Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8105

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
05/730292-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Opzet op de dood. Verdachte liep naar de keuken, pakte een mes uit de keukenlade en stak daarmee meermalen zijn ex-vriendin in de borst, rug en gezicht. Hij riep daarbij roepen: ‘zo wil je het’ en ‘ik niet dus jij ook niet’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/730292-12

Datum zitting : 31 mei 2012

Datum uitspraak : 13 juni 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PPC te [adres]

raadsvrouw : mr. B. Oonincx, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Zaltbommel, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

(zijn, verdachtes ex-partner) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een (gekarteld) (brood)mes, althans een

puntig/scherp voorwerp, in/tegen de borst en/of het gezicht en/of de rug,

althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Zaltbommel aan een persoon genaamd

[slachtoffer] (zijn, verdachtes ex-partner), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

((forse) snijwonden in het aangezicht en/of borstkas en/of handen), heeft

toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een

gekarteld (brood)mes, althans een puntig/scherp voorwerp, in/tegen de borst

en/of het gezicht en/of de rug, althans het lichaam te steken;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Zaltbommel opzettelijk en

wederrechtelijk een (voor)ruit van een personenauto (Peugeot 307, voorzien van

kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [betrokkene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en

aldus dat goed heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft

gemaakt, immers heeft hij, verdachte een televisietoestel vanaf de

bovenverdieping van de woning gelegen aan de [adres] aldaar op/tegen de

auto gegooid/geworpen;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 31 mei 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B. Oonincx, advocaat te Rotterdam.

Als benadeelde heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter zitting verschenen: [slachtoffer].

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 februari 2012 heeft verdachte zijn ex-partner [slachtoffer] in haar woning te Zaltbommel meerdere keren met een gekarteld (brood) mes in haar borst en rug gestoken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte bekent [slachtoffer] meerdere keren met een mes te hebben gestoken maar geeft aan dat het nooit zijn opzet is geweest haar van het leven te beroven. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde omdat niet bewezen kan worden dat verdachte op enig moment het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Het opzet kan niet worden afgeleid uit de verklaring van verdachte en kan evenmin worden afgeleid uit de aard van de gedraging en de uiteindelijk geconstateerde verwondingen van [slachtoffer]. Het dossier bevat bijvoorbeeld geen gedetailleerde informatie over de exacte plaats van de verwondingen en de diepte en de lengte van de steekwonden.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] in haar borst en rug heeft gestoken. Betwist wordt alleen dat hij opzet heeft gehad op haar dood. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag met welke intentie verdachte [slachtoffer] nu precies heeft gestoken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op de bewuste dag bij haar voor de deur stond en dat hij, nadat zij had gezegd dat zij tot over haar oren verliefd was op een ander, tegen haar zei: ‘zo wil je het’. [slachtoffer] verklaarde voorts dat verdachte haar vervolgens bij de keel pakte en haar in de richting van de huiskamer en even later keuken duwde. Eenmaal in de keuken kwam [slachtoffer] door een duw in de rug ten val op de vloer in de keuken. Verdachte voorkwam dat [slachtoffer] op kon staan, opende met zijn hand een laatje van de keuken en pakte uit de la een kartelbroodmes met een lemmet van ongeveer twintig centimeter. Verdachte zei toen: ‘ik niet dus jij ook niet’. Vervolgens zag [slachtoffer] dat hij met het mes in haar rechterborst stak. Op het moment dat verdachte nog een keer probeerde te steken, pakte [slachtoffer] het mes vast om verdachte tegen te houden. Hierdoor liep [slachtoffer] een snee in haar hand op. Verdachte ging daarna echter gewoon door met steken en stak [slachtoffer] meermalen in haar rug. Op een gegeven moment zag [slachtoffer] dat verdachte met het mes in de richting van haar keel ging. [slachtoffer] deed vervolgens haar gezicht naar beneden en werd hierdoor in haar gezicht geraakt.

In de medische informatie staat omschreven dat aangeefster meerdere steekwonden had. Drie in haar linker borstkas, in haar rechter borst, in haar rechter borstkas, in haar mondhoek en in haar handen. Zoals reeds aangehaald, heeft [slachtoffer] – net als verdachte zelf overigens – verklaard ook (meermalen) in haar rug te zijn gestoken.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte zelf en de medische informatie is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Het geweld tegen [slachtoffer] begon in de gang van de woning van [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens bewust naar de keuken geleid. Daar heeft hij – terwijl verdachte [slachtoffer] tegen de grond gedrukt hield – een mes gepakt. Verdachte heeft [slachtoffer] toen ten minste zeven messteken toegebracht. Deze steken waren gericht op de romp van verdachte: onder andere in haar borstkas en haar rug. Ook heeft verdachte met het mes uitgehaald naar de keel van [slachtoffer]; vandaar de ernstige verwonding aan het gezicht en de mond van [slachtoffer]. Bovendien heeft verdachte uitspraken gedaan – ‘zo wil je het’ en ‘ik niet, dus jij ook niet’ – welke naar het oordeel van de rechtbank uiting gaven aan de intentie van verdachte om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Primair

hij op 18 februari 2012 te Zaltbommel, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

(zijn, verdachtes ex-partner) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, met een gekarteld broodmes, in/tegen de borst en het gezicht en de rug,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene], p. 41-42;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 mei 2012.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2.

hij op 18 februari 2012 te Zaltbommel opzettelijk en

wederrechtelijk een voorruit van een personenauto (Peugeot 307, voorzien van

kenteken [kenteken]), geheel of ten dele toebehorende

aan [betrokkene],en

aldus dat goed heeft vernield immers heeft hij, verdachte een televisietoestel vanaf de

bovenverdieping van de woning gelegen aan de [adres] aldaar op/tegen de

auto gegooid/geworpen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van de feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor de algemene voorwaarde en een proeftijd van drie jaren voor de volgende bijzondere voorwaarde: verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt behandeling bij een intramurale instelling met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer en de in beslag genomen kleding zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, voor zover gewenst.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank gevraagd te volstaan met een gevangenisstraf van maximaal 8 maanden onvoorwaardelijk. Daarnaast heeft de verdediging gevraagd een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een behandeling. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de doelen van strafoplegging, te weten: 1. leedtoevoeging, 2. vergelding c.q. genoegdoening voor het slachtoffer en 3. handhaving van het recht niet méér gediend zijn bij een hogere straf.

Verdachte heeft reeds fors geleden door de gevolgen die het feit voor hem heeft gehad. Zo heeft hij diverse snijwonden in zijn onderarmen, verliest hij waarschijnlijk zijn baan en dreigt hij zijn woning te verliezen en daardoor in de schulden te komen.

Daarnaast onderhoudt [slachtoffer] nog altijd contact met verdachte. [slachtoffer] heeft aangegeven in haar slachtofferverklaring dat zij liever ziet dat verdachte zijn problemen aanpakt en behandeld wordt, dan dat hij nog langer in de gevangenis zit.

Tot slot heeft verdachte geen strafblad, had hij reeds hulp gezocht, staat hij ook nu nog open voor behandeling, en kan het feit hem slechts in verminderde mate worden toegerekend.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 februari 2012;

• een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 mei 2012, betreffende verdachte, en;

• een psychologisch rapport van [psycholoog], psycholoog, gedateerd 18 mei 2012, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] op een zeer gewelddadige wijze geprobeerd van het leven beroven door haar – nota bene in haar eigen huis – meermalen te steken in de borst, de rug en het gezicht. [slachtoffer] heeft hieraan meerdere (ook blijvende) littekens overgehouden waarvan twee ontsierende littekens duidelijk zichtbaar in haar gelaat. [slachtoffer] heeft doodsangsten uitgestaan en is nog steeds fysiek en psychisch niet hersteld. Zowel verdachte als [slachtoffer] mag van geluk spreken dat zij kans heeft gezien om weg te komen en zij deze gewelddadige steekpartij heeft overleefd.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schokkend en zeer ernstig feit, waarvoor in beginsel een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden is.

Daarnaast heeft verdachte een televisie uit de woning van zijn ex-vriendin op de auto van haar nieuwe vriend gegooid, waardoor de voorruit van de auto is gesneuveld.

De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Psycholoog [psycholoog], die de hierboven genoemde psychologische rapportage heeft opgesteld, adviseert verdachte het feit verminderd toe te rekenen. Hij adviseert voorts om aan verdachte een langdurige behandeling op te leggen, gericht op het verwerven van inzicht in zijn problematiek , alsmede hantering hiervan. Eén en ander om het recidiverisico te verminderen.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, die met alle hierboven genoemde aspecten rekening houdt, passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 4 jaar opleggen, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte klinisch wordt behandeld in een bij nadere indicatiestelling vast te stellen intramurale instelling en voorts dat verdachte na deze behandeling een ambulante behandeling zal volgen. Aan deze bijzondere voorwaarde zal een proeftijd van 3 jaar gekoppeld worden, gelet op de mogelijk lange duur van het (zowel intramurale als extramurale) behandelingstraject. De rechtbank zal de duur van de klinische behandeling op maximaal 24 maanden (in afwijking van de door de officier van justitie gevorderde 18 maanden) stellen of zoveel korter als door de instelling in overleg met de reclassering nodig wordt geacht, eveneens gelet op de mogelijk lange noodzakelijke behandelduur.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, met behulp waarvan het onder feit 1 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven kleding zullen moeten worden teruggegeven aan [slachtoffer] als rechthebbende, voor zover zij hier nog behoefte aan heeft.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.841,85.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [slachtoffer] tot betaling van het bedrag van

€ 10.824,05 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen hechtenis. Zij komt tot een bedrag lager dan het bedrag dat is gevorderd door [slachtoffer] omdat bij de medische kosten de doorgestreepte behandeling van 10 januari 2012 à € 17,80 wel is meegenomen in de gevorderde € 220,-.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer], voor zover het de immateriële schade betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu dat gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd en een aanhouding van de zaak voor het opvragen van nadere onderbouwing, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Met betrekking tot de vordering van materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de post van 10 januari 2012 à € 17,80 van de medische kosten dient te worden afgetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft de vordering van [slachtoffer] (gedeeltelijk) weersproken.

De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de materiële schade – nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd – toewijsbaar tot een bedrag van € 824,05 (waarbij de post van 10 januari 2012 à € 17,80 bij de medische kosten in mindering is gebracht).

Aan [slachtoffer] is door het onder feit 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit voorts rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgelijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op € 7.500,=.

De rechtbank zal [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van immateriële schade. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan [slachtoffer], zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 18 februari 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren niet is nagekomen de navolgende algemene voorwaarde(n) dat veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan voorts worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren een van de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

1. dat veroordeelde, zich op uitnodiging moet melden bij de reclassering en zich na de eerste afspraak blijft melden op de afgesproken tijdstippen en locaties zo frequent als en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zich zal laten opnemen en zal verblijven in een op basis van de door het NIFP-IFZ-afgegeven indicatiestelling te bepalen intramurale instelling, teneinde zich klinisch te laten behandelen, voor zolang als de reclassering dit in overleg met de instelling noodzakelijk acht, maar maximaal voor de duur van 24 maanden. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de instelling zullen worden gegeven;

3. dat veroordeelde zich aansluitend op de klinische behandeling ambulant zal laten behandelen bij een forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de instelling zullen worden gegeven;

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het mes (sinnr: AABA6453NL).

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven kledingstukken, te weten:

• 1 spijkerbroek Jack & Jones, kleur: blauw;

• riem

• schoenen, kleur: blauw

• 1 sok; en

• 1 shirt, kleuren: wit/blauw.

Ten aanzien van feit 1

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 8.324,05 (zegge: achtduizend driehonderd vierentwintig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 8.324,05 (zegge: achtduizend driehonderd vierentwintig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 79 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. R.M. Maanicus rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juni 2012.