Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8750

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/4274
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Na indiening van een bezwaarschrift doet de gemeente een voorstel tot vermindering van de eerder vastgestelde waarde. Belanghebbende schakelt alsnog een taxateur in om het voorstel van de gemeente te beoordelen. Naar aanleiding van diens in een taxatiekaart neergelegde advies accepteert de belanghebbende het voorstel van de gemeente. Anders dan de gemeente acht de rechtbank inschakeling van een taxateur gerechtvaardigd en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de voor het opmaken van de taxatiekaart gemaakte kosten ad € 120.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2012/346
V-N Vandaag 2012/1540
V-N 2012/40.19.25
FutD 2012-1697
NTFR 2012/2069 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/4274

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 mei 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], te [Z] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2010, vastgesteld voor het kalenderjaar 2011 op € 473.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 september 2011 de waarde en de daarop gebaseerde aanslag verminderd tot € 455.000. Hierbij is een proceskostenvergoeding van € 109 toegekend.

Eiser heeft tegen de toegekende proceskostenvergoeding bij fax van 17 oktober 2011, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2012 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

2. Feiten

Naar aanleiding van de door eiser ontvangen beschikking heeft zijn gemachtigde bij brief van 14 maart 2011 bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift wordt opgemerkt dat de door gemachtigde voorgestane waarde is gebaseerd op de door eiser verstrekte gegevens en een quick-scan van de waarde door een externe taxateur. Bij die quick-scan is gebruik gemaakt van marktinformatie van objecten uit hetzelfde postcodegebied waarvan de objectkenmerken in grote mate overeenkomen. Verzocht wordt het taxatieverslag of de taxatiekaart toe te zenden.

Bij brief van 2 mei 2011 heeft verweerder aangekondigd dat het bezwaarschrift aanleiding geeft de vastgestelde waarde te verlagen van € 473.000 naar € 455.000.

Naar aanleiding van deze brief heeft de gemachtigde een taxateur ingeschakeld ([C] van [D] CV) om de door verweerder in bezwaar voorgestane waarde te toetsen. De taxateur heeft zijn bevindingen neergelegd in een taxatiekaart. In deze taxatiekaart is een analyse opgenomen van een aantal verkooptransacties van vergelijkbare woningen en een daaruit voortvloeiende waardering van de woning van eiser. Voor deze werkzaamheden heeft de taxateur € 142,80 (1,5 uur x € 80 + BTW) in rekening gebracht.

Bij brief van 18 mei 2011 heeft de gemachtigde van eiser de taxatiekaart aan verweerder verstrekt en daarop een toelichting gegeven. Medegedeeld wordt dat de taxatiewerkzaamheden aanleiding geven de door verweerder voorgenomen vermindering van de waarde te accepteren.

Bij de uitspraak op bezwaar is aan eiser een kostenvergoeding toegekend van in totaal

€ 109. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Kosten van door een derde verleende rechtsbijstand € 109 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218 en een wegingsfactor 0,5).

3. Geschil

In geschil is de bij de uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en bepleit een kostenvergoeding van in totaal € 360,80 inclusief BTW (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218 en een wegingsfactor 1 en de kosten voor het opmaken van een taxatiekaart zijnde 1,5 uur maal € 80 exclusief BTW).

Verweerder heeft zich in op het standpunt gesteld dat de toegekende proceskostenvergoeding juist is.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door verweerder uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de toepasselijke wegingsfactoren. Voor lichte zaken voorziet het Bpb in een wegingsfactor 0,5. Voor zaken van gemiddeld gewicht geldt een factor 1.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden beoordeeld. Volgens verweerder dient het ingediende bezwaarschrift als licht (0,5) gekwalificeerd te worden. Volgens verweerder komt de inhoud van het bezwaar overeen met andere bezwaarschriften die de gemachtigde van eiser heeft ingediend. Verweerder stelt dat het gewicht van de zaak in overeenstemming met de Beleidsregels proceskostenvergoeding bezwaarfase WOZ-beschikkingen en daarop gebaseerde heffingen van de gemeente Barneveld is vastgesteld op 0,5.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, 10/04238, LJN BT2293, volgt dat de rechtbank zelfstandig dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. De rechtbank is daarbij niet gebonden aan het beleid van verweerder. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (zie de Nota van toelichting bij het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 en de Nota van Toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113).

Het bezwaar betrof een procedure waarbij eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde inhoudelijk bestreed. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift nader onderzoek gedaan, het primaire besluit heroverwogen en de waarde van de woning lager vastgesteld. De gemachtigde van eiser heeft in dit verband twee brieven aan verweerder geschreven, een deskundige ingeschakeld, met die deskundige overleg gevoerd en afgewogen of de door verweerder voorgestane waarde – welke nog enigszins hoger lag dan de door de taxateur geadviseerde waarde – moest worden geaccepteerd. Op grond van de aard van de zaak, het belang en de ingewikkeldheid ervan en de omvang van de verrichte werkzaamheden in het kader van de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, beoordeelt de rechtbank deze als van gemiddeld gewicht, waarvoor een wegingsfactor 1 geldt. Dat bij indiening van het bezwaarschrift gebruik zou zijn gemaakt van standaardteksten en dat de motivering van het bezwaarschrift zou zijn ontleend aan een taxatiekaart, doet hieraan niet af.

Voor wat betreft de kosten van de taxatiekaart stelt verweerder zich op het standpunt dat een dergelijke taxatiekaart in de bezwaarfase per definitie geen nut heeft. Verweerder heeft hiertoe onder meer gesteld dat de bezwaarprocedure, anders dan de beroepsprocedure vormvrij en informeel van karakter is. Het taxatierapport dient, aldus verweerder, slechts in beroep als bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Zo is de bezwaarprocedure niet vormvrij en niet informeel van karakter. De rechtbank wijst hiertoe onder meer op de Awb waarin vele artikelen zijn gewijd aan de bezwaarprocedure. Anders dan verweerder stelt dient eiser verweerder ook in de bezwaarfase ervan te overtuigen dat verweerder een onjuiste beschikking heeft genomen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom eiser dit bewijs niet middels een taxatiekaart kan leveren.

Verweerder heeft voorts gesteld dat, nu de taxateur een financieel belang heeft bij de uitkomst van de procedure, in strijd is gehandeld met artikel 8:34 van de Awb. Ook dit standpunt van verweerder gaat naar het oordeel van de rechtbank uit van een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 8:34 van de Awb ziet immers op een door de rechtbank benoemde deskundige (vgl. Hof Arnhem, 11 april 2012, nr. 11/00492, LJN: BW4248). Daar is in het onderhavige geval echter geen sprake van.

Ook het standpunt van verweerder dat de kosten van de taxatiekaart niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de taxatiekaart niet heeft bijgedragen aan de door verweerder genomen beslissing gaat naar het oordeel van de rechtbank uit van een onjuiste rechtsopvatting. Van belang is slechts, zoals door eiser terecht is opgemerkt, of eiser deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken en of de kosten als zodanig redelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze kosten redelijkerwijs moeten maken. Eiser heeft immers het recht om zich te vergewissen van de juistheid van een door verweerder nader ingenomen standpunt. Dat hiervoor een taxateur wordt ingeschakeld is gezien de aard van de problematiek, het gaat immers om de waardebepaling van een woning, alleszins redelijk. Ook het door de taxateur in rekening gebrachte uurtarief van € 80 acht de rechtbank redelijk (vgl. Hof Arnhem 7 juni 2011, nr. 10/00496, LJN: BQ9231 en Hof Arnhem 1 november 2011, nr. 11/00473, LJN: BU4042). Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen grond aanwezig om een lager uurtarief toe te kennen dan het tarief dat de taxateur in rekening heeft gebracht. Dat in de markt taxateurs zijn te vinden die een lager uurtarief hanteren doet aan het voorgaande niet af. Geen rechtsregel verplicht eiser immers de goedkoopste taxateur in te schakelen. De door de taxateur aan het opstellen van de taxatiekaart bestede tijd, 1,5 uur, acht de rechtbank eveneens redelijk.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank acht de zaak in beroep van gemiddeld gewicht. Dat in beroep slechts de aanspraak op vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten in geding was, zoals door verweerder aangevoerd, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst er hierbij op dat ook verweerder dit geschilpunt kennelijk niet van eenvoudige aard was, omdat de motivering van het standpunt van verweerder ruim drie pagina’s omvat. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze de proceskostenvergoeding betreft;

- veroordeelt verweerder in de kosten voor de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 360,80;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten inzake het beroep ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 24 mei 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.