Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8408

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
11/4701
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom vanwege overtreding van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Betreft het zonder vergunning veranderen van de inrichting en de werking daarvan door het op een andere plaats dan vergund plaatsen en in gebruik nemen van een houtschaafinstallatie en houtdrooginstallatie

Geen concreet zicht op legalisatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voorts valt niet in te zien dat de schaaf-drooginstallatie op de betrokken plaats zou behoren te worden gedoogd. Geen sprake van bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen besluiten zoals hij heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/4701

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 juni 2012.

inzake

[B.V.], eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 oktober 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), door het zonder vergunning veranderen van de inrichting en de werking daarvan door het op een andere plaats dan vergund plaatsen en in gebruik nemen van een houtschaafinstallatie en houtdrooginstallatie (hierna: schaaf-drooginstallatie). De last houdt in - kort gezegd - dat de schaaf-drooginstallatie wordt geplaatst op een vergunde plek dan wel buiten gebruik wordt gesteld voor 1 mei 2011, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per week tot een maximum van € 50.000.

Daarnaast heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot een installatie voor de opwekking van energie door middel van warmtekrachtkoppeling (hierna: Wkk-installatie).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar met betrekking tot het besluit waarbij een last onder dwangsom is opgelegd met betrekking tot de Wkk-installatie gegrond verklaard en herroepen. Het bezwaar met betrekking tot de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van de schaaf-drooginstallatie is ongegrond verklaard en het besluit is in zoverre gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 mei 2012. Namens eiseres zijn verschenen: [namen], bijgestaan door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H. Holterman, mr. T.W.M. Bot en ing. W. Willemsen.

3. Overwegingen

Vast staat dat de activiteiten van het bedrijf vallen onder bijlage I, onder C, categorieën 1.1, dub 1, onder a,b en c, categorie 13.1, onder a, en categorie 28.1, onder b, categorie 28.4, onder b, sub 1 en categorie 28.4, onder c, sub 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en dat verweerder op grond van artikel 2.4, tweede lid van de Wabo, in samenhang met artikel 6.7, eerste lid en derde lid van het Bor en artikel 5.2, eerste lid, van de Wabo het bevoegd gezag is.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder 1 is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.

Vast staat dat eiseres in de opslaghal aan de oostzijde van de inrichting waarvoor haar bij besluit van 19 juni 2009 een milieuvergunning is verleend, een schaaf-drooginstallatie heeft geplaatst en in werking heeft genomen.

Vast staat voorts dat eiseres niet beschikt over de daartoe vereiste vergunning. Dat evenbedoelde milieuvergunning voorziet in de plaatsing en het in werking hebben van een schaaf-drooginstallatie in de (nieuwe) hal aan de westzijde van de inrichting - op ongeveer 150 meter van de opslaghal - doet daaraan niet af. Dat voor het bouwen geen omgevingsvergunning wordt vereist en dat van overtreding van de bedrijfstijden geen sprake is, is in dit verband niet relevant.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder, anders dan eiseres betoogt, bevoegd was tot handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisatie was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet aanwezig. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat vergunningverlening voor de schaaf-drooginstallatie op de betrokken plaats zonder meer mogelijk is. Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat de op 12 april 2011 alsnog ingediende vergunningaanvraag destijds onvoldoende was onderbouwd om tot een juiste beoordeling te kunnen komen, en dat eiseres de daartoe noodzakelijke gegevens niet alsnog had aangeleverd.

Voorts valt niet in te zien dat de schaaf-drooginstallatie op de betrokken plaats zou behoren te worden gedoogd. Aan het door verweerder terzake gevoerde beleid was destijds niet voldaan. Dat dat thans wel het geval is, maakt dat niet anders.

In hetgeen eiseres aanvoert heeft verweerder terecht geen bijzondere omstandigheid aanwezig geacht om van handhaving af te zien. Niet gebleken is dat eiseres genoodzaakt zou zijn geweest om de schaaf-drooginstallatie op de betrokken plaats binnen de inrichting te plaatsen. Dat zij daartoe uit bedrijfseconomische motieven is overgegaan, kan begrijpelijk zijn, maar rechtvaardigt dat niet. Voorts is geen aanknopingspunt aanwezig voor het oordeel dat een of meer van de door eiseres genoemde rechtsregels zouden zijn geschonden. De aanvoerde feiten en omstandigheden leveren daarvoor geen enkele grond op.

Mede in aanmerking genomen dat de last uitsluitend ziet op het buiten gebruik stellen van de schaaf-drooginstallatie op de betrokken plaats binnen de inrichting, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen besluiten zoals hij heeft gedaan.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 12 juni 2012.