Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8673

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
05/701106-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de staandehouding heeft verdachte zijn identiteit bekend gemaakt. Als verbalisanten hem vervolgens willen fouilleren, rukt hij zich los en rent weg. Bij de ingezette achtervolging rent verdachte tegen een politie-agent, die daardoor valt en een dubbele beenbreuk oploopt. Pas daarna wordt verdachte aangehouden. Geen sprake van wederspannigheid ex art 180 Sr. Staandehouding is alleen bedoeld om de personalia van een verdachte vast te stellen en impliceert geen bevoegdheid tot fouilleren van verdachte, niet ex art. 56 Sv, niet ex art 9 Opiumwet. Verbalisanten waren daarom niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zoals vereist in art. 180 Sr. Ook kan niet gezegd worden dat het ontstaan van het letsel van de agent aan verdachtes schuld te wijten is. De valpartij was een ongelukkige samenloop van omstandigheden, en dat een dergelijk letsel kan ontstaan, was nauwelijks voorzienbaar zodat verdachte daarop zijn gedragingen ook niet kon afstemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701106-11 en 05/700817-09

Datum zitting : 20 april 2012 en 5 juni 2012

Datum uitspraak : 19 juni 2012

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI [adres]

Raadsman : R.J. Laatsman, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. T.C. Henniphof.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na een door de rechtbank toegestane wijziging tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 april 2011 te Nijmegen toen de aldaar dienstdoende

[verbalisant1] en/of [verbalisant2] en/of [verbalisant3] en/of [verbalisant4],

zijnde (een) politieambtena(a)r(en), doende was/waren met een actie gericht op

de aanpak van overlast in en rondom het Kronenburgerpark, zich door geweld en/of

bedreiging met geweld heeft verzet tegen voornoemde politieambtena(ar(en), terwijl deze ambten(a)r(en) werkzaam was/waren in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, immers heeft hij, verdachte, na staande gehouden en vastgepakt zijn door die [verbalisant2] teneinde hem, verdachte aan zijn kleding te fouilleren, zich losgerukt en/of losgetrokken uit de greep van die [verbalisant2] en/of is hij weggerend in de richting van die [verbalisant3] en/of [verbalisant4] en is hij, verdachte (vervolgens) nadat die [verbalisant4] hem had vastgepakt, althans had getracht vast te pakken, met zijn armen gaan zwaaien en heeft hij zich losgerukt en/of losgetrokken en is hij (vervolgens) tegen die [verbalisant3] aangerend, tengevolge waarvan die [verbalisant3] zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel (een meervoudige beenbreuk) heeft bekomen;

Artikel 181 jo artikel 180 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 april 2011 te Nijmegen grovelijk, althans aanmerkelijk

onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig weg is gaan rennen van een of

meer politieambtena(a)r(en), die hem, verdachte, trachtten staande en/of aan

te houden en/of daarbij en/of daarna tegen [verbalisant3] is gebotst en/of

gevallen en/of terechtgekomen , waardoor het aan zijn schuld te wijten is

geweest dat voornoemde [verbalisant3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een

(meervoudige) beenbreuk, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts-

of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2009 tot en met 25 februari

2009 te Nijmegen opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een

persoon, te weten [slachtoffer], heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van of omstreeks

20 februari 2009 tot en met 2 april 2011 te Nijmegen, althans in Nederland,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte (telkens)

opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend, al dan niet per SMS, de woorden

heeft toegevoegd haar kapot te maken, althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling onder het (in de kop van het vonnis genoemde) parketnummer 05/700817-09.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 5 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door R.J. Laatsman, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met verplicht reclasseringscontact.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1

De vaststaande feiten

Op grond van de na te noemen bewijsmiddelen, kunnen de navolgende feiten worden vastgesteld, die tijdens het onderzoek ook niet ter discussie zijn gesteld.

Op 19 april 2011 is verdachte in de Regulierstraat te Nijmegen ter zake van verdenking van overtreding van de Opiumwet aangehouden door enkele politieagenten. Hierbij is één van de betrokken agenten ten val gekomen. Deze agent, [verbalisant3], heeft hierbij letsel opgelopen, te weten een meervoudige beenbreuk aan het linker bovenbeen, hetgeen noopte tot operatief ingrijpen waarbij een pen in het bovenbeen is geplaatst.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van wederspannigheid jegens verbalisanten [verbalisant2] en [verbalisant1] geen sprake is geweest. Verdachte heeft zich niet ‘losgerukt’, hij werd immers niet vastgehouden. Daar komt bij dat tegen verdachte geen ernstige bezwaren bestonden, zodat hij niet gefouilleerd had mogen worden op grond van artikel 9 van de Opium-wet. Ook is hem niet de cautie gegeven zodat de staandehouding onrechtmatig was. Ook jegens verbalisanten [verbalisant3] en [verbalisant4] is geen sprake geweest van wederspannigheid. Voor verdachte was niet kenbaar dat [verbalisant3] en [verbalisant4] agenten waren. Bovendien had verdachte geen opzet bij het toebrengen van letsel aan [verbalisant3]. Het was een ongeluk.

Het oordeel van de rechtbank

Op 19 april 2011 waren agenten van de regiopolitie Gelderland- Zuid bezig met een actie tegen drugsdealers in het Kronenburgerpark te Nijmegen. Verbalisant [verbalisant5] had gezien dat verdachte, die hij ambtshalve kende als iemand die zich bezig houdt met harddrugs, sprak met een jongen op een fiets. Hij zag dat deze jongen iets uit zijn broekzak haalde en dat overhandigde aan verdachte, waarop deze op zijn beurt iets gaf aan de jongen. Beiden keken daarbij schichtig om zich heen. [verbalisant5] kreeg daarop het vermoeden dat er een drugstransactie had plaatsgevonden en seinde enkele andere agenten in.

Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] hebben vervolgens op aanwijzing van [verbalisant5] verdachte en diens metgezel staande gehouden in de Parkweg. Verdachte overhandigde verbalisanten desgevraagd zijn verblijfsdocument. Terwijl [verbalisant2] de metgezel fouilleerde, begon verdachte recalcitrant gedrag te vertonen en spullen uit zijn zakken te halen. Toen [verbalisant2] verdachte sommeerde daarmee te stoppen en hem bij de bovenarm vastpakte, trok verdachte zich los en ging er van door, richting Regulierstraat. [verbalisant1] zette de achtervolging in en [verbalisant2] waarschuwde collega agenten in de buurt.

Verbalisanten [verbalisant4] en [verbalisant3] bevonden zich op dat moment in de Regulierstraat en liepen richting Parkweg, waarbij zij de staandehouding van verdachte door [verbalisant1] en [verbalisant2] zagen. Daarop zijn zij teruggegaan naar hun uitgangspositie in de Regulierstraat. [verbalisant4] zag op een gegeven moment verdachte de Regulierstraat inrennen. Hij zag verdachte op een afstand van 5 meter op zich af komen rennen en over zijn schouder kijken. [verbalisant4] probeerde verdachte bij zijn bovenkleding vast te pakken, maar slaagde daarin niet, mede omdat deze met zijn armen zwaaide. Hij zag dat verdachte al rennend in onbalans raakte, een pas naar rechts maakte en daarbij bijna struikelde. Hij zag ook dat zijn collega [verbalisant3] een parate houding aannam om verdachte aan te houden en zijn linkerbeen naar voren had staan, vermoedelijk om stabiel te kunnen staan. Hij zag dat verdachte in volle vaart tegen het been van [verbalisant3] aanbots-te en hoorde dat [verbalisant3] op de grond viel en luidkeels schreeuwde. [verbalisant3] lag op de grond en verdachte lag op zijn buik. [verbalisant4] heeft verdachte daarop, met enig geweld, aangehouden.

Verbalisant [verbalisant1], die verdachte achterna rende, heeft het volgende verklaard: Hij zag dat verdachte hard rende en tegen collega [verbalisant4] aanliep, die hem vergeefs probeerde vast te pakken. Vervolgens stak verdachte de rijbaan over en rende vervolgens hard tegen collega [verbalisant3] aan. Beiden botsten hard tegen elkaar en kwamen ten val. [verbalisant3] greep met zijn han-den naar zijn been en schreeuwde alsof hij pijn had.

[verbalisant3], tenslotte, heeft verklaard dat hij plotseling één van de personen die hij daarvoor had gezien, zag komen aanrennen. Hij zag dat collega [verbalisant4] hem probeerde te pakken, maar dat verdachte loskwam. Verdachte was in onbalans en kwam “al struikelend” op hem af. [verbalisant3] nam een houding aan om hem op te vangen, te pakken en verder uit balans te brengen. “Ik zag en voelde dat hij in volle vaart tegen mij aanliep en we vielen beiden op de grond. Die persoon viel over mij heen. Ik voelde direct een hevige pijn in mijn linker bovenbeen”, aldus [verbalisant3].

Aan verdachte is primair tenlastegelegd wederspannigheid, hierin bestaande dat verdachte zich met geweld of bedreiging met geweld zou hebben verzet tegen [verbalisant1], [verbalisant2], [verbalisant3] en/of [verbalisant4], die werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, doordat verdachte, na te zijn staande gehouden en vastgepakt door [verbalisant2] teneinde te worden gefouilleerd, zich heeft losgerukt uit de greep van die [verbalisant2] en is weggerend.

Blijkens het hiervoor weergegeven proces-verbaal van aanhouding door [verbalisant1] en [verbalisant2], was bij het eerste contact met verbalisanten op de Parkstraat, nog niet aangehouden, maar slechts staande gehouden. De aanhouding heeft blijkens genoemd proces-verbaal eerst later, op de Regulierstraat, plaatsgevonden, na het voorval met [verbalisant3]. De verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] konden op basis van de waarneming van [verbalisant5] in het Kronenburgerpark in redelijkheid vermoeden dat verdachte zojuist betrokken was geweest bij een illegale drugstransactie. Zij hebben daarom verdachte staande kunnen houden.

Staandehouding als bedoeld in artikel 52 Sv is de minst vergaande vorm van vrijheidsbelemmering en strekt ertoe opsporingsambtenaren de mogelijkheid te geven de personalia van verdachte vast te stellen. Verdachte moet in dat geval dulden dat hij wordt opgehouden en dat naar zijn naam en andere personalia wordt gevraagd. Hij dient zich alsdan desgevraagd te identificeren op grond van de Wet op de identificatieplicht. Hoewel het negeren van een sommatie door politieagenten om te blijven staan op zich zelf niet strafbaar is ex artikel 184 Sr, valt het plegen van fysiek verzet door zich los te trekken van een agent wel onder de strafbaarstelling van artikel 180 Sr, mits de betreffende verbalisanten daarbij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening zijn.

Door de raadsman is betoogd dat zulks niet het geval is en dat de staandehouding niet rechtmatig was omdat bij die gelegenheid verzuimd is verdachte de cautie te geven, met andere woorden verdachte niet is verteld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Dat verweer wordt verwor-pen. Artikel 29 Sv bepaalt dat voorafgaande aan het verhoor verdachte wordt medegedeeld niet tot antwoorden verplicht te zijn. Een verhoor in de zin van deze bepaling is het stellen van vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkte persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit (HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 243). Ten tijde van de staandehouding op de Parkweg was er evenwel nog geen sprake van een verhoor; verbalisanten waren immers bezig met het controleren van de personalia en het uitvoeren van een fouillering. Er bestaat, behoudens bijzondere omstandigheden, geen rechtsplicht om bij een staandehouding en/of fouillering de cautie te geven.

De rechtbank stelt echter op basis van het betreffende proces-verbaal vast dat beide verdachten zijn staande gehouden teneinde hen naar hun identiteitsdocument te vragen en dat verdachten daaraan hebben voldaan zodat hun personalia zijn vastgesteld. Daarmee was het doel van de staandehouding vervuld. Terwijl één van verbalisanten de personalia noteerde, is de ander begonnen met het fouilleren van de medeverdachte op basis van artikel 9 lid 2 Opiumwet. Ook verdachte zou worden gefouilleerd, maar zover is het niet gekomen omdat verdachte zich losrukte en wegrende. Staandehouding is een doelgebonden bevoegdheid, die enkel mag worden gebruikt voor het vaststellen van de personalia, zoals omschreven in artikel 52 Sv. Fouillering hoort daar niet bij, niet op grond van artikel 56 Sv en ook niet op grond van artikel 9 lid 2 Opiumwet. De in artikel 55b lid 2 Sv gegeven bevoegdheid om een staande gehouden of aangehouden verdachte aan diens kleding te onderzoeken, is enkel gegeven voor zover zulks noodzakelijk is ter vaststelling van zijn identiteit en de identiteit van verdachte was reeds vastgesteld.

Daaruit vloeit voort dat verbalisanten niet langer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren op het moment dat verdachte zich losrukte van verbalisant [verbalisant2]. Reeds om die reden moet verdachte worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde.

Ook om een andere reden kan het primair tenlastegelegde niet worden bewezen. Hoewel het letsel als bedoeld in artikel 180 lid 2 Sr is geobjectiveerd en dus niet opzettelijk hoeft te zijn toegebracht, moet het wel voortvloeien uit een opzettelijke verzetshandeling, gericht tegen de persoon die letsel heeft opgelopen. Van een opzettelijke verzetshandeling gericht tegen [verbalisant3] is geen sprake geweest. Verdachte heeft zich niet verzet tegen [verbalisant3]. Uit de verklaringen van [verbalisant3] en [verbalisant4] blijkt dat verdachte, toen hij in de richting van [verbalisant3] rende, in onbalans raakte en (bijna) struikelde. Hij is vervolgens in zijn vlucht tegen [verbalisant3] aangebotst. Dit was echter niet opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin.

Vervolgens komt de subsidiaire tenlastelegging aan de orde, namelijk dat het aan verdachtes schuld te wijten is dat [verbalisant3] zwaar lichamelijk letsel heeft gekregen. Vereist is dat de aansprakelijke persoon minder heeft nagedacht en geanticipeerd teneinde het uiteindelijk ingetreden gevolg te vermijden, dan redelijkerwijs van de gemiddelde mens in vergelijkbare omstandigheden kan worden verlangd. Naar het oordeel van de rechtbank is hieraan niet voldaan. Uit de gang van zaken, zoals hiervóór weergegeven, leidt de rechtbank af dat er eerder sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De mogelijkheid dat hij tegen een posterende agent zou aanlopen, die met uitgestoken been hem stond op te wachten en dat vervolgens die agent ten val zou komen en daarbij een meervoudige beenbreuk zou oplopen, is zo weinig voorzienbaar dat verdachte hiermee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden en zijn gedrag daarop dus ook niet hoefde af te stemmen.

Ook ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feiten 2 en 3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van beide feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft betwist aangeefster te hebben mishandeld of bedreigd.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeef[slachtoffer] heeft verklaard dat zij tijdens de carnaval 2009 met haar vriendin in café Extase was. Zij had toen geen relatie meer met verdachte. Verdachte kwam op haar af, heeft haar bedreigd en gaf haar een stomp in de maag waardoor zij pijn voelde. Buiten wachtte hij haar op en gaf haar een klap in het gezicht, hetgeen ook pijn deed. Na dit voorval kreeg zij de hele tijd dreigtelefoontjes van hem dat hij haar kapot ging maken. [verdachte] zei dat met een pistool zou komen en haar kapot zou schieten. Eind januari 2010 zei verdachte opnieuw dat hij haar kapot zou maken en kapot zou schieten. Op 3 april 2011 heeft verdachte haar bedreigd in de woning van [vriend van verdachte] en gezegd dat hij haar kapot ging maken.

[betrokkene1] heeft verklaard dat zij carnaval 2009 met [slachtoffer] in Nijmegen heeft gevierd, in café Extase. Ze kwamen daar [verdachte] tegen. Deze heeft [slachtoffer] toen bedreigd en geroepen dat hij haar kapot zou maken. Ze waren bang daardoor. Toen ze naar de auto liepen kwam verdachte ineens naar hen toe en gaf [slachtoffer] een klap in de maag en zij denkt dat hij ook tegen haar hoofd heeft geslagen, omdat haar oorbel op de grond viel. Regelmatig sliep zij gedurende het weekend bij [slachtoffer]. [verdachte] stond regelmatig voor de deur en wilde naar binnen. Hij sloeg dan op het raam of op de deur en sloeg dreigende taal uit, zoals ”Ik maak je kapot”.

[betrokkene2] heeft verklaard dat zij op 2 april 2011 is uitgegaan met [slachtoffer] in café Hatert. Na afloop stond verdachte in de buurt van het huis van [vriend van verdachte]. Toen hij uiteindelijk binnen was, was er veel geschreeuw tussen [slachtoffer] en [verdachte]. [verdachte] zei: “ik maak je kapot. Ik zorg dat je geen leven meer hebt.”

Niet alleen aangeefster en vriendinnen van haar hebben verklaard dat verdachte genoemd dreigement heeft geuit naar aangeefster. Ook een vriend van verdachte, [vriend verdachte] heeft verklaard dat op een avond, nadat hij in café Hatert was geweest, thuis was met aangeefster en [betrokkene2], dat verdachte toen ook naar zijn huis is gekomen en dat verdachte toen zei dat als [slachtoffer] hem nog een keer lastig zou vallen hij haar wat aan zou doen.

Blijkens de algemeen toegankelijke internetbron < http://cgi.dit.nl/kalender.cgi > begon in 2009 carnaval op 22 februari.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat café Extase en café Hartert uitgaansgelegenheden zijn in Nijmegen.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

2.

hij in de periode van 20 februari 2009 tot en met 25 februari

2009 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een

persoon, te weten [slachtoffer], heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van of omstreeks

20 februari 2009 tot en met 2 april 2011 te Nijmegen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

hierin bestaande dat verdachte (telkens)

opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend, al dan niet per SMS, de woorden

heeft toegevoegd haar kapot te maken, althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met verplicht reclasseringscontact.

Het standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de achtergrond van verdachte, namelijk traumatisch jeugdervaringen in Angola en de lange tijd die verstreken is sedert de eerste aangifte van mishandeling in 2009.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 mei 2012;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 23 februari 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn voormalige partner gedurende een lange periode. Hij is al vaker veroordeeld wegens mishandeling, hetgeen de eerste keer is afgedaan met een geldboete en de tweede keer met een deels voorwaardelijke werkstraf. Dat heeft hem er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Hoewel thans oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn zal de rechtbank gelet op het tijdsverloop volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf. Omdat de rechtbank het noodzakelijk acht dat verdachte voor zijn agressieproblematiek behandeld wordt zal in navolging van het advies van reclassering, aan verdachte onder meer de verplichting worden opgelegd tot een ambulante behandeling bij Kairos of soortgelijke instelling.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Verdachte heeft binnen de proeftijd van een vorige veroordeling opnieuw een strafbaar feit gepleegd. De rechtbank acht termen aanwezig de tenuitvoerlegging te gelasten van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 27 januari 2010 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uren.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende honderd (100) uren.

Bepaalt dat van deze werkstraf vijftig (50) uren niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten twee (2) uren, zijnde 1 nacht hechtenis.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Meldingsgebod

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 2 dagen volgend op de datum dat het vonnis onherroepelijk is, tijdens kantooruren melden bij de Reclassering Nederland. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode blijven melden zo lang en frequent als de reclassering dit nodig acht.

- Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht zich gezien de directe samenhang van de persoonlijkheid met het criminele gedrag van veroordeelde om zich voor zijn persoonlijkheid te laten behandelen bij Kairos Nijmegen of soortgelijke instantie.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 27 januari 2010 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uren.

Aldus gewezen door mr. J. Barrau, als voorzitter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

mr. A.S.W. Kroon rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2012.