van de nieuwe overeenkomst. VGZ wil met IvHG alleen een overeenkomst sluiten voor 2012 als een zorgkosten¬plafond onderdeel daarvan uitmaakt. Het zorgkostenplafond is het bedrag dat VGZ in 2012 ten hoogste aan IvHG zal vergoeden voor de door IvHG aan VGZ-verzekerden verleende zorg.

De vraag die de partijen verdeeld houdt is of VGZ in de gegeven omstandigheden vrij staat aan de voortzetting de contractuele relatie met IvHG ná 31 december 2011 zodanig gewijzigde voorwaarden te verbinden die voor IvHG substantiële en zeer ingrijpende gevolgen kunnen hebben, zoals het aan de gecontracteerde zorg verbinden van een maximumvergoeding (zorgkostenplafond).

Onbestreden is dat IvHG sinds 2000, gedurende twaalf jaar, onder soortgelijke voorwaarden en zonder een zorgkostenplafond dan wel een andersoortige volume- of kostenvergoeding¬begrenzing met VGZ heeft gecontracteerd over de door haar aan VGZ-verzekerden te leveren zorg en de vergoeding van die zorg door VGZ. Voor een contract voor het jaar 2012 heeft VGZ voor het eerst de voorwaarde van een zorgkostenplafond gesteld en daarmee voor het eerst een grens gesteld aan de door haar aan IvHG voor het gecontracteerde jaar te vergoeden zorg. Niet aanvaard kan worden dat VGZ tegen die achtergrond volstrekt vrij staat naar goeddunken de (contractuele) relatie met IvHG ná 31 december 2011 niet voor te zetten, dan wel enkel voort te zetten onder substantieel gewijzigde voorwaarden die voor IvHG zeer ingrijpend zijn, zoals het vaststellen van een maximum aan de vergoeding die IvHG toekomt voor haar dienstverlening aan VGZ-verzekerden. Aangenomen moet worden dat partijen ten gevolge van de door hen gedurende twaalf jaar lang met elkaar gesloten opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd, meestal voor één jaar en een enkele keer voor twee jaar, tot elkaar zijn komen te staan in een (rechts)verhouding die wordt beheerst door maatstaven van pericontractuele redelijkheid en billijkheid. Deze redelijkheid en billijkheid brengen een begrenzing aan de contractsvrijheid van beide partijen. Hieruit vloeit onder meer voort dat VGZ zich bij haar beslissing de relatie al dan niet voort te zetten, dan wel enkel onder sterk gewijzigde en voor IvHG ingrijpende voorwaarden voort te zetten, niet alleen mag laten leiden door haar eigen gerechtvaardigde belangen, die van haar verzekerden en die van de mede door haar behartigde belangen van de gezondheidszorg in het algemeen, maar zich mede zal moeten laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van haar jarenlange contractspartner IvHG.

Derhalve dient te worden beoordeeld of het door VGZ gewenste zorgkostenplafond - en de hoogte van het bedrag daarvan - in het nieuwe contract voor 2012 ten opzichte van de contractering in de voorgaande jaren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de pericontractuele verhouding tussen partijen, welke verhouding de contractsvrijheid van beide partijen beperkt.

De voorzieningenrechter komt tot de slotconclusie dat het op grond van de hiervoor bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid toegestaan is dat VGZ een zorgkostenplafond gaat hanteren voor de nieuwe overeenkomst voor 2012, maar niet op de wijze zoals VGZ dat wil door de hoogte van het zorgkostenplafond te stellen op een groei van 2,5% ten opzich¬te van 2011, welke beperkte groei geen recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van IvHG, en evenmin op de wijze zoals IvHG dat wil door de hoogte van het zorgkosten¬plafond te stellen op een groei van 50% ten opzichte van 2011, welke hoge groei weer tegen¬strijdig is met de gerechtvaardigde belangen van VGZ. Daarom moeten partijen wat betreft de hoogte van het zorgkostenplafond op zoek gaan naar een middenweg die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen en ook die van de verzekerden van VGZ en van de zorgverlening in zijn algemeenheid. Partijen moeten met dit uitgangspunt dooronderhandelen over een nieuw contract voor 2012.

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet
Zorgverzekeringswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2012/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229145 / KG ZA 12-225

Vonnis in kort geding van 18 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSTITUUT VOOR HYPERBARE GENEESKUNDE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. F.W. Barendrecht te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Rijken te Den Haag.

Partijen zullen hierna IvHG en VGZ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van IvHG

- de pleitnota van VGZ.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. VGZ is een zorgverzekeraar zoals bedoeld in artikel 1 aanhef en onder b Zorgverzekeringswet.

2.2. Hyperbare zuurstoftherapie is een medische behandeling waarbij patiënten 100% zuurstof inademen in een ruimte met een verhoogde luchtdruk. Deze therapie wordt onder meer toegepast bij de behandeling van weefselschade na bestraling en van slecht genezende voetwonden als gevolg van suikerziekte. Hyperbare zuurstoftherapie voor deze toepassings¬gebieden behoort tot het te verzekeren pakket van de zorgverzekering.

2.3. Het behandelen met hyperbare zuurstof is een prestatie waarvoor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) sinds 2006 en voor die tijd het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) jaarlijks een maximumtarief per behandeling per patiënt vaststelt.

2.4. IvHG is een zorgaanbieder die als zelfstandig behandelcentrum (ZBC) zich bezighoudt met het behandelen van patiënten met hyperbare zuurstof. IvHG behandelt hoofdzakelijk patiënten met late radiatieschade en patiënten met een diabetische voet. IvHG heeft vier vestigingen voor de behandelingen. De vierde vestiging in Waalwijk is in november 2011 geopend. Het marktaandeel van IvHG in de hyperbare zuurstofbehandeling in Nederland is iets meer dan 50%.

2.5. Van 2000 tot en met 2011 heeft IvHG met VGZ jaarlijks en in een enkel geval tweejaarlijks een nieuwe overeenkomst gesloten voor de verlening van zorg door IvHG aan de verzekerden van VGZ en de vergoeding van die zorg door VGZ. In die overeenkomsten is steeds het tarief vastgelegd dat IvHG aan VGZ kon declareren. Tot en met 2011 heeft VGZ alle door IvHG verleende zorg tegen 100% van het door het CTG of de NZa vastgestelde maximumtarief vergoed, zonder dat voor IvHG beperkingen golden.

2.6. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft op 19 januari 2010 in een brief aan de Tweede Kamer zijn beleidsvoornemens voor de (bekostiging van) medisch specialistische zorg geschetst (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 109). Onder meer wordt melding gemaakt van de overstap van budget- naar prestatiebekostiging in de gehele medisch specialistische zorg per 2012. Deze brief gaat in op de vraag hoe de overgang naar prestatiebekostiging zal worden vormgegeven.

2.7. Eind 2010 en begin 2011 is in de media bericht dat het voorgenomen overheids¬beleid grote consequenties zou hebben voor ZBC’s, omdat de minister vanaf 2012 naast de ziekenhuizen ook de ZBC’s onder een financieel plafond wil brengen.

2.8. In aansluiting op deze beleidsvoornemens hebben de brancheorganisaties van ziekenhuizen, ZBC’s en zorgverzekeraars (Zorgverzekeraars Nederland) en de minister van VWS op 4 juli 2011 een “Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012-2015” (hierna: het hoofdlijnenakkoord) gesloten. In het hoofdlijnenakkoord erkennen alle betrokken partijen dat zij een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan een beheerste kostenontwikkeling van de ziekenhuiszorg/medisch specialistische zorg en is onder meer afgesproken dat de uitgaven van zorgverzekeraars aan zorgaanbieders vanaf 2012 op macroniveau met niet meer dan 2,5% per jaar zouden mogen stijgen. Ook volgt uit het hoofdlijnenakkoord dat overschrijdingen van de afgesproken macrobudgetten zullen worden teruggevorderd met het nieuwe macrobeheersingsinstrument in de vorm van een achteraf opgelegde omzetheffing aan alle zorgaanbieders.

2.9. De NZa heeft op 14 december 2011 de voor het macrobeheersingsinstrument benodigde beschikkingen uitgevaardigd. In een beschikking landelijk MBI-omzetplafond van 14 december 2011 voor het jaar 2012 is het macrobudget voor de landelijke medisch specialistische zorg bepaald op € 16.634.000.000,00. In een beschikking individueel MBI-omzetplafond van 14 december 2011 is voor elke afzonderlijke instelling voor medisch specialistische zorg voor het jaar 2012 een bovengrens vastgesteld voor de omzet volgens de in de beschikking vermelde formules. Het komt erop neer dat als de werkelijke kosten voor de landelijke medisch specialistische zorg in 2012 het macrobudget overschrijden, de NZa aan alle zorgaanbieders een heffing zal opleggen naar rato van hun omzet.

2.10. De budgettering van ziekenhuizen is overeenkomstig het voornemen van de minister per 1 januari 2012 beëindigd. Op diezelfde datum is de wetswijziging waarmee het macrobeheersingsinstrument is geïntroduceerd, in werking getreden.

2.11. Tegen de achtergrond van deze wijzigingen heeft VGZ in de tweede helft van 2011 haar inkoopbeleid voor 2012 bepaald.

2.12. Vanaf november 2011 hebben partijen onderhandeld over een nieuwe overeenkomst voor het jaar 2012.

2.13. In haar brief van 1 november 2011 betreffende “inkoop medisch specialistische zorg 2012” heeft VGZ alle ziekenhuizen en ZBC’s, waaronder IvHG, op de hoogte gesteld van de uitgangspunten van haar beleid. Deze brief vermeldt onder meer:

Met het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012-2015 hebben we ons de komende jaren gecommitteerd aan een beheersing van de uitgaven en een verdere verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van de ziekenhuiszorg. Een belangrijk besluit, waar alle betrokken partijen samen behoorlijke inspanningen voor zullen moeten leveren. (…)

Op zeer korte termijn willen wij met u afspraken maken over de zorginkoop 2012. Graag bieden wij u in deze brief duidelijkheid over het pad dat we met u willen inslaan om tijdig samen afspraken te maken (zie bijlage 1). Daarnaast leggen we u in bijlage 2 een aantal vragen voor die ingaan op uw specifieke situatie, zodat wij tijdens het eerste gesprek al optimaal zijn geïnformeerd. (…)

Om u op voorhand inzicht te geven in de visie van VGZ op hoofdthema’s, noemen wij hierbij alvast onze belangrijkste uitgangspunten in het onderhandelingstraject:

- Prestatiebekostiging leidt tot meer transparantie en lagere kosten;

- Invoering DOT mag niet tot hogere kosten leiden;

- Waar mogelijk willen we reeds in 2012 een kostenbesparing realiseren;

- Overproductie, op de tussen partijen gemaakte afspraken, zal niet worden gehonoreerd;

- (…)

- Naast kwaliteit speelt de prijs, maar zeker ook het volume een belangrijke rol;

- (…)

Gezien de majeure veranderingen waar we de komende jaren voor staan is het noodzakelijk om tijdig te starten met de besprekingen voor 2012. Graag ontvangen wij uw offerte zorgproducten-DOT vóór 15 december aanstaande. (…)

2.14. De NZa heeft op 15 november 2011 de definitieve tarieven voor medisch specialistische zorg in 2012 vastgesteld. Het maximum¬tarief voor 2012 voor hyperbare zuurstoftherapie is vastgesteld op € 180,87 per behandeling per patiënt.

2.15. Op 28 november 2011 heeft IvHG aan VGZ gevraagd hoe de contractering voor 2012 zou gaan lopen omdat het IvHG niet lukte om haar offerte in het door VGZ gebruikte systeem DBC Services in te voeren. Bij e-mail van 5 december 2011 heeft VGZ laten weten dat de onderhandelingen nog niet konden worden gestart omdat daartoe eerst door IvHG een vragenlijst moest worden ingevuld die echter nog niet beschikbaar was.

2.16. Hierop heeft IvHG op 7 december 2011 bij VGZ kenbaar gemaakt dat zij zich zorgen maakte of het VGZ zou lukken de contractering af te ronden voor 1 januari 2012.

In die e-mail heeft IvHG een voorstel gedaan aan VGZ, inhoudende om voor 2012 wederom het door de NZa vastgestelde maximumtarief contractueel vast te leggen. Daarnaast heeft zij VGZ erop gewezen dat zij voor 2012 een forse groei verwacht in patiënten met bestralingsschade en diabetische voet, waardoor zij geen uitspraak kon doen over de te verwachten volumes.

2.17. Op 15 december 2011 heeft VGZ IvHG bericht dat de vragenlijst aan het begin van week 51 beschikbaar zou komen en dat IvHG na invulling daarvan een voorstel in DBC Services zou kunnen invoeren inclusief volumespecificatie. VGZ heeft daarbij aangegeven dat zij in navolging van het hoofdlijnenakkoord een volumegroei van -2% ten opzichte van het niveau van 2010 zou toestaan.

2.18. Bij e-mail van 15 december 2011 heeft IvHG aan VGZ een brief doorgestuurd die begin december door de Nederlandse Vereniging voor Hyperbare Geneeskunde aan bestuurders van zorgverzekeraars en Zorgverzekeraars Nederland is gestuurd. In die brief is onder meer uiteengezet dat er groei wordt verwacht van de hyperbare zuurstoftherapie en dat het behandelen met hyperbare zuurstof op macroniveau kostenverlagend werkt, omdat minder kosten voor andere typen behandelingen hoeven te worden gemaakt. In de e-mail vermeldt IvHG dat indien uitgegaan wordt van een groei van 2,5% in 2012 ten opzichte van 2011 zoals dat in het hoofdlijnenakkoord is overeengekomen, IvHG in het tweede kwartaal van 2012 dit plafond al bereikt en daarna dus geen patiënten meer kan behandelen.

2.19. In een e-mail van 5 januari 2012 heeft IvHG aan VGZ nogmaals vermeld dat wanneer VGZ het hoofdlijnenakkoord onvertaald toepast op de aanbieders van hyperbare zuurstoftherapie in Nederland, IvHG al voor de zomer aan dat opgelegde plafond zit.

2.20. Op 2 februari 2012 heeft IvHG aan VGZ een overzicht gestuurd met het aantal behandelingen dat zij in 2010 en 2011 bij VGZ-verzekerden heeft uitgevoerd. Uit dit overzicht blijkt dat IvHG in 2011 56% meer behandelingen heeft uitgevoerd dan in 2010.

2.21. Op 7 februari 2012 heeft VGZ aan IvHG het zorgkostenplafond van verzekerde zorg voor IvHG voor het jaar 2012 doorgegeven en IvHG verzocht daarmee rekening te houden in haar offerte. Het zorgkostenplafond voor IvHG bedroeg € 467.074,00. Dit komt neer op een omzetgroei van 1,5% ten opzichte van het jaar 2010.

2.22. IvHG is niet akkoord gegaan met de hoogte van het door VGZ voorgestelde zorgkostenplafond en heeft op 29 februari 2012 een tegenvoorstel aan VGZ gedaan, inhoudende dat conform het hoofdlijnenakkoord IvHG ten opzichte van 2011 een volumegroei van 2,5% wordt toegestaan tegen het maximumtarief als vastgesteld door de NZa voor 2012 (zijnde € 180,87) en dat de daarboven uit te voeren behandelingen tegen 20% korting op dit maximumtarief (zijnde € 144,70) worden vergoed. Dit voorstel komt neer op een omzet van € 869.080,00 voor 2012.

2.23. VGZ heeft dit voorstel niet geaccepteerd. VGZ heeft bij een bespreking tussen partijen op 4 april 2012 een nieuw aanbod gedaan, waarin de hoogte van het zorgkosten¬plafond € 530.000,00 bedroeg. IvHG heeft dit aanbod afgewezen omdat zij dit aanbod onredelijk en onbillijk vindt. IvHG heeft bij e-mail van 5 april 2012 een kort geding aangezegd omdat er volgens haar geen uitzicht was op een oplossing voor het contract over 2012.

2.24. Bij een bespreking op 11 april 2012 heeft VGZ aangeboden het zorgkostenplafond te stellen op de productie (omzet) van IvHG in 2011, te vermeerderen met een compensatie voor de loon- en prijsontwikkeling. Dit komt neer op een bedrag van € 847.918,00. De medisch adviseurs van VGZ hebben na deze bespreking bij e-mail van 12 april 2012 toegelicht waarom er geen zorginhoudelijke redenen zijn om de door IvHG gewenste omzetgroei volledig te vergoeden.

2.25. Bij brief van 20 april 2012 heeft IvHG VGZ bericht dat dit voorstel voor haar onaanvaardbaar is, omdat het aantal behandelingen van VGZ-verzekerden zeer waarschijnlijk over dat maximum heengaat en daarvoor VGZ geen oplossing heeft geboden. IvHG heeft aangegeven dat zij ook een vergoeding wil voor behandelingen van VGZ-verzekerden boven het door VGZ voorgestelde plafond en heeft daartoe een eindvoorstel gedaan aan VGZ. Deze brief vermeldt, voor zover relevant:

Het IvHG deelt VGZ mede dat het IvHG zich niet kan vinden in het door VGZ voorgelegde voorstel.

Het IvHG heeft geen bezwaar tegen een plafond van € 847.918,- en daarmee respecteert zij de mening van VGZ dat VGZ dit plafond als toereikend beschouwt om tegemoet te komen aan de (groeiende) zorgvraag. IvHG behoudt zich dan wel het recht voor om wanneer dit plafond is bereikt naar het IvHG verwezen VGZ-patiënten te blijven behandelen en vraagt daarvoor vergoeding. Immers uitgaande van het door VGZ aangegeven plafond en de daarbij gegeven motivering is er voor haar geen enkele reden om geen oplossing te bieden voor patiënten die verwezen worden en ongelukkigerwijs boven het plafond uitkomen. Immers volgens VGZ is het onmogelijk dat dit voorkomt. Het IvHG zal derhalve slechts een overeenkomst met een plafond ondertekenen indien deze overeenkomst een oplossing biedt voor dit probleem. Het IvHG zal betreffende patiënten wel behandelen en vraagt vergoeding. (…)

Tot slot, onafhankelijk van de uitkomst van de onderhandelingen m.b.t. contractering 2012 zal het IvHG per direct overgaan tot het declareren van reeds verrichte behandelingen bij VGZ tegen het NZA-tarief van € 180,87 en zal VGZ de nota’s voldoen.

2.26. Hierop heeft VGZ in een brief van 26 april 2012 gereageerd en aangegeven vast

te willen houden aan het door haar voorgestelde zorgkostenplafond en dat zij niet kan instemmen met een (gereduceerde) vergoeding aan IvHG voor behandelingen van VGZ-verzekerden bovenop het voorgestelde zorgkostenplafond. Voorts is bericht dat zij IvHG niet zal houden aan artikel 9 lid 3 van de aan IvHG toe te zenden conceptovereenkomst voor 2012, genaamd “overeenkomst medisch specialistische zorg te leveren door een ZBC 2012” (hierna: conceptovereenkomst medisch specialistische zorg 2012), zodat IvHG niet verplicht zal zijn na het bereiken van het zorgkostenplafond door te gaan om zorg te verlenen aan VGZ-verzekerden. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

U doet een eindvoorstel aan de zorgverzekeraars om te komen tot samenwerking in 2012. U stelt voor het zorgkostenplafond vast te stellen overeenkomstig het voorstel dat wij met u hebben besproken op 11 april jl. U maakt daarbij het voorbehoud dat u verzekerden van de zorgverzekeraars ook na het bereiken van het zorgkostenplafond behandelt. Bij deze verzekerden brengt u de kosten van de behandeling in rekening. U wenst deze zorg vergoed te zien van de zorgverzekeraars. Een overeenkomst met de zorgverzekeraars zal hierin volgens u moeten voorzien. Tenslotte geeft u aan dat u de kosten van reeds geleverde zorg in 2012 zult declareren en dat u verwacht dat de zorgverzekeraars deze kosten zullen voldoen.

Het stemt mij positief dat u de hoogte van zorgkostenplafond aanvaardt zoals door ons in het gesprek is voorgesteld. Tegelijkertijd verbindt u daar een voorwaarde aan die het doel en de werking van de afspraak met betrekking tot het zorgkostenplafond ondergraaft. Bij het bereiken van het zorgkostenplafond wilt u immers zorg blijven leveren en brengt u de kosten daarvan in rekening bij de verzekerden. De verzekerden zullen deze kosten vervolgens bij de zorgverzekeraar declareren waardoor de totale som van tarieven die in rekening is gebracht voor zorg die uw organisatie heeft geleverd groter is dan de hoogte van het zorgkostenplafond.

Deze voorwaarde is niet in overeenstemming te brengen met de afspraken die de zorgverzekeraars – en wij als VGZ – met uw organisatie en andere aanbieders van medisch specialistische zorg willen maken. Hiermee kunnen wij niet instemmen. Het zorgkostenplafond is een financiële afspraak tussen zorginstelling en zorgverzekeraar, waarbij het aan de zorginstelling is om maatregelen te treffen waarmee de gemaakte afspraken worden nagekomen.

Omdat ik begrijp dat het voor uw organisatie bezwaarlijk is om bij het bereiken van het zorgkostenplafond zorg te blijven leveren, stel ik voor om in de overeenkomst die ik u heb doen toekomen de leveringsplicht die is opgenomen in artikel 9 lid 3 te laten vervallen. Graag maak ik met u nadere afspraken hoe te handelen wanneer het zorgkostenplafond dreigt te worden bereikt.

Met ingang van 1 januari van dit jaar hebben wij geen overeenkomst met uw organisatie ten behoeve van de levering van zorg. U heeft vanaf die datum desalniettemin zorg geleverd. Voor declaraties die betrekking hebben op zorg die is geleverd vanaf 1 januari 2012 tot en met 27 april 2012 geldt dat de zorgverzekeraars deze in ontvangst nemen, beoordelen en zover die beoordeling daartoe aanleiding geeft rechtstreeks aan u betalen. Bij de beoordeling en betaling van deze declaraties hanteren wij de afspraken die het laatst, dus in 2011, hierover tussen partijen hebben gegolden.

Ik hoop dat u naar aanleiding van deze reactie de mogelijkheid ziet om tot overeenstemming te komen zodat de samenwerking ook in 2012 kan worden voortgezet.

2.27. Op 27 april 2012 heeft VGZ aan IvHG de conceptovereenkomst medisch specialistische zorg 2012 opgestuurd. Deze aan IvHG voorgelegde conceptovereenkomst bevat, voor zover relevant, de volgende bepalingen:

Artikel 1 – Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

ii. zorgkostenplafond: de som van de bedragen, verkregen door vermenigvuldiging van het volume met het tarief van elk zorgproduct, zoals door partijen gezamenlijk vastgelegd DBC Services;

Artikel 3 – Inwerkingtreding en duur van de overeenkomst

1. Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2012 en eindigt op 31 december 2012.

Artikel 7 – Tarieven

1. Voor verleende zorg gelden de tarieven zoals door partijen gezamenlijk vastgelegd in DBC Services.

Artikel 8 – Recht op betaling

1. De zorgaanbieder heeft tegenover de zorgverzekeraar recht op betaling overeenkomstig het bij het desbetreffende zorgproduct behorende tarief.

2. De zorgaanbieder heeft geen recht op voldoening van een declaratie indien of voor zover:

d. door voldoening van die declaratie de som van de tarieven, in rekening gebracht vanaf 1 januari van enig jaar geopende zorgproducten, een voor dat jaar geldende zorgkostenplafond zou overschrijden;

Artikel 9 – Zorgkostenplafond

1. Het zorgkostenplafond vormt het maximum van de kosten die de zorgverzekeraar in enig jaar aan de zorgaanbieder vergoedt voor in dat jaar geopende zorgproducten.

2. Het zorgkostenplafond geldt voor de kosten van alle zorgproducten die gedurende het jaar door de zorgaanbieder worden geopend.

3. Indien door het in rekening brengen van tarieven het zorgkostenplafond wordt overschreden, laat dit de verplichting van de zorgaanbieder om zorg aan verzekerden van de zorgverzekeraar te verlenen onverlet.

4. De zorgaanbieder brengt ook een tarief in rekening indien door voldoening daarvan het zorgkostenplafond zou worden overschreden.

Artikel 12 – Declareren

4. De zorgaanbieder declareert de in het kader van de op grond van deze overeenkomst verleende zorg uitsluitend bij de zorgverzekeraar.

Artikel 16 – Declaraties bij overschrijding zorgkostenplafond

1. De zorgaanbieder brengt op de wijze als omschreven in artikelen 12 tot en met 15 ook een tarief in rekening indien door voldoening daarvan het zorgkostenplafond zou worden overschreden.

2. Een declaratie waarmee het zorgkostenplafond zou worden overschreden, leidt gelet op artikel 8 lid 2 aanhef en onder d niet tot een vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar, maar dient er uitsluitend toe de zorgverzekeraar een volledig inzicht te verschaffen in aard, inhoud en omvang van de verleende zorg.

3. Voor zover een declaratie als bedoeld in lid 2 door de zorgverzekeraar zou worden voldaan, is deze betaling onverschuldigd en dient het betaalde bedrag op eerste verzoek door de zorgaanbieder aan de zorgverzekeraar te worden terugbetaald.

2.28. Bij brief van 2 mei 2012 heeft IvHG het voorstel van VGZ als onaanvaardbaar afgewezen en geconcludeerd dat overeenstemming niet in zicht is en verder onderhandelen zinloos is. IvHG heeft haar eis dat het contract voor 2012 moet voorzien in een oplossing voor overschrijding van het zorgkostenplafond herhaald. IvHG heeft met deze brief de onderhandelingen afgebroken en het onderhavig kort geding aanhangig gemaakt.

2.29. Ongeveer 25% van het klantenbestand van IvHG is verzekerd bij VGZ. IvHG heeft met andere zorgverzekeraars wel een contract voor 2012 afgesloten voor het verlenen van hyperbare zuurstoftherapie aan verzekerden van die zorgverzekeraars en de vergoeding van die zorg door de zorgverzekeraars, waarbij geen, dan wel een zorgkostenplafond is overeengekomen dat een groei van 45% tot 48% toestaat ten opzichte van de omzet van IvHG in 2011.

2.30. IvHG verwacht voor 2012 een groei van de zorgaanvraag van VGZ-verzekerden van ongeveer 50% ten opzichte van de omzet die zij in 2011 had begroot en ongeveer 24% ten opzichte van de in 2011 daadwerkelijk gerealiseerde omzet, zulks uitgaande van de gerealiseerde groei van de afgelopen jaren en de stijgende vraag naar behandelingen met hyperbare zuurstof. Zij heeft de groei voor 2012 ook dienovereenkomstig begroot en haar productiecapaciteit daarop afgestemd. Haar tussentijdse cijfers wijzen op een nog grotere groei.

2.31. Tussen 2009 en 2011 is de omzet van IvHG toegenomen van € 1,9 miljoen naar bijna € 3 miljoen, een stijging van 53% in twee jaar. De winst is van € 478,00 in 2009, toegenomen naar € 86.000,00 in 2010 en vervolgens naar € 459.000,00 in 2011. De beoogde omzet voor 2012 bedraagt € 3,7 miljoen.

3. Het geschil

3.1. IvHG vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. VGZ te veroordelen om in de onderhandelingen met IvHG rekening te houden met

de gerechtvaardigde belangen van IvHG door geen, althans geen onredelijk lage begrenzing van het aantal door IvHG uit te voeren behandelingen te eisen, althans niet zonder de noodzakelijke inspanningen te verrichten om vast te stellen welke begrenzing redelijk zou zijn gelet op de besparingen die hyperbare geneeskunde op macroniveau met zich brengt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere keer dat VGZ in strijd handelt met dit gebod;

2. VGZ te veroordelen om in de onderhandelingen met IvHG rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van IvHG door het maximumtarief voor behandelingen met hyperbare zuurstof, als vastgesteld door de NZa, te aanvaarden, althans om geen lagere prijs te bedingen dan de prijs over 2011, op straffe van een dwangsom van

€ 10.000,00 voor iedere keer dat VGZ in strijd handelt met dit gebod;

3. VGZ te veroordelen om de in 2012 al uitgevoerde en nog uit te voeren behandelingen in de periode waarin nog geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, te vergoe¬den op de wijze van en tegen de voorwaarden van de overeenkomst uit 2011, waarbij eventuele prijsverschillen met de nieuwe overeenkomst over 2012 na totstandkoming daarvan worden verrekend, op straffe van een dwangsom van € 180,00 voor iedere keer dat VGZ een behandeling niet binnen 30 dagen na declaratie daarvan door IvHG vergoedt;

4. VGZ te veroordelen om, als geen nieuwe overeenkomst met VGZ tot stand komt, na afbreken van de onderhandelingen een redelijke termijn van 12 maanden in acht te nemen waarin de door IvHG uitgevoerde behandelingen nog worden vergoed tegen de voorwaarden van de overeenkomst uit 2011, teneinde IvHG in de gelegenheid te stellen haar bedrijfsvoering op de dan ontstane situatie in te richten, op straffe van een dwangsom van € 180,00 voor iedere keer dat VGZ een behandeling niet binnen 30 dagen na declaratie daarvan door IvHG vergoedt;

5. VGZ te veroordelen om voor buitengerechtelijke kosten aan IvHG een bedrag te voldoen dat overeenkomt met twee punten van het toepasselijke liquidatietarief bij rechtbanken en gerechtshoven, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

6. VGZ te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede VGZ te veroordelen in de nakosten.

3.2. IvHG legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. IvHG stelt dat VGZ na jarenlang onder vergelijkbare voorwaarden steeds eenzelfde overeenkomst aan te zijn gegaan, twee weken voor het aflopen van de overeenkomst over 2011, van IvHG niet kan vragen een nieuwe overeenkomst aan te gaan die zodanig afwijkt van de in het verleden gehanteerde voorwaarden dat IvHG daardoor grote schade lijdt. Het bedingen van een zorgkostenplafond in de overeenkomst voor 2012 door VGZ, welk plafond bovendien zodanig laag is dat geen recht wordt gedaan aan de belangen van IvHG en niet in overeen¬stemming is met de in het algemeen bestaande stijgende vraag naar behandelingen met hyperbare zuurstof en met de door IvHG verwachte en begrote groei van haar zorgverlening aan VGZ-verzekerden, waarop IvHG haar businessmodel en investeringen heeft afgestemd, vindt IvHG onredelijk. Haar businessmodel en investeringen zijn ingericht op de verwachting dat de vraag naar hyperbare zuurstofbehandeling blijft stijgen en dat zij haar productiecapaciteit dus kan uitbreiden teneinde de groeiende zorgvraag te bedienen. Om die reden heeft IvHG gedurfd te investeren in de opening van een vierde behandelcentrum in Waalwijk in 2011. IvHG stelt dat zij schade lijdt doordat VGZ voor 2012 een (te laag) zorgkosten¬plafond wil opnemen in de overeenkomst waardoor de door IvHG verwachte en begrote productiegroei sterk wordt beperkt en zij dus omzet zal missen. IvHG stelt zich op het standpunt dat de handelwijze van VGZ in het onderhandelingstraject in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, doordat VGZ alleen een overeenkomst wil sluiten waarvan een te laag zorgkostenplafond onderdeel uitmaakt. Zij stelt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, althans uit de precontractuele goede trouw, voortvloeit dat aan het stelsel van jaarlijks repeterende en vrijwel gelijke overeenkomsten als rechtsgevolg moet worden verbonden dat VGZ ertoe is gehouden om zich, bij haar beslissing de relatie al dan niet - of onder sterk gewijzigde voorwaarden - voort te zetten, niet alleen te laten leiden door haar eigen belagen, maar ook door de hiervoor omschreven gerechtvaardige belangen van IvHG. Dit betekent onder meer dat een voornemen om niet een nieuwe overeenkomst te sluiten, dan wel om enkel onder sterk gewijzigde voorwaarden een nieuwe overeenkomst te sluiten, ruim voor het eindigen van de laatst lopende overeenkomst door VGZ moet worden aangekondigd. Bij gebreke van een tijdige aankondiging, waarvan in casu sprake is, kan VGZ slechts voorwaarden bedingen die IvHG niet of niet ernstig schaden. Voorts betekent dit dat VGZ moet voorzien in een regeling voor de uitgevoerde behandelingen in de periode waarin de onderhandelingen voortduren, zoals in de voorafgaande jaren ook steeds is gebeurd. Ten slotte betekent dit dat VGZ moet voorzien in een overgangsregeling in geval de onderhandelingen niet tot een nieuwe overeenkomst leiden. IvHG dient een redelijke termijn te worden gegund om haar bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuw ontstane situatie.

3.3. IvHG verwacht medio 2012 het maximale aantal behandeling te hebben bereikt dat VGZ tot nu toe wil vergoeden voor heel 2012. Voordat dat aantal is bereikt dient IvHG zekerheid te hebben dat VGZ ook de behandelingen boven het thans gestelde maximum zal vergoeden. Zonder die zekerheid kan IvHG geen VGZ-verzekerden meer in behandeling nemen, althans niet zonder daarbij schade te lijden. Dit maakt dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Bovendien heeft IvHG op korte termijn belang bij een overgangs¬regeling voor het geval zij met VGZ niet tot overeenstemming kan komen over een overeenkomst voor 2012, zodat zij voldoende tijd heeft haar bedrijfsvoering en investeringsmodel daaraan aan te passen. Dit maakt dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

3.4. VGZ voert verweer. VGZ stelt dat zij heeft onderhandeld met IvHG en redelijke voorstellen heeft gedaan om tot een overeenkomst voor 2012 te komen, maar dat IvHG heeft geweigerd deze voorstellen te accepteren en de onderhandelingen heeft afgebroken.

VGZ stelt dat haar wens om een overeenkomst aan te gaan waarin een maximum wordt gesteld aan de vergoedingen voor de dienstverlening van IvHG (zorgkostenplafond) niet onredelijk is. In het handelsverkeer is het niet ongebruikelijk om een overeenkomst te sluiten waarin een dergelijk maximum wordt afgesproken. Voorst stelt zij dat de door haar voorgestelde hoogte van het zorgkostenplafond gelet op de verwachte gematigde groei van de vraag naar hyperbare geneeskunde niet onredelijk is en daarenboven in overeenstemming is met de doelstellingen van het hoofdlijnenakkoord, waarbij onder meer is afgesproken dat de uitgaven van zorgverzekeraars aan zorgaanbieders vanaf 2012 met niet meer dan 2,5% per jaar zouden mogen stijgen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang volgt in voldoende mate uit de stellingen van IvHG en is ook niet door VGZ betwist.

4.2. Partijen hebben sinds 2000, gedurende twaalf jaar, opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, meestal voor één jaar en een enkele keer voor twee jaar, gesloten voor de verlening van zorg (hyperbare zuurstoftherapie) door IvHG aan VGZ-verzekerden en de vergoeding van die zorg door VGZ aan IvHG. De laatste overeenkomst voor het jaar 2011 is geëindigd op 31 december 2011. In die contracten is nooit een begrenzing opgenomen van het aantal behandelingen dat IvHG mocht verrichten of van de vergoedingen die door VGZ aan IvHG werden betaald voor de door IvHG aan VGZ-verzekerden verleende zorg. In die overeenkomsten is wel steeds het tarief vastgelegd dat IvHG aan VGZ mocht declareren voor haar dienstverlening. Partijen hebben vanaf november 2011 onderhandeld over een nieuwe overeenkomst voor het jaar 2012. Op 2 mei 2012 heeft IvHG uiteindelijk de onderhandelingen afgebroken omdat er volgens haar geen zicht meer was op het bereiken van overeenstemming over de voorwaarden van de nieuwe overeenkomst.

4.3. VGZ wil met IvHG alleen een overeenkomst sluiten voor 2012 als een zorgkosten¬plafond onderdeel daarvan uitmaakt. Het zorgkostenplafond is het bedrag dat VGZ in 2012 ten hoogste aan IvHG zal vergoeden voor de door IvHG aan VGZ-verzekerden verleende zorg. VGZ wil dus een overeenkomst aangaan met IvHG waarin een absoluut maximum wordt gesteld aan de vergoedingen voor de dienstverlening van IvHG. Dit betekent dat wanneer het zorgkostenplafond is bereikt, IvHG geen enkele vergoeding meer krijgt van VGZ voor de behandelingen van VGZ-verzekerden die boven dit plafond uitkomen. VGZ is niet bereid in te stemmen met de eis van IvHG om IvHG ook een (gereduceerde) vergoeding toe te kennen voor de behandelingen van VGZ-verzekerden bovenop het voorgestelde zorg¬kosten¬plafond. VGZ heeft in het onderhandelingstraject wel haar eis geschrapt dat IvHG verplicht blijft zorg te leveren aan VGZ-verzekerden na het bereiken van het zorgkosten¬plafond (schrapping van de leveringsplicht van artikel 9 lid 3 van de conceptovereenkomst medisch specialistische zorg 2012), maar VGZ heeft haar eis dat IvHG de aan haar verzeker¬den verleende zorg uitsluitend bij VGZ declareert (artikel 12 lid 4 van de concept¬over¬¬een¬komst medisch specialistische zorg 2012) gehandhaafd. Dit betekent dat IvHG de aan VGZ-verzekerden verleende zorg niet rechtstreeks bij die patiënten in rekening mag brengen en dat IvHG de zorg die zij aan die patiënten omwille van haar eigen, niet door VGZ opgelegde, zorgplicht verleent na overschrijding van het plafond gratis c.q. voor eigen rekening zal moeten verlenen.

4.4. VGZ wil met het zorgkostenplafond een maximum aanbrengen in de door haar aan IvHG te betalen vergoeding. Het door VGZ voorgestelde zorgkostenplafond voor 2012 ligt veel lager dan de door IvHG verwachte en begrote groei van hyperbare zuurstoftherapie onder VGZ-verzekerden. IvHG heeft haar businessmodel en investeringen ingericht op de verwachting dat de vraag naar hyperbare zuurstofbehandeling blijft stijgen en dat zij haar productie¬capaciteit dus kan uitbreiden teneinde in die groeiende zorgvraag te kunnen voorzien. Met dat in haar achterhoofd heeft IvHG in november 2011 een vierde behandel¬centrum in Waalwijk geopend. Als IvHG het door VGZ voorgestelde zorgplafond, welk plafond volgens IvHG al bijna is bereikt, accepteert is het zeer waarschijnlijk dat zij een groot omzetverlies en dus schade zal leiden doordat zij veel minder VGZ-patiënten kan behandelen dan zij verwacht en ook heeft begroot. Haar recentelijk uitgebreide behandel¬capaciteit kan dan slechts ten dele worden benut, hetgeen weer financiële en personele gevolgen kan hebben voor IvHG. IvHG wil onder deze omstandigheden geen nieuw contract met VGZ aangaan voor de levering van zorg aan VGZ-verzekerden. Tegelijkertijd heeft IvHG wel een contract met VGZ nodig, omdat zij anders een nog groter deel van haar klanten - van de klanten van IvHG zijn 25% verzekerd bij VGZ - kwijtraakt en dus meer schade lijdt. IvHG stelt zich op het standpunt dat hierdoor de door VGZ gestelde voorwaar¬de van een zorgkostenplafond, dat bovendien te laag is, een zodanig ingrijpende wijziging voor haar is, dat deze gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.5. De vraag die de partijen verdeeld houdt is of VGZ in de gegeven omstandigheden vrij staat aan de voortzetting de contractuele relatie met IvHG ná 31 december 2011 zodanig gewijzigde voorwaarden te verbinden die voor IvHG substantiële en zeer ingrijpende gevolgen kunnen hebben, zoals het aan de gecontracteerde zorg verbinden van een maximumvergoeding (zorgkostenplafond).

4.6. Onbestreden is dat IvHG sinds 2000, gedurende twaalf jaar, onder soortgelijke voorwaarden en zonder een zorgkostenplafond dan wel een andersoortige volume- of kostenvergoeding¬begrenzing met VGZ heeft gecontracteerd over de door haar aan VGZ-verzekerden te leveren zorg en de vergoeding van die zorg door VGZ. Voor een contract voor het jaar 2012 heeft VGZ voor het eerst de voorwaarde van een zorgkostenplafond gesteld en daarmee voor het eerst een grens gesteld aan de door haar aan IvHG voor het gecontracteerde jaar te vergoeden zorg. Niet aanvaard kan worden dat VGZ tegen die achtergrond volstrekt vrij staat naar goeddunken de (contractuele) relatie met IvHG ná

31 december 2011 niet voor te zetten, dan wel enkel voort te zetten onder substantieel gewijzigde voorwaarden die voor IvHG zeer ingrijpend zijn, zoals het vaststellen van een maximum aan de vergoeding die IvHG toekomt voor haar dienstverlening aan VGZ-verzekerden. Aangenomen moet worden dat partijen ten gevolge van de door hen gedurende twaalf jaar lang met elkaar gesloten opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd, meestal voor één jaar en een enkele keer voor twee jaar, tot elkaar zijn komen te staan in een (rechts)verhouding die wordt beheerst door maatstaven van pericontractuele redelijkheid en billijkheid. Deze redelijkheid en billijkheid brengen een begrenzing aan de contractsvrijheid van beide partijen. Hieruit vloeit onder meer voort dat VGZ zich bij haar beslissing de relatie al dan niet voort te zetten, dan wel enkel onder sterk gewijzigde en voor IvHG ingrijpende voorwaarden voort te zetten, niet alleen mag laten leiden door haar eigen gerechtvaardigde belangen, die van haar verzekerden en die van de mede door haar behartigde belangen van de gezondheidszorg in het algemeen, maar zich mede zal moeten laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van haar jarenlange contractspartner IvHG.

4.7. Derhalve dient te worden beoordeeld of het door VGZ gewenste zorgkostenplafond in het nieuwe contract voor 2012 ten opzichte van de contractering in de voorgaande jaren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de pericontractuele verhouding tussen partijen, welke verhouding de contractsvrijheid van beide partijen beperkt.

4.8. IvHG stelt allereerst dat het zorgkostenplafond onredelijk is omdat dit te laat door VGZ is aangekondigd, waardoor IvHG daarmee geen rekening heeft kunnen houden bij haar investeringen en bedrijfsvoering.

4.9. Wat betreft de tijdigheid van de aankondiging van het zorgkostenplafond voor 2012 geldt het volgende. VGZ heeft de uitgangspunten van haar contracteer¬beleid voor 2012 - geen kostenstijgingen en waar mogelijk kostendaling in 2012, volume is van belang, geen honorering overproductie - in haar brief van 1 november 2011 aan IvHG mede¬gedeeld. Na jarenlang geen begrenzingen te hebben gesteld aan het aantal door IvHG uit te voeren behandelingen en de door VGZ aan IvHG te betalen vergoedingen voor de gecontracteerde zorg, is in deze brief in redelijkheid te lezen dat voor het jaar 2012 wel begrenzingen zouden komen. Wat die begrenzingen voor IvHG concreet inhielden staat niet in die brief, omdat die toen ook nog niet vaststonden. Op dat moment verkeerde IvHG dus nog in een ongewisse situatie over de door VGZ voorgenomen concrete beperkingen. Pas op 15 november 2011 heeft de NZa de tarieven in 2012 voor medisch specialistische zorg, en dus ook die voor hyperbare geneeskunde, bekend gemaakt. Een maand later heeft de NZa bij beschikkingen van 14 december 2011 het landelijk omzetplafond voor 2012, het macrobudget voor de landelijke medisch specialistische zorg, en de berekeningssleutel voor het omzetplafond van een individuele zorgaanbieder vastgesteld. Aan de hand van deze informatie heeft VGZ haar voornemen om aan de zorgaanbieders beperkingen op te leggen in de vorm van een plafond voor de vergoeding van de zorgkosten uitgewerkt. Deze in de brief van 1 november 2011 aangekondigde begrenzingen zijn overigens in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord van 4 juli 2011 dat een beheerste kostenontwikkeling van de medisch specialistische zorg nastreeft en waarbij onder meer is afgesproken dat de uitgaven van zorgverzekeraars aan zorgaanbieders vanaf 2012 op macroniveau met niet meer dan 2,5% per jaar mogen stijgen. Ook uit dit hoofdlijnenakkoord blijkt dus het invoeren van een maximumvergoeding in 2012. Daarnaast zijn de van overheidswege voorgenomen begrenzingen aan de vergoedingen van medisch specialistische zorg ook eerder, voor de totstandkoming van het hoofdlijnenakkoord, (eind 2010/begin 2011) in de publiciteit geweest, zodat dit ook voor IvHG kenbaar moest zijn geweest. Dat door zorgverzekeraars aan de vergoedingen aan zorgaanbieders in 2012 een maximum gesteld zou worden is dus een feitelijkheid waarmee IvHG al ruim voor het begin van de onderhandelingen bekend kon worden verondersteld, zodat zij hiermee bij haar investeringen en bedrijfsvoering rekening had kunnen houden.

4.10. Wat betreft de stelling van IvHG dat het bedingen van een zorgkostenplafond door VGZ in navolging van het hoofdlijnenakkoord onredelijk is, omdat VGZ het hoofdlijnen¬akkoord verkeerd uitlegt en niet één-op-één op IvHG mag toepassen, wordt het volgende overwogen.

4.11. Het hoofdlijnenakkoord dat tot doel heeft de kostengroei in de medisch specialistische zorg te matigen acht de voorzieningenrechter realistisch. Voor 2012 wordt een gematigde kostengroei van 2,5% ten opzichte van 2011 nagestreefd. Dit is een maatschappelijk gegeven waar ook IvHG rekening mee moet houden. IvHG moet als zorgaanbieder en dus onderdeel van de zorgketen naar vermogen daaraan meewerken.

IvHG is ook niet tegen het hoofdlijnenakkoord, maar stelt dat VGZ het hoofdlijnenakkoord verkeerd toepast op haar en dat zij daartegen bezwaar heeft. Volgens IvHG zijn in het hoofdlijnenakkoord slechts afspraken gemaakt over een groeibeperking op macroniveau en kunnen zorgverzekeraars daardoor binnen de grens op macroniveau vrijelijk differentiëren in de voorwaarden die zij verschillende zorgaanbieders op microniveau aanbieden.

Op microniveau moet VGZ juist differentiëren tussen efficiënte en minder efficiënte instellingen en behandelwijzen om de afspraken op macroniveau te halen. Inefficiënte zorgaanbieders kan zij dwingen efficiënter te worden en met minder omzet genoegen te nemen, terwijl efficiënte en succesvolle zorgaanbieders zoals IvHG beloond kunnen worden door hen meer omzet te laten genereren. Ter onderbouwing hiervan verwijst IvHG naar een brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2011 aan de Tweede Kamer waarin dit is uitgelegd. IvHG stelt dat hyperbare zuurstoftherapie op macroniveau kostenbesparend is omdat deze zorgvorm heel efficiënt is en daardoor leidt tot kostenbesparing op andere vormen van zorg.

4.12. Dit beroep van IvHG op het gestelde kostenbesparend aspect van hyperbare zuurstof¬therapie op macroniveau is niet, althans onvoldoende onderbouwd. VGZ heeft bovendien met verwijzing naar wetenschappelijke rapporten gemotiveerd betwist dat de behandeling met hyperbare zuurstof de kosten van andere soorten medische behandelingen zodanig beperkt, dat het per saldo op macroniveau kostenbesparend zou zijn om meer te investeren in hyperbare zuurstoftherapie, door in casu IvHG ten koste van andere zorgaan¬bieders meer omzetgroei toe te staan dan de uit het hoofdlijnenakkoord volgende 2,5% omzetgroei. Dat hyperbare zuurstoftherapie op macroniveau kostenbesparend werkt kan dus in dit kort geding niet worden vastgesteld. Daarvoor is bewijslevering nodig waarvoor een kort geding zich niet leent. Dit argument van IvHG valt dus weg als onderbouwing van haar stelling dat het stellen van een maximumvergoeding in de vorm van een zorgkostenplafond onredelijk is.

4.13. Daarnaast beroept IvHG zich op de alsmaar groeiende vraag naar behandelingen met hyperbare zuurstof in de komende jaren ter onderbouwing van haar stelling dat het stellen van een maximumvergoeding onredelijk is. De grote toename van de vraag naar deze behandeling in 2012 heeft IvHG in haar begroting voor 2012 verwerkt. IvHG stelt dat haar daardoor moet worden toegestaan meer omzet te maken teneinde die groeiende vraag te kunnen bedienen en dat het vaststellen van een zorgkostenplafond daarmee niet is te vereni¬gen en dus onredelijk is. Daartegenover heeft VGZ samenvattingen van wetenschappelijke rapporten overgelegd waarin vraagtekens worden gezet bij de verwachte groei van de hyperbare zuurstoftherapie.

4.14. Uit de door IvHG overgelegde (jaar)stukken is duidelijk geworden dat IvHG de afgelopen jaren de hyperbare zuurstoftherapie actief heeft gepromoot hetgeen heeft geleid tot een toename van de vraag naar deze behandeling bij IvHG. De vraag is of de behoefte naar deze behandeling ook zonder deze wervende activiteiten van IvHG zo groot zou zijn geworden. VGZ heeft onbestreden gesteld dat de vraag naar deze therapie uitsluitend bij IvHG sterk is toegenomen en dat bij andere aanbieders van hyperbare zuurstoftherapie slechts een zeer gematigde toename is van patiënten die gemakkelijk binnen de grenzen van het contracteerbeleid van VGZ kan worden opgevangen. Gelet hierop kan thans niet worden aangenomen dat de groeiende zorgvraag naar hyperbare zuurstoftherapie buiten toedoen van IvHG in 2012 zodanig groot zal zijn dat het stellen van een plafond aan die groei onredelijk is. Een zorgkosten¬plafond dat qua hoogte van het bedrag van de maximumvergoeding recht doet aan de door VGZ erkende geleidelijke toename van de toepassing van hyperbare zuurstoftherapie is niet onredelijk te noemen.

4.15. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat naar de hiervoor bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid het niet onaanvaard¬baar is dat VGZ in de nieuwe overeenkomst een zorgkostenplafond gaat hanteren voor de maximumvergoeding aan IvHG voor het jaar 2012. Dit betekent dat voor de door IvHG uitgevoerde behandelingen van VGZ-verzekerden bovenop het zorgkostenplafond, waarvan de hoogte in de onderhandelingen tussen partijen moet worden vastgesteld, VGZ niet gehouden is IvHG een vergoeding te betalen. IvHG mag die behandelingen ook niet rechtstreeks in rekening brengen aan de verzekerden van VGZ omdat die verzekerden, naar kan worden aangenomen, op grond van hun polissen die kosten geheel of voor een zeer belangrijk deel bij VGZ kunnen declareren en daarmee het niet onredelijke plafond alsnog wordt overschreden. Met dat plafond wordt feitelijk een absolute grens gesteld aan de verwachte en begrote groei van IvHG, welke begrenzing de voorzieningen¬rechter niet in strijd acht met de hiervoor omschreven eisen van redelijkheid en billijkheid.

4.16. Uitgangspunt is dus dat een zorgkostenplafond is toegestaan. Vervolgens is de vraag aan de orde hoe hoog dat plafond mag zijn wil dit overeenkomstig de hiervoor omschreven eisen van redelijkheid en billijkheid toegestaan zijn in de pericontractuele verhouding tussen partijen.

4.17. Over de hoogte van het zorgkostenplafond hebben partijen langdurig onderhandeld. Het bedrag voor het zorgkostenplafond voor 2012 heeft VGZ gedurende de onderhandelin¬gen meerdere keren aangepast. In haar laatste aanbod van 11 en 26 april 2012 heeft VGZ dit bedrag verhoogd tot het niveau van de omzet van IvHG over 2011, te vermeerderen met een compensatie voor de loon- en prijsontwikkeling. Uit de stellingen van VGZ ter zitting blijkt dat VGZ dit plafond in navolging van het hoofdlijnenakkoord maximaal wil stellen op 2,5% groei ten opzichte van de omzet van IvHG over 2011. De wens van IvHG is om in 2012 met 50% te groeien ten opzichte van het jaar 2011, zodat dat de hoogte van het zorgkosten¬plafond moet zijn volgens haar. Die hoogte is volgens IvHG ook redelijk gelet op de door haar verwachte en begrote groei van 50% in 2012.

4.18. Het standpunt van VGZ om de hoogte van het zorgkostenplafond te stellen op een niveau dan niet verder gaat dan een groei van 2,5 % ten opzichte van de omzet van IvHG in 2011, acht de voorzieningenrechter onrealistisch en niet redelijk gelet op de gerecht¬vaar¬digde belangen van IvHG. Daartoe is van belang dat de hoogte van het zorgkosten¬plafond in het begin van de onderhandelingen niet heel concreet was. Er is hierover door VGZ laat gecom¬municeerd in de richting van IvHG. Pas 1 novem¬ber 2011 was het voor IvHG duidelijk dat er grenzen zouden worden gesteld aan de vergoedingen voor 2012, maar wat precies de grenzen zouden worden kon pas met de beschik¬kingen van de NZa van

14 decem¬ber 2011 duidelijk worden, waarna VGZ op 15 december 2011 aan IvHG een concreet percentage heeft genoemd voor het bedrag dat zij als zorgkostenplafond wilde hanteren voor de overeenkomst voor 2012, welk bedrag in de loop van de onderhandelingen steeds is gewijzigd. IvHG is aldus onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar bedrijfsvoering tijdig af te stemmen op de nieuwe situatie waarin VGZ een concreet bedrag voor het zorgkostenplafond stelt als voorwaarde voor een nieuw contract voor 2012. Daarnaast is relevant dat IvHG al in de loop van 2012, gedurende de onderhandelingen over de hoogte van het zorgkostenplafond, met impliciete instemming van VGZ is begonnen met het behandelen van VGZ-verzekerden. Uit de daaromtrent overgelegde cijfers van IvHG is een duidelijke groei van de behandelingen van VGZ-verzekerden waarneembaar ten opzichte van het jaar 2011, zodat zeer aannemelijk is dat deze groei gemeten over het gehele jaar 2012 aanzienlijk meer zal bedragen dan de door VGZ gewenste beperkte groei van 2,5% ten opzichte van 2011. Deze groei kan niet buiten beschouwing blijven bij de bepaling van een redelijke hoogte van het zorgkostenplafond.

4.19. Het zorgkostenplafond stellen op een vrij hoog niveau van groei van 50% ten opzichte van 2011 zoals IvHG het wil, is daarentegen ook niet redelijk gelet op de gerechtvaardigde belangen van VGZ. Immers, VGZ streeft in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord een beheerste kostenontwikkeling van de medisch specialistische zorg na. Deze realistische en gerechtvaardigde doelstelling is een maatschappelijk gegeven waar ook IvHG rekening mee moet houden en naar vermogen aan moet bijdragen. IvHG betwist niet dat het in het maatschappelijk belang is dat de zorgkosten omlaag moeten. De door IvHG gewenste grote groei van 50% ten opzichte van 2011 staat daarmee op gespannen voet en is dus niet redelijk. Daarnaast staat, gelet op de gemotiveerde betwisting van VGZ, de door IvHG gestelde toegenomen behoefte aan hyperbare zuurstoftherapie van 50% ten opzichte van 2011 niet vast, zodat ook dit geen argument kan zijn om de hoogte van het zorgkosten¬plafond af te stemmen op de door IvHG gewenste groei van 50%. Dat de behandeling met hyperbare zuurstof een efficiënte en op macroniveau kostenbesparende behandeling is, is zoals hiervoor reeds overwogen als onvoldoende onderbouwd en gemoti¬veerd betwist in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Dit betekent dat ook dit aspect, waarop IvHG een beroep doet om haar in 2012 meer omzet toe te staan ten koste van andere zorgaanbieders, geen rechtvaardiging kan zijn om de hoogte van het zorgkosten¬plafond te stellen op de door haar gewenste groei van 50% ten opzichte van 2011.

4.20. De voorzieningenrechter komt tot de slotconclusie dat het op grond van de hiervoor bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid toegestaan is dat VGZ een zorgkostenplafond gaat hanteren voor de nieuwe overeenkomst voor 2012, maar niet op de wijze zoals VGZ dat wil door de hoogte van het zorgkostenplafond te stellen op een groei van 2,5% ten opzich¬te van 2011, welke beperkte groei geen recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van IvHG, en evenmin op de wijze zoals IvHG dat wil door de hoogte van het zorgkosten¬plafond te stellen op een groei van 50% ten opzichte van 2011, welke hoge groei weer tegen¬strijdig is met de gerechtvaardigde belangen van VGZ. Daarom moeten partijen wat betreft de hoogte van het zorgkostenplafond op zoek gaan naar een middenweg die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen en ook die van de verzekerden van VGZ en van de zorgverlening in zijn algemeenheid. Partijen moeten met dit uitgangspunt dooronderhandelen over een nieuw contract voor 2012, zij het dat daarbij in aanmerking moet worden genomen dat de rechter partijen niet kan verplichten om tot overeenstemming te komen. Daarom zal de voorzieningenrechter de verplichting om verder te onderhandelen in duur beperken.

4.21. VGZ zal derhalve worden veroordeeld om met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen gedurende een periode van maximaal drie maanden met IvHG door te onderhandelen over een overeenkomst voor 2012 en in die tussentijd dient VGZ alle decla¬ra¬ties die IvHG voor zorg aan VGZ-verzekerden in 2012 voorafgaand aan en gedurende die onderhandelingen bij haar heeft ingediend of zal indienen op de gebruikelijke manier te vergoeden tegen de voorwaarden en tarieven conform de tussen partijen laatstelijk geldende overeenkomst voor het jaar 2011. Aan de veroordeling zal geen dwangsom worden gekop¬peld, nu de voorzieningenrechter daarvoor geen aanleiding ziet. Partijen willen zelf in beginsel ook dooronderhandelen, omdat zij allebei belang hebben bij de totstandkoming van een nieuwe overeenkomst voor het jaar 2012. Het belang van VGZ is dat zij met een contract een plafond kan vastleggen en het belang van IvHG is dat zij zonder contract voor 2012 naar verwachting ook niet in aanmerking zal komen voor onder¬handelingen over een contract voor 2013, terwijl veel verzekerden, afhankelijk van hun polisvoorwaarden, de voorkeur zullen geven aan gecontracteerde zorgaanbieders. Daarnaast bestaat met de hierna op te leggen overgangsregeling al een voldoende prikkel voor VGZ om de veroordeling tot dooronderhandelen uit te voeren, zodat een dwangsom geen meerwaarde heeft.

4.22. De gevorderde overgangsregeling voor het geval partijen er niet uitkomen en dus niet lukt om een contract voor 2012 te sluiten zal worden toegewezen als na te melden. Indien partijen het niet lukt om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de onderhandelingen met succes af te ronden en een nieuwe zorgovereenkomst voor 2012 te sluiten, bepaalt de voorzieningenrechter een overgangsregeling die geldt voor het gehele jaar 2012 en die inhoudt dat VGZ over het jaar 2012 buitencontractueel alle door IvHG uitgevoerde en nog uit te voeren behandelingen van VGZ-verzekerden moet vergoeden op de wijze en tegen de voorwaarden en tarieven van de overeenkomst voor 2011. IvHG heeft zodoende gedurende de periode van de overgangsregeling voldoende gelegenheid om haar bedrijfsvoering aan de ontstane nieuwe situatie, waarin geen zorgovereenkomst met VGZ is, af te stemmen, mede gelet op het feit dat maar 25% van de klanten van IvHG bij VGZ verzekerd is. Een verdergaande of andersluidende overgangsregeling acht de voorzieningenrechter niet nodig.

4.23. De vordering onder 1 zal worden afgewezen omdat IvHG hier geen belang bij heeft. Deze vordering strekt ertoe VGZ te verbieden een onredelijk lage begrenzing van het aantal door IvHG uit te voeren behandelingen van VGZ-verzekerden te bedingen in de overeenkomst voor 2012. Hiermee lijkt IvHG te doelen op het zorgkostenplafond dat VGZ aan IvHG wil opleggen voor de overeenkomst 2012. Het opleggen van een zorgkosten¬plafond door VGZ behelst echter geen beperking van het aantal uit te voeren behandelingen, maar is een begrenzing van de door VGZ aan IvHG te betalen vergoedingen in 2012 voor door IvHG verleende zorg aan VGZ-verzekerden in dat jaar. Het zorgkostenplafond is immers het bedrag dat VGZ in 2012 ten hoogste aan een zorgaanbieder voor verleende zorg zal vergoeden.

4.24. De vordering onder 2, voor zover het betrekking heeft op het te hanteren tarief voor de hyperbare zuurstoftherapie, zal worden afgewezen, omdat partijen over het tarief nog niet hebben onderhandeld en voor toewijzing hiervan dus geen grond bestaat. De onderhande¬lingen tussen partijen hadden als onderwerp het toepassen van een zorgkostenplafond en de hoogte daarvan. IvHG heeft bij deze vordering ook geen belang gelet op de wijze waarop VGZ wordt veroordeeld tot dooronderhandelen.

4.25. De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. IvHG heeft niet gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat en voor welk bedrag zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.26. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschou¬wen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt VGZ, met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen, gedurende een periode van maximaal drie maanden na betekening van dit vonnis met

IvHG door te onderhandelen over een overeenkomst voor 2012 ten aanzien van de door IvHG geboden zorgvorm en hangende deze onderhandelingen alle declaraties die IvHG

bij VGZ indient voor door IvHG uitgevoerde en nog uit te voeren behandelingen van

VGZ-verzekerden, te vergoeden op de wijze en tegen de voorwaarden en tarieven conform de overeenkomst tussen partijen voor het jaar 2011,

5.2. bepaalt een overgangsregeling, voor het geval partijen niet binnen drie maanden na betekening van dit vonnis een overeenkomst voor 2012 hebben gesloten ten aanzien van de door IvHG geboden zorgvorm, die geldt voor het hele jaar 2012 en die inhoudt dat VGZ alle door IvHG uitgevoerde en nog uit te voeren behandelingen van VGZ-verzekerden aan IvHG buitencontractueel vergoedt op de wijze en tegen de voorwaarden en tarieven conform de overeenkomst tussen partijen voor het jaar 2011,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2012.

Coll: HS