Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8516

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
217916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid.

Bij beantwoording van de vraag naar de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid sub 12.2 komt het aan op de in de akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid.

Voor het antwoord op de vraag wat de inhoud is van die obligatoire overeenkomst, komt het aan op de Haviltex-maatstaf. In dit opzicht levert de akte van vestiging tussen partijen dwingend bewijs op. Daartegen staat wel tegenbewijs open, dat gelet op de toepasselijke Haviltex-maatstaf op alle omstandigheden van het geval betrekking kan hebben (vergelijk HR 22 oktober 2010, NJ 2011, 111). Eisers zullen daarom tot dat tegenbewijs worden toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217916 / HA ZA 11-1076

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. M. Meijer te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde]

gedaagde,

advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2012

- de akte wijziging eis van [eiser] c.s.

- een akte wiiziging eis van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. zijn sinds 5 juli 2004 eigenaar van het perceel [adres] 6 te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie H nummer 2193, met een oppervlakte van 1.14.10 ha, voorheen een gedeelte van perceel H 1533. Eiseres sub 2 is sinds 17 januari 2007 eigenaar van een in het westen daarvan gelegen aangrenzend perceel met een oppervlakte van 2.14.90 ha. Die percelen (verder gezamenlijk aan te duiden met: de percelen van [eiser] c.s.) zijn in de kleur geel aangegeven op de aan dit vonnis gehechte schets die als productie 6 bij de conclusie van antwoord door [gedaagde] in het geding is gebracht.

2.2. De percelen van [eiser] c.s. zijn, met uitzondering van het eveneens bij [eiser] c.s. in eigendom zijnde gedeelte van de [adres] (een gedeelte van perceel 1531), de uitweg over perceel 1980 naar de [weg A], aan alle zijden omgeven door landbouwgrond van [gedaagde]. Behoudens het ten zuiden van de [adres] en ten westen van de percelen van [eiser] c.s. gelegen perceel 1980 dat voor 1991 reeds zijn eigendom was, heeft [gedaagde] de overige percelen in 1991, tezamen met het daarmee samenhangende melkquotum, gekocht van [betrokkene], de overleden vader van [eiseres sub 2], eiseres sub 2, en met inschrijving op 23 mei 1991 van de transportakte van 22 mei 1991 geleverd gekregen. Dat betreft het ten noorden en ten oosten van de percelen van [eiser] c.s. gelegen deel van perceel 1531, het ten zuiden van de percelen van [eiser] c.s. aan de [beek] gelegen circa 5 meter brede koepad, inclusief de brug over de [beek], en het aan de zuidzijde van de [beek] gelegen perceel 4112.

2.3. In 2000 heeft [gedaagde] het ten oosten van perceel 4112 gelegen perceel 4114 van een zekere [betrokkene 2] geleverd gekregen en in 2009 perceel 4113. Perceel 4113, met daarop een woning en verdere opstallen, ligt aan het einde van de doodlopende [weg B] en is plaatselijke bekend als [weg 3] 97 te [woonplaats]. Dat perceel grenst in het noorden en westen aan perceel 4112 en in het oosten aan perceel 4114. Voordat [gedaagde] in 2009 aan de [weg B] 97 is gaan wonen, woonde hij op de boerderij die dicht bij de [weg A] aan weerszijden van de [adres] op de percelen 1531 en 1980 is gelegen, plaatselijk bekend [adres] 1. [adres] 1 wordt thans bewoond door de dochter van [gedaagde].

2.4. De gehele agrarische bedrijfsvoering van [gedaagde] geschiedt vanaf de aan de [adres] 1 gelegen boerderij, met dien verstande dat op de [weg B] 97 soms enkele opfokkalveren opgestald worden totdat deze worden verplaatst naar een extern opfokbedrijf.

2.5. De transportakte van 1991 vermeldt onder meer:

12 Verlening erfdienstbaarheden

Partijen verlenen en vestigen bij deze akte de navolgende erfdienstbaarheden:

1. Ten laste van het aan de verkoper verblijvende gedeelte van voormeld perceel nummer 1531, als lijdend erf, en ten behoeve van het aan de koper verkochte gedeelte van voormeld perceel nummer 1531, als heersend erf, wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg uit te oefenen over een strook grond, breed ongeveer vier vijf/tiende meter, liggende achter de ligboxenstaal van verkoper en in het verlengde van de over de [beek] liggende brug.

(..)

2. Ten laste van het verkoper toebehorende gedeelte van de [adres] (deel uitmakende van het aan verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van voormeld perceel nummer 1531), als lijdend erf, met uitzondering van de ongeveer laatste zeventig meter van deze weg, en ten behoeve van het aan koper toebehorende onroerend goed, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie H nummer (lees:) 1980, als heersend erf, wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg, inhoudende het recht om over dat gedeelte van de [adres] te gaan, ten behoeve van de agrarische exploitatie van het bedrijf van koper.

Met “de ongeveer laatste zeventig meter van de [adres]” wordt in deze bepaling bedoeld, dat gedeelte van de [adres] dat zich ongeveer zeventig meter naar het westen uitstrekt, gerekend vanaf de voorgevel van het woonhuis van verkoper.

(..)

3. Voor zover nog niet bij eerdere akte geschied, wordt ten behoeve van het aan verkoper in eigendom blijvende onroerend goed aan de [adres] te [woonplaats] (deel uitmakende van voormeld perceel nummer 1531), als heersend erf, en ten laste van het aan koper in eigendom toebehorende gedeelte van de [adres] (deel uitmakende van voormeld perceel nummer (lees:) 1980), als lijdend erf, gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan naar de [weg A].

4. Het onderhoud en de eventuele vernieuwing van de onder 2 en 3 bedoelde gedeelten van de [adres] komen voor rekening van de eigenaren van het heersend en het lijdend erf, ieder voor de helft.

(..)

5. De onder 1, 2 en 3 vermelde erfdienstbaarheden zullen niet worden geacht te zijn verzwaard door bebouwing, meerdere bebouwing of wijziging van de bestemming van het desbetreffende heersende erf.

(..)”

2.6. Het koepad is in de huidige staat ongeschikt om met landbouwwerktuigen te gaan van [adres] 1 naar de landbouwgrond ten zuiden van de [beek]. [gedaagde] heeft een aftakking naar het noorden aan de [adres] gemaakt. Omdat hij geen gebruik kan maken van de [adres] over de hiervoor sub 12.2. bedoelde afstand van zeventig meter, heeft hij, om perceel 1531 te bewerken en om perceel 4112 te kunnen bereiken, over perceel 1531 parallel aan het erf van [eiser] c.s. een (asfalt)weg aangelegd tot aan de in de transportakte van 1991 sub 12.1. bedoelde weg, min of meer aansluitend aan de brug over de [beek]. Op de aangehechte schets is de asfaltweg over perceel 1531 met een stippellijn is weergegeven.

2.7. [gedaagde] maakt thans gebruik van de in de transportakte van 1991 sub 12.2. bedoelde erfdienstbaarheid om vanaf de [adres] 1 via perceel 1531, de sub 12.1. bedoelde weg en de brug over de [beek] de percelen 4112 en 4114 te bewerken. Hij en zijn gezins/familieleden maken voorts van de sub 12.2. bedoelde erfdienstbaarheid gebruik voor verkeer tussen de [adres] 1 en de [weg B] 97 over perceel 1531, met een quad, per fiets en te voet.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vorderen, na wijzing van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I [gedaagde] zal verbieden gebruik te maken van de erfdienstbaarheid anders dan bij notariële akte bepaald op 22 mei 1991, dit alles op verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,-- voor iedere keer dat [gedaagde] na betekening van het in deze te wijzen vonnis het gegeven verbod en/of bevel overtreedt.

II Voor zover komt vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig handelt doordat hij inbreuk maakt op de erfdienstbaarheid genoemd in alinea 12 in de notariële akte, hierbij overgelegd als productie 1 op 22 mei 1991, voor recht zal verklaren dat hij de (gevolg)schade van dit onrechtmatig handelen op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet dient te vergoeden aan [eiser] c.s..

III [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten onder de bepaling dat [gedaagde] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is wanneer deze niet binnen twee weken na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn betaald.

[eiser] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] op grond van het in de transportakte van 1991 onder 12.2. bedoelde recht van erfdienstbaarheid slechts van de [adres] gebruik mag maken ten behoeve van de agrarische exploitatie van perceel 1531.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak in de eerste plaats over de uitleg van de in rechtsoverweging 2.5. bedoelde erfdienstbaarheid sub 12.2. [eiser] c.s. menen dat die erfdienstbaarheid het gebruik van de [adres] slechts toestaat voor de exploitatie van perceel 1531. Zij stellen dat [gedaagde] perceel 4112 kan bereiken via het koepad dat om die reden breder is dan voor koeien nodig is. De erfdienstbaarheid sub 12.1. geeft [gedaagde] slechts een extra mogelijkheid om perceel 1531 via het koepad te bereiken, aldus [eiser] c.s. [gedaagde] stelt daarentegen dat de bedoeling van hem en van [betrokkene] was dat hij perceel 4112 vanaf perceel 1531 zou bewerken en aldus het koeienverkeer, waarvoor het koepad is bedoeld, van het overige verkeer zou scheiden. Hij voert verder onweersproken aan dat nu de brug over de [beek] haaks op het koepad ligt de bocht van het koepad naar de brug te krap is voor landbouwwerktuigen en voorts dat het geschikt maken van het koepad voor landbouwwerktuigen erg duur is.

4.2. Bij beantwoording van de vraag naar de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid sub 12.2 komt het aan op de in de akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid.

4.3. Blijkens die akte heeft [betrokkene] zijn percelen grasland, met uitzondering van de percelen van [eiser] c.s., met het daarbij behorende melkquotum aan [gedaagde] verkocht en is voorzien in rechten van erfdienstbaarheid om [gedaagde] in staat te stellen die percelen grasland vanaf de [adres] 1 te exploiteren. De erfdienstbaarheid sub 12.2. strekt tot het gebruik van het in de akte bedoelde gedeelte van de [adres] voor: “de agrarische exploitatie van het bedrijf van koper”. Vanaf de inschrijving van de akte in de openbare registers bestond het bedrijf van [gedaagde] mede uit de bij die akte aan hem geleverde percelen 1531 en 4112. De uitleg van de onderhavige erfdienstbaarheid naar vorenbedoelde maatstaf brengt daarom mee dat:“het bedrijf van koper”, mede perceel 4112 omvat. Steun voor die uitleg kan ook nog worden gevonden in de vestiging van de sub 12.1. bedoelde erfdienstbaarheid van weg. Blijkens de akte sluit die weg immers min of meer recht aan op in de levering aan [gedaagde] begrepen brug over de [beek]. Het ligt daarom veel meer voor de hand dat voor de exploitatie van perceel 4112 vanuit de [adres] 1 gebruik zal worden gemaakt van de erfdienstbaarheden sub 12.2. en 12.1. dan van het koepad met de voor landbouwwerktuigen te nauwe bocht naar en van de brug over de [beek]. Daar komt nog bij dat wanneer [gedaagde] perceel 4112 via het koepad zou dienen te bereiken, zoals [eiser] c.s. stellen, hij voor een extra toegang tot perceel 1531 het recht van erfdienstbaarheid sub 12.1. niet nodig heeft, aangezien het oostelijk deel van dat perceel bereikbaar is via het koepad.

4.4. De stelling van [eiser] c.s. dat eiseres sub 2. nauw betrokken was bij de verkoop door haar vader van de onderhavige percelen aan [gedaagde] en dat het haar daarom bekend is dat het diens bedoeling was dat [gedaagde] het koepad zou gebruiken voor de exploitatie van perceel 4112 geeft aanleiding om te onderzoeken of de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid sub 12.2. afwijkt van hetgeen [betrokkene] en [gedaagde] waren overeengekomen in de aan de vestigingsakte ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst. Wanneer dat het geval is brengt dat geen wijziging in de uitleg van dat recht, maar zou het in de onderlinge verhouding van de partijen in de weg kunnen staan aan honorering van het verweer van [gedaagde]. Voor het antwoord op de vraag wat de inhoud is van die obligatoire overeenkomst, komt het aan op de Haviltex-maatstaf. In dit opzicht levert de akte van vestiging tussen partijen dwingend bewijs op. Daartegen staat wel tegenbewijs open, dat gelet op de toepasselijke Haviltex-maatstaf op alle omstandigheden van het geval betrekking kan hebben (vergelijk HR 22 oktober 2010, NJ 2011, 111). [eiser] c.s. zullen daarom tot dat tegenbewijs worden toegelaten.

4.5. Wanneer [eiser] c.s. er niet in slagen het door de leveringsakte geleverde bewijs te ontzenuwen geldt tussen de partijen de uitleg van het recht van erfdienstbaarheid sub 12.2. als in rechtsoverweging 4.3. is weergegeven. Dat betekent dat het recht om van de erfdienstbaarheid gebruik te maken dan niet is beperkt tot de agrarische exploitatie van perceel 1531, maar strekt tot de agrarische exploitatie van het bedrijf van de eigenaar van het heersend erf. Tot dat bedrijf behoren de ten oosten van de [beek] gelegen percelen 4112 en 4114. De omstandigheid dat perceel 4114 eerst in 2000 tot het agrarisch bedrijf van [gedaagde] is gaan behoren brengt niet mee dat het recht van erfdienstbaarheid niet mede strekt tot de exploitatie van dat tot het bedrijf behorende perceel. In beginsel zullen [eiser] c.s. immers een intensivering van de erfdienstbaarheid moeten dulden nu [gedaagde] diens erf gebruikt overeenkomstig zijn aard en inrichting en gesteld noch gebleken is dat sprake is van de in artikel 5:78 sub a BW bedoelde onvoorziene omstandigheden.

4.6. De eigenaar van het heersend erf kan, blijken de akte, geen gebruik kan maken van het recht van erfdienstbaarheid wanneer dat gebruik niet betrekkelijk is tot agrarische exploitatie. [gedaagde] kan dat recht daarom in ieder geval niet benutten voor het komen van en gaan naar de [weg B] 97. Dat [gedaagde] incidenteel in een van de paardenboxen op de [weg B] 97 enkele kalveren afzondert voordat deze naar een opfokbedrijf worden verplaatst, maakt dat niet anders.

4.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 laat [eiser] c.s. toe tot het tegenbewijs, zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.4.,

5.2 bepaalt dat, voor zover [eiser] c.s. dit bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. H.C.A. Walda in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3 bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juni 2012 voor het opgeven door [eiser] c.s. van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de maandagen, dinsdagen en woensdagen in de maanden juni tot en met september 2012, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4 verwijst voor het geval [eiser] c.s. op die roldatum hebben medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata hebben opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien [eiser] c.s. daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser] c.s. waarbij zij desgewenst ook het bewijs schriftelijk kunnen leveren,

5.5 bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6 bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.