Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8271

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
05/901044-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben harddrugs en GHB. Tevens verstrekken en vervoeren van GHB en aanwezig hebben wapen: werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/901044-10

Datum zitting : 04 juni 2012

Datum uitspraak : 18 juni 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. J.M.L.G. de Jong, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met 5 december 2010 te Rotterdam en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met 4 december 2010 te Oud-Beijerland en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met 4 december 2010 te Oud-Beijerland en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan een vrouw/meisje genaamd [betrokkene1] en/of aan een (of meer) onbekend gebleven vrouwen en/of personen, in elk geval aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op of omstreeks 04 december 2010 te Oud-Beijerland, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.M.L.G. de Jong, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie, mr. H.G. Velders, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij betoogd dat de start van het strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig is geweest nu geen sprake was van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Op die grond geldt hetzelfde ten aanzien van het inzetten van de meer ingrijpende opsporingsbevoegdheden zoals het opnemen van vertrouwelijke communicatie of telecommunicatie.

De militaire kamer is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het startproces-verbaal van 11 oktober 2010, (p. 20 t/m 25 van het dossier) ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan het overtreden van artikel 2 onder B/C en/of artikel 3 B/C van de Opiumwet voortvloeide. De militaire kamer verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 15 oktober 2010 tot en met 4 december 2010 is de telecommunicatie, gevoerd met het telefoonnummer [x], opgenomen en uitgeluisterd. Dit telefoonnummer was in gebruik bij verdachte.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit op grond van de uitgeluisterde telefoongesprekken en de getuigenverklaringen van [getuige1] (verder ook: [getuige1]), [getuige2] (verder ook: [getuige2]) ]getuige3] (verder ook: [getuige3]).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Daartoe heeft hij betoogd dat onder verdachte nooit verdovende middelen zijn aangetroffen en niemand dit bij verdachte heeft waargenomen. De medeverdachten verklaren tegenstrijdig en inconsistent.

Uit de bewoordingen van de telefoongesprekken en sms-berichten en het vele lachen dat men tijdens die gesprekken doet, moet worden afgeleid dat er slechts in een lacherige brallerige sfeer stoer wordt gedaan naar elkaar toe om erbij te willen horen. Niet gezegd kan worden dat aan de tekst van de gesprekken en berichten in redelijkheid geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat verdachte daadwerkelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad.

Dat verdachte misschien ook gedacht heeft dat medeverdachten het wel over drugs hadden en hij daarover meepraatte, en zelfs als verdachte gevraagd heeft aan anderen om drugs mee te brengen, maakt dit nog niet dat bewezen kan worden dat hij dat ook ontvangen of gebruikt heeft of onder zich heeft gehad.

Beoordeling van de standpunten

In een telefoongesprek op 23 oktober 2010 belt verdachte met [getuige3]. Het gesprek gaat erover dat ze na de wedstrijd van volgende week zaterdag naar Thrillogy gaan. Verdachte vraagt [getuige3]: ‘regel jij bij [getuige1] dan nog even wat snelheid?’. [getuige3] zegt dat [getuige1] dat wel kan regelen. Verdachte zegt: ‘is goed, moet je voor mij effe 2 of 3 ofzo’. [getuige3] zegt dat hij het hem zal vragen.

[getuige3] heeft over dit gesprek verklaard dat met ‘snelheid’ speed wordt bedoeld en met ‘2 of 3’, 2 of 3 gram en dat hij dat wilde vragen aan [getuige1]. Hij denkt dat de speed voor verdachte bestemd was.

Thrillogy werd gehouden van 30 op 31 oktober 2010 in de Brabanthallen.

In een telefoongesprek op 26 oktober 2010 belt [getuige1] met verdachte. Verdachte zegt dat hij zaterdag met 5 vrouwen heeft afgesproken en dat ze bij [getuige3] gaan kijken. Verdachte zegt: ‘kun jij misschien nog wat snelheid’. [getuige1] zegt dat hij daar eigenlijk [getuige3] nog voor wilde bellen want bij hun is het schaars maar hij gaat zijn best doen. Verdachte zegt: ‘oke, want ik vroeg laatst ook [getuige3] over jou, maar hij heeft niks meer laten horen dus’. [getuige1] zegt dat hij er achteraan gaat. Verdachte zegt dat hij het wel op tijd moet weten want anders moet hij snel wat proberen te fixen. [getuige1] zegt dat hij niet zeker weet of hij snelheid genoeg heeft dus als verdachte wat kan regelen dat moet hij dat doen.

[getuige1] heeft over dit gesprek verklaard dat ‘snelheid’ speed is. Hij heeft in dat gesprek bedoeld te zeggen dat als verdachte voor zichzelf speed kon regelen, hij dat dan ook maar moest doen.

[getuige3] heeft over dit gesprek verklaard dat het onder meer gaat over verdovende middelen, dat hij de [getuige3] is die in dat gesprek genoemd wordt en dat met ‘snelheid’ speed bedoeld wordt.

Op 27 oktober 2010 krijgt verdachte een inkomend sms-bericht van [getuige1] waarin staat dat [getuige1] morgen waarschijnlijk 3x s op kan halen voor zaterdag.

Op 30 oktober 2010 belt [getuige2] met verdachte. Verdachte vraagt of [getuige2] weer heeft lopen ‘tikken’. Ze hebben het over hoe laat het gevecht van [getuige3] plaats vindt. [getuige2] zegt: ‘weet je hoe kankerlang je dan zal moeten wachten voordat je weg kan naar dat feesie?’. Verdachte zegt dat ze dan nog genoeg attributen bij zich hebben, tikken, G’tje, alles hebben ze dus.

[getuige2] heeft verklaard dat hij cocaïne ook wel een ‘pakkie’ noemt. Van de term ‘nakkie’ denkt hij dat het een puntje coke is en dat een ‘pakje’ of ‘pakkie’ coke is. Van de term ‘tikje’ denkt hij dat het hetzelfde als een ‘nakkie’ is.

Op 30 oktober 2010 belt een onbekende man met verdachte. Verdachte zegt dat hij bij [betrokkene2] zit. Ze gaan met z’n allen pizza halen. De andere man vraagt of verdachte nog wat gehaald heeft voor hen. Verdachte zegt dat hij wel een beetje snel heeft voor de man. Hij heeft een grammetje dus daar doen ze dan wel samen mee. De man zegt dat dat goed is en dat ze elkaar zo zien.

Op 1 november 2010 belt [getuige2] met verdachte. Verdachte zegt dat hij niet gewerkt heeft omdat hij zich niet goed voelde. [getuige1] zegt: ‘jij had natuurlijk weer van die snel op’. Verdachte zegt: ‘Ja, ook dat joh, maar alles door elkaar weet je, echt alles door elkaar gewoon en dan heel de nacht staan springen als een mongool, niet eten niet slapen. Ze zeggen dat het een goed feestje was. Verdachte zegt dat de pizza nog niet op was of de ‘G’ en de ‘pakken’ kwamen al.

Op 7 november 2010 belt verdachte met [betrokkene3]. Verdachte zegt dat hij nooit gelijk kan slapen, zeker niet als hij aan de snel gezeten heeft. [betrokkene3] zegt dat hij daarom die snel ook niets vindt.

Over dit gesprek heeft [betrokkene3] gezegd dat ‘snel’ speed is.

Op 11 november 2010 belt verdacht emet [getuige4]. Verdachte zegt: ‘ik heb jongen, [getuige4], niet normaal, jongen. Ik heb nog een beetje G gehaald, weet je wel bij Er! Dus alles wat ik ja op een gegeven moment slikte (…) in de stad wezen drinken. Naar huis, nog even wat tikken, zij ook mee doen. (…) Met tikken! Ze had het wel eens een keertje gedaan maar eigenlijk nooit’.

Op 1 december 2010 belt verdachte met [getuige1]. [getuige1] is er helemaal klaar voor om van het weekend weer naar de kloten te gaan. Verdachte zegt dat hij vrij heeft gevraagd. Verdachte vraagt of [getuige1] dan voor zaterdag een beetje snelheid regelt. [getuige1] zegt dat hij zal informeren. Verdachte zegt dat hij anders daar ook nog wel informeert en dan houden ze elkaar op de hoogte. Op 4 december 2010 vond het dancefeest Nightmare plaats.

[getuige1] heeft over dit gesprek verklaard dat verdachte hem gevraagd heeft een beetje snelheid te regelen omdat [getuige1] dat wel eens eerder meegenomen heeft.

[getuige1] heeft voorts verklaard dat hij op 29 oktober 2010 met verdachte naar de ‘Frankborrel’ is geweest en dat verdachte ook mee is geweest naar het kickboksgevecht van [getuige3] op 30 oktober 2010 in Pannerden en daarna zijn ze naar ‘Trilogie’ gegaan. Bij [betrokkene2] thuis heeft iedereen, behalve [getuige3] en (betrokkene6), toen speed en coke gebruikt. Op Trilogie heeft de groep ook speed en coke gebruikt.

Van 23 oktober 2010 tot en met 1 december 2010 heeft verdachte bij [getuige1] gevraagd om speed en GHB. Verdachte gebruikt die middelen. Dat heeft [getuige1] ook een aantal keer gezien. Verdachte geeft ook wel eens iets aan iemand. Verdachte gebruikt of heeft wel eens gebruikt: GHB, Coke en speed.

[betrokkene5] heeft verklaard dat verdachte haar verteld heeft dat hij zelf wel eens GHB en speed gebruikt.

(betrokkene7) heeft verklaard dat hij verdachte heeft leren kennen op Climax. Daarna zijn ze met een paar mensen, waaronder verdachte, naar (betrokkene8) gegaan. Verdachte heeft toen cocaïne gebruikt. Climax vond plaats op 27 november 2010 te Arnhem.

Conclusie

De militaire kamer acht de hiervoor gebezigde verklaringen betrouwbaar nu deze verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, wat ook geldt voor de inhoud van de hiervoor weergegeven telefoongesprekken. De militaire kamer acht de verklaringen mede betrouwbaar omdat de getuigen dikwijls zichzelf ook belasten (in die zin dat zij erkennen dat zij zelf ook drugs hebben gebruikt). Dat de betreffende getuigen bij de rechter-commissaris soms een andere verklaring afgelegd hebben, doet, juist gelet op de steun die voornoemde gesprekken vinden in elkaar en in de weergegeven telefoongesprekken en sms-berichten, daar niet aan af.

Ten aanzien van de verklaring van (betrokkene7) heeft de raadsman aangegeven dat deze later zou hebben verklaard dat hij het cocaïnegebruik niet expliciet heeft gezien. De militaire kamer overweegt hierover dat die latere verklaring echter ziet op een ander moment, namelijk zaterdag 5 december 2010, en niet op wat is voorgevallen na Climax, dat, zoals overwogen, plaats vond op 27 november 2010.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen hoeveelheden amfetamine (speed) en cocaïne aanwezig heeft gehad.

Hiermee wordt tevens het verweer van de raadsman verworpen.

Nu de militaire kamer het feit dat er in de woning van verdachte op 4 december 2010 drugs zijn aangetroffen, niet tot het bewijs heeft gebezigd, wijst zij het ter terechtzitting door de raadsman gedane verzoek tot het horen van getuige2, die aldus de verdediging zou kunnen verklaren dat (een deel van) die drugs van hem (was)waren hieromtrent af. De verdediging is hierdoor niet in enig belang geschaad.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met 5 december 2010 te Rotterdam en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten op grond van de uitgeluisterde telefoongesprekken en de getuigenverklaringen van [getuige1], [getuige2], [getuige3][getuige4] (verder ook: [getuige4]). Bij de doorzoeking op 4 december 2010 in de woning van verdachte zijn soortgelijke ballonnetjes aangetroffen als waarover wordt gesproken in de telefoongesprekken en waarover medeverdachten hebben verklaard met betrekking tot GHB.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Daartoe heeft hij betoogd dat onder verdachte nooit verdovende middelen zijn aangetroffen en niemand dit bij verdachte heeft waargenomen. De medeverdachten verklaren tegenstrijdig en inconsistent.

Uit de bewoordingen van de telefoongesprekken en sms-berichten en het vele lachen dat men tijdens die gesprekken doet, moet worden afgeleid dat er slechts in een lacherige brallerige sfeer stoer wordt gedaan naar elkaar toe om erbij te willen horen. Niet gezegd kan worden dat uit de tekst van de gesprekken en berichten in redelijkheid geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat verdachte daadwerkelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Volgens verdachte en verschillende getuigen wordt met de aanduiding ‘G’ het alcoholische drankje ‘Goldstrike’ bedoeld.

Dat verdachte misschien ook gedacht heeft dat medeverdachten het wel over drugs hadden en hij daarover meepraatte, en zelfs als verdachte gevraagd heeft aan anderen om drugs mee te brengen, maakt dit nog niet dat bewezen kan worden dat hij dat ook ontvangen of gebruikt heeft of onder zich heeft gehad.

Beoordeling van de standpunten

Op 29 oktober 2010 stuurt verdachte een sms-bericht naar [getuige1] waarin hij vraagt of [getuige1] nog soep heeft. [getuige1] antwoordt dat hij dat meeneemt.

Diezelfde avond belt verdachte uit naar [getuige4] . Het gesprek gaat over het feestje waar verdachte en [getuige1] naar toe gaan. Verdachte zegt dat hij dadelijk lekker aan de soep gaat, een lekker G.A.G. soepje, een gehaktballetje. Verdachte zegt dat je van de soep niet zo verkankerd raakt en je dan alleen maar geil bent.

Veertig minuten later belt [getuige2] met verdachte. Verdachte zegt dat hij lekker aan de soep zit en dat hij met [getuige1]je zit. Verdachte zegt dat ze naar de Frankborrel gaan in de cruiseterminal. [getuige1] had nog een beetje G bij zich dus verdachte is al een beetje licht in zijn bol.

Weer later die avond belt [betrokkene2] met verdachte. Verdachte zegt dat hij in een tent staat met [getuige1] en dat ze zwaar zijn van de gehaktballen.

De volgende ochtend belt verdachte met [getuige1]. Verdachte zegt dat hij 160 naar huis reed en toen een klein beetje ‘G’ nog begon te werken. Hij zegt ook dat hij in zijn nest lag te spacen. Ze hebben het erover dat ze beiden seks met een meisje hebben gehad. [getuige1] zegt dat hij, toen ze ‘out’ was, nog een filmpje van haar heeft gemaakt. De 26e is er weer een Frankborrel waar ze heen willen. De avond van het gesprek vindt Thrillogy plaats.

Op 5 november 2010 belt [ge[getuige4] met verdachte. Verdachte zegt dat hij gisteren die ‘G’ aan het uittesten is geweest en een dopje heeft genomen. Daarna is hij meegegaan naar Zinniz en bijna ‘out’ gegaan. Hij zegt dat daaruit blijkt dat je maar één keer in de twee uur een dopje moet nemen omdat je anders ‘out’ gaat. Vorige week op de Frankborrel dacht hij ook dat het net even teveel was. Vanavond gaan hij, [getuige4] en anderen ergens heen. Verdachte zegt dat als ze een ballonnetje nemen, ze niet binnen twee uur er nog één moeten nemen want dan gaat het fout. Hij zegt: ‘dit is een goeie hoor. Je wordt er gewoon een beetje licht van in je bol, je wordt er gewoon wat geiler van’.

Een dag later belt verdachte met [getuige1] en zegt hem dat hij weer lekker aan de soep zit en dat hij en [getuige4] ballonnen aan het vullen zijn. [getuige1] zegt over dit gesprek dat hij denkt dat ‘ballonnen vullen’ betekent GHB in een ballon doen. Dat wordt gedaan om ze mee te nemen naar een feestje. De hoeveelheid is dan makkelijker af te meten.

Diezelfde avond belt verdachte met [betrokkene3]. Ze hebben het over een feest waar ze die avond heen gaan. Verdachte zegt dat [betrokkene3] hem een sms’je moet doen als hij binnen is want dan doen ze even gezellig een G-tje want verdachte heeft dat bij zich. Verdachte heeft 15 ballonnetjes. [betrokkene3] zegt dat zij dat nooit met z’n tweeën op kunnen. Verdachte zegt dat ze met z’n drieën zijn en dat [betrokkene3] ook wel een ballonnetje van hem kan krijgen. Op 6 november 2010 vond het dance-evenement Alice in Crazyland plaats in Zaandam.

Op 12 november 2010 belt verdachte met [getuige3]. Verdachte zegt: ‘wat dacht je van die Frankborrel? Gaan we dan een beetje aan de soep en de gehaktballen (…) En dan daarna gaan we gelijk door naar ‘back to the 80’s and 90’s, een discotheek bij mij in de buurt (…) Ik heb net ff wat gehaktballen gehaald’.

Over dit gesprek heeft [getuige3] verklaard dat ‘aan de soep gaan’ en ‘aan de gehaktballen gaan’, aan de GHB gaan betekent.

Op 13 november 2010 belt verdachte met [getuige4]. Verdachte zegt dat hij bij [betrokkene1] nog een beetje G heeft gehaald.

Op 17 november 2010 belt [getuige1] met verdachte. Ze hebben het over dat ze volgende week eerst naar de Frankborrel gaan en dan naar de 80’s en 90’s. Verdachte zegt dat hij denkt dat hij alleen aan de gehaktballen gaat. Verdachte vraagt of [getuige1] voor volgende week een halve liter kan regelen. [getuige1] zegt dat hij al een hele besteld heeft bij iemand en het mee zal nemen. Verdachte zegt dat hij er fucking geil van wordt. Hij zegt: ‘met die [betrokkene1] ook jonge, echt ziek. Dat meisje had het nog nooit gedaan. Ik haar ook een beetje gegeven’.

[getuige1] heeft over dit gesprek verklaard dat verdachte aan hem vroeg of hij een halve liter GHB kon regelen. [getuige1] heeft bij een ander een hele liter GHB besteld en die halve liter heeft hij na de Frankborrel op 26 november aan verdachte gegeven.

Op 18 november 2010 stuurt verdachte een sms [getuige4]. Daarin staat: ‘ik heb trouwens gehaktballen geregeld hoopjes’.

Op 20 november 2010 belt verdachte met [getuige3]. Verdachte zegt dat hij vrijdag naar de frankborrel en daarna naar back to the 80’s and 90’s gaat en de dag daarna misschien toch naar Climax. Verdachte zegt dat hij dan alleen maar aan de gehaktballen gaat want dat scheelt veel geld. Hij zuipt dan niet, hij is geil en kan eten en slapen. Verdachte zegt dat hij volgende week een halve liter krijg via [getuige1]. Over vrijdag zegt verdachte: ‘dan neem ik wel, dan zorg ik wel voor de gehaktballen’.

Op 24 november 2010 belt verdachte met [getuige1]. Verdachte zegt dat hij vrijdag helemaal los gaat en dat hij zaterdag nog naar Climax wil. [getuige1] zegt dat ze anders bij een vriendin van [getuige1] die (betrokkene8) heet en op 200 meter van Climax woont kan komen afteren. Dat vindt verdachte goed. Verdachte zegt dat ze af moeten spreken dat hij [getuige1] ergens oppikt. [getuige1] zegt dat ze afspreken in Den Bosch en vanaf daar rijden. Verdachte zegt dat dat ook goed is maar dat ze elkaar even zien vanwege de gehaktballen. [getuige1] zegt dat hij die in de auto kan pleuren bij [getuige3] of (betrokkene9). [getuige1] zal een extra ding voor verdachte vullen.

Op 25 november 2010 belt [getuige1] met verdachte. [getuige1] zegt dat ze morgen om half zes daar zijn. Hij zegt: ‘als jij dan effe gewoon naar dat restaurantje om half zes ofzo komt’. Verdachte zegt dat hij dan al naar binnen is en zegt: ‘leg het effe in de wagen en neem dan effe een klein flesje mee of zo..zodat ik effe daar…’. [getuige1] zegt dat hij dat zal doen.

Op 26 november 2010 rond half 7 ’s avonds belt verdachte met [getuige3] en met [getuige1]. Eerst vraagt hij aan [getuige3] of [getuige1] nog flesjes bij zich heeft. [getuige3] zegt dat [getuige1] er eentje heeft. Verdachte vraagt: ‘maar wel voor binnen voor mij ook of niet?’. [getuige3] zegt dat hij het nog achter in de auto heeft liggen. Verdachte zegt dat hij [getuige1] gevraagd heeft om wat naar binnen mee te nemen. [getuige1] komt aan de telefoon en zegt dat hij het flesje voor verdachte bij zich heeft en dat ze wel even moeten delen. De rest heeft hij in de auto. Verdachte zegt: ‘rij dan die garage in of zo. Dan spreken we daar af en gooien we het gelijk over. [getuige1] zegt dat dat goed is.

Over dit gesprek heeft [getuige3] verklaard dat met ‘flesjes’ flugelflesjes met GHB erin bedoelt wordt. Hij heeft ook verklaard dat hij op 26 november 2010 naar de Frankborrel is geweest in de Terminal Cruise in Rotterdam. Daar was ook verdachte. Daarna zijn ze naar de discotheek Alcazar vlakbij verdachtes huis gegaan.

Op 29 november 2010 belt verdachte met (betrokkene10). Verdachte zegt: ‘toen we eenmaal binnen waren. Ik had geen geld bij me. Hij zegt, nee joh, jij had de vorige dat andere betaald, dat ‘G’ weet je wel. Ik betaal dit wel’.

Op 3 december 2010 belt verdachte [getuige4]. Verdachte zegt dat hij vanavond sowieso gaat en dat (betrokkene11), die ook komt afteren, er vanavond ook is. Verdachte vraagt hoe laat [ge[getuige4] er naartoe gaat. Hij pakt om half negen de taxi en gaat naar de VIP. Verdachte gaat eerst naar dat wijf toe. Verdachte zegt: ‘ik heb twee hele kleine flesjes net gekocht met zooi erin die ga ik ff omspoelen, daar ga ik ff wat in doen (…) lekker Gtje, ik zorg daar wel voor jongen’.

Diezelfde avond belt verdachte met [betrokkene2]. Verdachte zegt dat hij alweer lekker aan de gehaktballen zit. Hij gaat Rotterdam in.

Op 4 december 2010 belt verdachte met [betrokkene5]. Verdachte zegt dat hij en [getuige4] wakker zijn geworden in het ziekenhuis. Ze zijn out gegaan van de G.

Diezelfde nacht belt verdachte ook met [betrokkene2]. Verdachte zegt dat hij en [getuige4] wakker zijn geworden in het ziekenhuis van de G. Verdachte zegt dat hij een dopje teveel hebben ingenomen. Verdachte zegt dat hij een flesje vol had meegenomen en dat hij teveel te snel achter elkaar had genomen.

Even later belt verdachte met [betrokkene4] Hij vertelt over het out gaan van de G samen met [getuige4]. [betrokkene4] vraagt hoe hij aan de G komt. Verdachte zegt dat hij thuis een halve liter heeft staan.

De middag van 4 december 2010 belt hij met [getuige2]. Verdachte vertelt dat hij in Dijkzicht wakker is geworden met[getuige4]. Het was van de G en ze hadden iets teveel doppies genomen. Verdachte zegt dat hij gisteravond ‘G’ bij zich had en hij aan de bar out is gegaan.

[betrokkene3] heeft verklaard dat als hij het heeft over een ‘G-tje’ hij dan altijd over GHB spreekt want er is niks anders te vergelijken.

[getuige1] heeft verklaard dat met soep, ‘G’ en gehaktballen, GHB bedoeld wordt. Van 23 oktober 2010 tot en met 1 december 2010 heeft verdachte bij [getuige1] gevraagd om speed en GHB. Verdachte gebruikt die middelen. Dat heeft [getuige1] ook een aantal keer gezien. Verdachte geeft ook wel eens iets aan iemand. Verdachte gebruikt of heeft wel eens gebruikt: GHB, Coke en speed. Verdachte is een keer out geweest vanwege de drugs en toen opgehaald door een ambulance.

[betrokkene5] heeft verklaard dat verdachte haar verteld heeft dat hij zelf wel eens GHB en speed gebruikt.

Conclusie

De militaire kamer acht de hiervoor gebezigde verklaringen betrouwbaar nu deze verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, hetgeen ook geldt voor de inhoud van de hiervoor weergegeven telefoongesprekken. Net als hiervoor bij de bespreking van feit 1 is overwogen, geldt dit te meer nu de gehoorde getuigen dikwijls zichzelf ook belasten. Dat deze personen bij de rechter-commissaris soms een andere verklaring afgelegd hebben, doet daar niet aan af.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen hoeveelheden gamma-hydroxy-boterzuur, GHB, aanwezig heeft gehad en dat hij dit heeft vervoerd en verstrekt aan de in de gesprekken genoemde ‘[betrokkene1]’ en aan anderen. Het aanwezig hebben en verstrekken van de GHB pleegde hij op sommige momenten tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en op andere momenten deed hij dit alleen.

Hiermee is tevens het verweer van de raadsman verworpen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op tijdstippen in de periode van 15 oktober 2010 tot en met 4 december 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 15 oktober 2010 tot en met 4 december 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verstrekt aan een vrouw/meisje genaamd [betrokkene1] en/of aan een (of meer) onbekend gebleven personen, een hoeveelheid van een middel bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 2284;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 juni 2012.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4.

hij op 04 december 2010 te Oud-Beijerland, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot het verrichten van 140 uren werkstraf subsidiair 70 dagen hechtenis en voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de, een militair onwaardige, feiten, waarbij het zwaartepunt ligt bij het verstrekken van de drugs aan anderen, als gevolg waarvan sommigen ook ‘out’ zijn gegaan. Binnen de groep van vrienden was verdachte degene die, rondom de setting van feesten, vaker benaderd werd om drugs te regelen. Verdachte heeft steeds gezegd dat hij van niets wist. Ten voordele van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat geen toetsing van de inverzekeringstelling heeft plaats gevonden door de rechter-commissaris en met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de Militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 augustus 2011.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in een periode van zeven weken frequent harddrugs (cocaïne en amfetamine) en GHB aanwezig gehad en gebruikt, al dan niet samen met anderen. Het aanwezig hebben van de GHB betrof grotere hoeveelheden, waaronder eenmaal een halve liter. Het gebruik van de drugs gebeurde voorafgaand, op en na bepaalde feesten waar verdachte met vrienden heenging. Op sommige van die momenten verstrekte hij ook GHB aan hen. Ook verstrekte hij GHB aan een jonge vrouw, [betrokkene1], die, blijkens wat verdachte daarover door de telefoon vertelt, nog nooit eerder GHB had gebruikt.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Daarnaast zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade. Ook levert drugshandel aanzienlijke (imago)schade op voor Defensie; zij hanteert niet voor niets een zogenaamd ‘zero-tolerance’ beleid. Verdachte heeft, ondanks het feit dat hij hiervan op de hoogte was, zijn eigen gerief, zonder enige terughoudendheid, laten prevaleren. Dit wordt hem door de militaire kamer sterk aangerekend. De militaire kamer zal bij de strafmaat derhalve geen rekening houden met het feit dat verdachte reeds ontslagen is.

Ten nadele van verdachte houdt de militaire kamer voorts rekening met het feit dat verdachte vanaf het moment van aanhouding op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

Voorts heeft verdachte een ploertendoder voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens levert grote risico’s voor de maatschappelijke veiligheid op, zoals veelvuldig blijkt en moet daarom met kracht worden bestreden.

Ten voordele van verdachte houdt de militaire kamer rekening met de volgende omstandigheden. Het verstrekken van de harddrugs betrof geen grote hoeveelheden en de feiten, daterend van eind 2010, beperkten zich veelal rondom het gebeuren van bepaalde feesten.

Verdachte is bovendien niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer de geëiste straf alleszins passend en geboden.

Ten onrechte heeft nadat verdachte drie dagen in voorarrest had gezeten en de inverzekeringstelling was verlengd geen toetsing plaatsgevonden van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris. Verdachte heeft daarna nog drie dagen (onrechtmatig) vastgezeten. Dit betreft een onherstelbaar vormverzuim.

Nu weliswaar sprake is van inbreuk op een van een belangrijk rechtsbeginsel te weten het recht op vrijheid waarop slechts onder strikte in de wet voorziene voorwaarden een inbreuk kan worden gemaakt, maar er geen sprake van is dat doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan en de verklaringen van verdachte tegenover de politie niet tot het bewijs zijn gebezigd, zal de Militaire kamer de schending en het daardoor door verdachte opgelopen nadeel compenseren door de op te leggen werkstraf te verminderen met de duur van 20 uren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de militaire kamer verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis alsook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. Naast het benadrukken van de ernst van de feiten dient de voorwaardelijke straf tevens om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 12 (twaalf) uren, zijnde 6 (zes) dagen hechtenis.

En voorts tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer (rechter) en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juni 2012.