Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8257

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
05/800929-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:CA0261, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling door militair tegen andere militair: maximale werkstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800929-11

Datum zitting : 04 juni 2012

Datum uitspraak : 18 juni 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. C.B. Bos, advocaat te Nijkerk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de Militaire kamer toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

Primair hij als militair, in de rang van korporaal der eerste klasse, op of omstreeks 7 september 2011, te of nabij Bergen, Bergen-Hohne, in de Bondsrepubliek Duitsland, zich opzettelijk met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een militaire meerdere, de sergeant der eerste klasse [slachtoffer], in de uitoefening van diens functie als zijn, verdachtes, directe leidinggevende, hem verdachte, nadat deze een hand op de schouder van [slachtoffer] had gelegd, heeft toegevoegd van hem af te blijven en/of teneinde verdachte van zich af te houden, verdachte in een hoek heeft geduwd), welk geweld en/of bedreiging met geweld, zakelijk weergegeven hierin bestond dat hij verdachte toen aldaar opzettelijk die [slachtoffer] (met beide handen)(met kracht) in de rug heeft geduwd en/of meerdere malen althans eenmaal die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of met geschoeide voet in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt, terwijl tengevolge van dat geweld genoemde meerdere [slachtoffer], (zwaar) lichamelijk letsel (gebroken neus, gebroken oogkas(sen), gebroken jukbeen en/of gebroken bovenkaak) heeft bekomen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair hij op of omstreeks 07 september 2011 te of nabij Bergen, Bergen-Hohne, in de Bondsrepubliek Duitsland, aan een persoon (te weten [slachtoffer], sergeant I), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus, gebroken oogkas(sen), gebroken jukbeen en/of gebroken bovenkaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of slaan en/of met geschoeide voet in en/of tegen het gezicht en/of hoofd te trappen en/of schoppen, hebbende verdachte als militair voormeld misdrijf gepleegd tegen genoemd persoon, terwijl die toen militair was, althans terwijl die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was; Meer Subsidiair hij op of omstreeks 07 september 2011 te of nabij Bergen, Bergen-Hohne, in de Bondsrepubliek Duitsland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer], sergeant I), meerdere malen althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of met geschoeide voet in en/of tegen het gezicht en/of hoofd heeft geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus, gebroken oogkas(sen), gebroken jukbeen en/of gebroken bovenkaak), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, hebbende verdachte als militair voormeld misdrijf gepleegd tegen genoemd persoon, terwijl die toen militair was, althans terwijl die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.B. Bos, advocaat te Nijkerk.

Als benadeelde partij heeft [slachtoffer] zich schriftelijk in het geding gevoegd

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit, gelet op de verklaringen van aangever en verdachte en de medische informatie omtrent het letsel van aangever. De officier van justitie acht bewijsbaar dat op het moment van plegen van het feit door verdachte, aangever in de uitoefening van zijn functie als verdachtes directe leidinggevende functioneerde. Verdachte is korporaal eerste klas en aangever is sergeant eerste klas en functioneert in Nederland als de groepscommandant van verdachte. Verdachte heeft het feit gepleegd in Duitsland tijdens een oefening op een militaire locatie nadat hij met aangever een discussie had gehad over een onenigheid uit het verleden. Verdachte zag aangever op dat moment ook als zijn directe leidinggevende.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij, onder meer, aangevoerd dat ten tijde van het feit verdachte en aangever van een gelijk functieniveau waren (verdachte was commandant van het ene kamp en aangever van het andere) en aangever dus niet de ‘meerdere’ was van verdachte, zoals primair in de tenlastelegging is opgenomen

Beoordeling van de standpunten

Gezien de verschillende rangen van verdachte en aangever staat vast dat aangever op het moment van het ten laste gelegde feit de militaire meerdere van verdachte was.

Uit geen van de bewijsmiddelen in het dossier volgt echter dat op het moment van de ruzie waaruit het tenlastegelegde feit zou zijn voortgekomen, die plaatsvond tijdens een militaire oefening in Duitsland, aangever feitelijk ook zijn functie als de directe leidinggevende van verdachte uitoefende. Dat aan het door verdachte gepleegde geweld een discussie voorafging tussen verdachte en aangever over onenigheid tussen hen in het verleden, doet daar niet aan af.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 7 september 2011 te Bergen, Bergen-Hohne, terwijl hij militair was, in de Bondsrepubliek Duitsland, [slachtoffer] (hierna: aangever), sergeant I, die toen militair was, met geschoeide voet geschopt, waarna aangever is gevallen.

Dit schoppen vond plaats in de hoek van een ruimte (hal) van ongeveer twee bij drie meter.

Ná het schoppen waren van aangever zijn neusbeen, de zijkant van zijn rechter oogkas, zijn oogkasbodems links en rechts, het jukbeen rechts en de bovenkaak, midden rechts en zijkant rechts, gebroken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu geen sprake is geweest van opzet bij de verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin. Aangever heeft verdachte in de hoek van een kleine ruimte tegen de muur gesmeten. Hierdoor kon verdachte zijn armen niet direct vrij gebruiken en om aangever bij zich vandaan te houden heeft hij in een reflex een trap gegeven die niet gericht was op het gezicht van aangever. Kennelijk bukte aangever precies op dat moment waardoor de trap in zijn gezicht terecht kwam.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever met een zijwaartse beweging heeft geschopt terwijl hij (verdachte) legerkistjes droeg. Wat daarvoor ook de reden was, er moet worden vastgesteld dat hij dit schoppen opzettelijk heeft gedaan.

Reeds uit de aard van het, omvangrijke, letsel volgt dat dit gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het letsel kan het naar het oordeel van de militaire kamer ook niet anders zijn dan dat verdachte met kracht trapte. Dit is niet anders indien het letsel deels door de val zou zijn veroorzaakt. Immers in dat geval moet de trap zo hard zijn geweest dat aangever daardoor ten val kwam.

Niet bewezen kan echter worden dat verdachte aangever opzettelijk in het gezicht geschopt heeft, nu verdachte verklaard heeft dat hij richtte op het gebied tussen oksel en heup van aangever en zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden voor het bewijs van het tegendeel.

Zoals onder de feiten is opgenomen, heeft het incident plaatsgevonden in de hoek van een kleine ruimte, van ongeveer twee bij drie meter.

De militaire kamer is van oordeel dat het met kracht schoppen op het lichaam boven de heup, terwijl men legerkistjes draagt, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept, ofwel door directe inwerking van de schop/trap op dat deel van het lichaam danwel doordat door de trap in een dergelijke kleine ruimte het slachtoffer ten komt en daardoor ernstig letsel op loopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het deel van het lichaam tussen oksel en heup meerdere kwetsbare organen bevinden. De trap vond voorts plaats tijdens een schermutseling en was daarbij kennelijk zo ongecontroleerd dat verdachte aangever in zijn gezicht raakte.

Gelet op het voorgaande heeft verdachte zich, door te handelen zoals hij heeft gedaan, willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever ten gevolge van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Het opzet van verdachte was derhalve in de zin van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel van aangever gericht.

De militaire kamer verwerpt hiermee het verweer van de raadsvrouw.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 07 september 2011 te of nabij Bergen, Bergen-Hohne, in de Bondsrepubliek Duitsland, aan een persoon (te weten [slachtoffer], sergeant I), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus, gebroken oogkassen, gebroken jukbeen en gebroken bovenkaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met geschoeide voet te schoppen, hebbende verdachte als militair voormeld misdrijf gepleegd tegen genoemd persoon, terwijl die toen militair was, Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

Zware mishandeling, gepleegd door een militair tegen een andere militair

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Primair heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer. Daartoe heeft zij het volgende betoogd.

Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever omdat hij verdachte met geweld tegen de muur heeft gezet. Verdachte hing achterover in de hoek en aangever stond voor hem in de kleine ruimte zodat aangever niet kon weglopen. Op dat moment was het voor verdachte noodzakelijk zich te verdedigen en was de enige mogelijke manier om dit te doen, aangever een trap te geven. Verdachte ontkent voorafgaand aan dit voorval aangever te hebben geduwd waardoor aangever, volgens zijn eigen zeggen, drie stappen naar binnen moest zetten. Als aangever drie stappen had gezet zou hij van de trap zijn gevallen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces. Er was sprake van een noodweersituatie en door de aanranding had verdachte pijn aan zijn hoofd en voelde hij zich bedreigd. Om daar een einde aan te maken heeft hij aangever een trap gegeven.

De militaire kamer stelt vast dat verdachte zelf heeft verklaard dat voorafgaand aan het geven van de trap door verdachte, verdachte en aangever in een discussie waren verwikkeld. Tijdens die discussie heeft verdachte twee keer weg willen lopen, maar hij heeft dit niet gedaan omdat aangever hierop reageerde met de woorden: “loop maar weer weg”. Toen aangever vervolgens weg liep heeft verdachte, zo verklaart hij, hem een “enigszins sarcastisch” schouderklopje gegeven. Toen aangever veracht van hem af te blijven heeft verdachte aangever nog een keer een, ditmaal een krachtiger, schouderklopje gegeven vergezeld van de woorden: “wat dan?”. De emoties waren al tijdens de discussie hoog opgelopen.

Daarna duwde aangever verdachte in de hoek tegen de muur als gevolg waarvan aangever een bloeduitstorting op zijn achterhoofd heeft opgelopen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat aangever na de duw nog gewoon op een meter of anderhalve meter afstand vóór hem stond en dat hij aangever daarna de trap heeft gegeven.

Bij de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte op twee momenten, te weten op 7 september 2011 (kort na het voorval) en op 2 november 2011, verklaard dat aangever daarna terug stapte, verdachte toen van de muur wegstapte en de trap gegeven heeft. Gelet op de consistentie van deze verklaring gaat de militaire kamer ten aanzien van het feitelijke relaas uit van de juistheid van deze verklaring.

De militaire kamer is van oordeel dat het duwen van aangever ondanks de provocaties die daaraan voorafgingen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleverde. Nu aangever daarna echter terug is gestapt, bestond naar het oordeel van de militaire kamer op dat moment voor verdachte echter geen noodzaak meer tot verdediging. Nergens uit blijkt dat er redenen waren om te veronderstellen dat aangever een nieuwe aanval zou ondernemen. Daarmee verwerpt de militaire kamer het beroep op noodweer.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de militaire kamer dat een dergelijk beroep kan slagen indien gehandeld wordt in een situatie waarin de noodzaak bestond tot verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanval, is geëindigd, doch niettemin dit handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding. Uit dit vereiste volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een 'dergelijk onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, LJN BC6794, NJ 2008/510).

Zoals overwogen is aan de zware mishandeling een discussie voorafgegaan waarbij de emoties hoog waren opgelopen en waarbij verdachte aangever tweemaal sarcastisch of provocerend heeft aangeraakt.

Weliswaar heeft aangever verdachte daarna met kracht tegen de muur geduwd maar, gelet op de daarvoor reeds hoog opgelopen emoties en het daarvoor gebezigde provocerende gedrag van verdachte en de intensiteit van de reactie van verdachte, te weten de hoge, harde trap met een met een “legerkistje” geschoeide voet gericht op het bovenlichaam van aangever, is naar het oordeel van de militaire kamer niet aannemelijk is dat deze trap in doorslaggevende mate het gevolg was van de door die enkele duw veroorzaakte gemoedsbeweging. Veeleer sprake lijkt te zijn geweest van het, mede als gevolg van de eerdere emotionele discussie, zoeken van de tegenaanval.

Hiermee wordt tevens het beroep op noodweerexces verworpen.

Ook voor het overige is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit, de aanleiding hiertoe, met het feit dat verdachte zijn excuses aan aangever heeft aangeboden, inmiddels ontslagen is bij Defensie en niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden.

De omstandigheden van het geval, te weten dat sprake was van een discussie die helaas tot het letsel van aangever heeft geleid, de omstandigheid dat verdachte direct na het incident spijt heeft betuigd.

Voorts is verdachte al voldoende gestraft door zijn oneervol ontslag bij Defensie. Hij heeft zelf letsel opgelopen, zijn aangifte is geseponeerd, aangever op geen enkele wijze is gestraft of aangesproken op zijn gedrag terwijl ook aangever debet is aan wat is gebeurd en ten slotte door de strafzaak op zich. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten en zijn reclasseringsrapport is zeer positief.

Beoordeling door de Militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 24 november 2011; en

• een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 17 februari 2012, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is met aangever, ook een militair, in een discussie geraakt over een onenigheid in het verleden. Verdachte heeft zich daarbij provocerend opgesteld. Daarop heeft aangever verdachte hard tegen de muur geduwd. Daarna is aangever teruggestapt. Hoewel op dat moment voor verdachte niet (meer) de noodzaak bestond zich hiertegen te verdedigen, heeft hij aangever met kracht richting bovenlichaam geschopt terwijl hij legerkistjes droeg. Hij heeft aangever daarbij vol in het gezicht getroffen. Als gevolg daarvan heeft aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een gebroken neusbeen, een gebroken oogkas, twee gebroken oogkas bodems, een gebroken jukbeen en een meervoudig gebroken bovenkaak, waardoor zijn gezicht blijvend a-symmetrisch is geworden.

De militaire kamer acht dit een ernstig feit en rekent het verdachte zwaar aan. Dergelijke feiten zorgen niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook binnen de samenleving in het algemeen.

De militaire kamer houdt voorts rekening met het feit dat de landelijke oriëntatiepunten in een geval als het onderhavige voor de strafmaat als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden inhouden, waarbij nog geen rekening is gehouden met het feit dat dit feit gepleegd is door een militair tegen een andere militair in welk geval de maximumstraf met eenderde kan worden verhoogd.

Met betrekking tot de verzachtende omstandigheden die door de raadsvrouw zijn aangevoerd overweegt de militaire kamer het volgende. Hoewel aangever verdachte geduwd heeft, is het verdachte geweest die zich, daaraan voorafgaand, provocerend richting aangever heeft opgesteld en bestond er geen enkele rechtvaardiging voor de trap die hij aangever heeft gegeven.

Ten voordele van verdachte houdt de militaire kamer rekening met het feit dat hij zijn excuses aan aangever heeft aangeboden, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en ontslagen is bij Defensie.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf passend en geboden is dan de maximaal op te leggen werkstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en daarmee hoger dan geëist door de officier van justitie.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.704,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij, die zij voldoende onderbouwd acht, tot betaling van het bedrag van € 2.704,- in het geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de door haar verzochte vrijspraak, danwel ontslag van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde waardoor beoordeling van de vordering een te grote belasting vormt voor de strafzaak.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de materiële schade betoogd dat de gevraagde vergoeding voor het mislopen van een oefentoeslag niet is onderbouwd. Uit de gevoegde bijlagen kan niet afgeleid worden dat benadeelde daaraan mee zou doen. Het staat zelfs niet vast dat de twee genoemde bladen bij elkaar horen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht de gevraagde vergoeding niet-ontvankelijk te verklaren danwel sterk te verlagen nu de context van het arrest waarbij aansluiting is gezocht niet vergelijkbaar is met die van de onderhavige. De benadeelde heeft minder letsel dan de benadeelde in het genoemde arrest en bovendien is het letsel van benadeelde geheel of gedeeltelijk te wijten aan de val op de ijzeren deurhouder op de grond.

Omdat het verzoek om wettelijke rente toe te wijzen niet nader is onderbouwd, heeft de raadsvrouw verzocht dit af te wijzen danwel niet-ontvankelijk te verklaren.

Voorts is opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet op zijn plaats vanwege de bijzondere omstandigheden in deze zaak.

Beoordeling van de standpunten

Eigen schuld

De militaire kamer verwerpt dit verweer gelet op hetgeen zij hiervoor reeds heeft overwogen. Weliswaar heeft de benadeelde verdachte geduwd maar daaraan voorafgaand heeft verdachte de benadeelde geprovoceerd en de trap die verdachte na de duw aan benadeelde heeft gegeven was op geen enkele manier gerechtvaardigd. In die omstandigheden kan niet gesteld worden dat de schade gedeeltelijk aan aangever zelf kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 204,- omdat hij door zijn opgelopen letsel

niet heeft kunnen deelnemen aan een oefening waarvoor hij wel was ingeroosterd en

waardoor hij de oefentoelage is misgelopen.

De militaire kamer acht dit deel van de vordering, nu het tenlastegelegde bewezen is

verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd, in zijn geheel toewijsbaar. De twee

bladen die als bijlage 2 bij zijn gevoegd onderbouwen voldoende dat verdachte ingeroosterd was om deel te nemen aan de daarin genoemde oefening.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade

Dat het letsel van aangever, geheel of gedeeltelijk, te wijten zou zijn aan een val op een ijzeren deurhouder op de grond is op geen enkele wijze aannemelijk geworden, nog daargelaten dat ook indien de schade (deels) het gevolg is van een door de trap veroorzaakte val, die schade nog steeds in een zo’n direct oorzakelijk verband staat met die trap dat dit aan de aansprakelijkheid van verdachte niet in de weg staat.

De militaire kamer acht voldoende bewezen dat benadeelde door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. Gelet op de ernst van het letsel en de onderbouwing van dit deel van de vordering is de militaire kamer van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 2.500,- aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de militaire kamer geen aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding niet te vermeerderen met de wettelijke rente en evenmin om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.

Nu niet exact is vast te stellen op welk moment bovengenoemde schade is ontstaan, acht de militaire kamer de wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment van indienen van de vordering, te weten 26 januari 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f, 91, en 302 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 141 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 2.704,- (tweeduizendzevenhonderdvier euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 2.704,- (tweeduizendzevenhonderdvier euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer (rechter) en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juni 2012.