Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW8061

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
05/700294-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor – onder meer – poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700294-12

Datum zitting : 29 mei 2012

Datum uitspraak : 12 juni 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

thans gedetineerd in PI [adres].

raadsman : mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een (houten) knuppel, althans een hard voorwerp (met kracht) tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelfractuur), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een (houten) knuppel, althans met een hard voorwerp (met kracht) tegen/op het hoofd te slaan en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op het hoofd te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan; meer subsidiair hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan M. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een (houten) knuppel, althans met een voorwerp (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meest subsidiair hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal met een (houten) knuppel, althans met een hard voorwerp (met kracht) tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, waardoor deze [slachtoffer] letsel (schedelfractuur en/of een wond op het behaarde hoofd en/of een wondje achter het oor en/of een stompe verwonding met bloeduitstorting ter hoogte van het schedeldak) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 570 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (parketnummer 05.700609/12)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 februari 2012 in de gemeente Ede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 23.577 kWh, althans een (grote) hoeveelheid elektriciteit / stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; (parketnummer 05.700609/12)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 29 mei 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 februari 2012 is verdachte naar de woning van dhr [slachtoffer], (adres), gegaan. Daar aangekomen heeft verdachte [slachtoffer] met een stuk hout geslagen. [slachtoffer] heeft letsel opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De verklaringen van de getuigen, waaronder ook die van aangever en slachtoffer [slachtoffer], zijn niet betrouwbaar, daar zij op meerdere punten van elkaar verschillen, zoals het voorwerp waarmee is geslagen, het aantal malen dat is geslagen en of er tevens is geschopt. Daarbij is de verklaring door verdachte afgelegd bij de politie op 19 februari 2012 niet betrouwbaar en dient van het bewijs te worden uitgesloten, aangezien dit verhoor zonder tolk heeft plaatsgevonden en verdachte de Nederlandse taal hiertoe onvoldoende beheerst.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij door verdachte met een hakbijl op zijn hoofd is geslagen. Getuige [getuige1], bewoner [adres], heeft verklaard vanuit het raam in zijn woonkamer te hebben gezien dat zijn buurman [slachtoffer] door een andere man twee tot drie keer met grote kracht op het hoofd werd geslagen met een wit voorwerp, mogelijk een fles of beeldje. Getuige [getuige2], echtgenote van getuige [getuige1] en tevens bewoner van [adres], heeft voorts verklaard vanuit datzelfde raam te hebben gezien dat de buurman [slachtoffer] meerdere keren met zijn vuist door een andere man op het hoofd en het gelaat werd geslagen waarbij het klonk alsof deze man met een voorwerp sloeg. Tot slot heeft verdachte zelf tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard met een stuk hout tegen onder meer het hoofd van [slachtoffer] te hebben geslagen. Ter zitting heeft verdachte eveneens verklaard [slachtoffer] met een stuk hout te hebben geslagen.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de vorenstaande verklaringen in onderlinge samenhang bezien en op de plaats en de aard van het door [slachtoffer] opgelopen letsel, te weten hoofdletsel: schedelbasisfractuur en hoofdwonden , voldoende aannemelijk geworden dat verdachte tenminste één maal met een hard voorwerp – een stuk hout - op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en hierdoor het letsel is ontstaan. Verdachtes verklaring ter zitting dat het letsel is ontstaan door het vallen van [slachtoffer] tegen een muur en/of op de grond, acht de rechtbank onaannemelijk. De door verdachte geopperde valscenario’s stroken niet met zijn verklaring bij de politie, de verklaring van aangever [slachtoffer] en van de getuigen.

Dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de getuigen [getuige1] en [getuige2] deels van elkaar verschillen doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid ervan. De verklaringen zijn direct na het gebeuren onafhankelijk van elkaar afgelegd en komen in hoofdlijnen overeen, te weten een aanval met een hard voorwerp (onder meer) gericht op het hoofd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zake van de verklaring van [slachtoffer] waar hij spreekt van het gebruik van een hakbijl en een aanval door twee mannen, zeer wel sprake kan zijn van een vertroebelde waarneming gelet op de agressieve situatie waarin hij was beland en diens sterk verwarde toestand nadien: afwezig, apatisch en moeilijk spreken. Ook bestaat geen reden om aan verdachtes verklaring bij de politie te twijfelen. Verdachte heeft aan het begin van dit verhoor aangegeven dat indien verbalisant langzaam spreekt hij het wel kan begrijpen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging dat de verklaringen van aangever, getuigen en verdachte niet betrouwbaar zijn.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of verdachte door het slaan met het stuk hout op het hoofd van [slachtoffer] opzet heeft gehad op de dood. Het betreft de vraag naar voorwaardelijke opzet. Verdachte heeft immers verklaard dat het niet zijn bedoeling was [slachtoffer] pijn te doen of letsel toe te brengen laat staan te doden, en op zichzelf beschouwd houdt het slaan met een hard voorwerp op het hoofd ook geen opzet op de dood in. Volgens de Hoge Raad moet de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Uit de verklaring van verdachte bij de politie volgt dat hij [slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen met een stuk hout met een vierkant en aldus een scherp uiteinde. Getuige [getuige1] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte met grote kracht met een voorwerp op het hoofd van [slachtoffer] sloeg, welke waarneming strookt met de plaats en de ernst van het letsel van [slachtoffer], te weten verwondingen bovenop de behaarde hoofdhuid en een schedelfractuur. Verdachtes verklaring ter zitting dat hij niet hard kon slaan door een ontsteking aan zijn rechterarm, acht de rechtbank onaannemelijk. De ernst van het letsel van [slachtoffer] duidt onmiskenbaar op het slaan met grote kracht bovenop het hoofd. Daarbij heeft ook getuige [getuige1] verklaard dat verdachte met grote kracht heeft geslagen. Gelet op de aard van het letsel zijn er geen aanknopingspunten in het dossier dat het letsel is veroorzaakt door schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer]. Bovendien heeft slechts één getuige verklaard dat door verdachte tegen het hoofd is geschopt van [slachtoffer].

Op grond van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van aangever. Het is algemeen bekend dat het hoofd een zeer kwetsbaar lichaamsdeel is. Door een enkele harde klap met een hard en/of scherp voorwerp op het hoofd is de kans aanmerkelijk dat men daardoor kan komen te overlijden. Hoewel verdachte wellicht niet het voornemen had [slachtoffer] van het leven te beroven, heeft hij door zijn handelswijze – het met kracht met een hard en scherp voorwerp bovenop het hoofd slaan – wel degelijk de aanmerkelijke kans hierop op de koop toe genomen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van Liander N.V. d.d. 5 maart 2012, pg. 21-23;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 februari 2012,

pg. 47-49;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 februari 2012, pg. 50 en 51, en

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 mei 2012.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. primair

hij op 18 februari 2012 in de gemeente Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] eenmaal met een hard voorwerp (met kracht) op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 570 gram hennep zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (parketnummer 05.700609/12)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 februari 2012 in de gemeente Ede tezamen en in vereniging met een ander of anderen(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit / stroom toebehorende aan Liander NV waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking; (parketnummer 05.700609/12)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk aanwezig hebben in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal door twee of meer personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij mevrouw [psychiater] psychiater gevestigd te Amsterdam of een soortgelijke behandelaar en of behandelende instelling met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft bij de formulering van haar eis uitdrukkelijk rekening gehouden met de ernst van de tenlastegelegde feiten, waarbij het eerste feit – poging doodslag – door haar het zwaarst is meegewogen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht uitgaande van haar standpunt dat alleen het onder 1 subsidiair tenlastegelegde als bewezen kan worden verklaard – poging zware mishandeling – dat met de door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd van 3 maanden en 11 dagen kan worden volstaan. Hierbij wijst de verdediging op de psychische en financiële problemen van verdachte ten tijde van de aanval op [slachtoffer]. De verdediging heeft verzocht om het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor een mogelijke resterende gevangenisstraf gecombineerd met psychische begeleiding. Ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft de verdediging verzocht om het opleggen van een werkstraf.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd

26 april 2012, en

• een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 18 april 2012 betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten een gekwalificeerde poging doodslag op [slachtoffer]. Verdachte heeft omdat hij een –zakelijk- conflict had met [slachtoffer] met een hard en scherp voorwerp, een stuk hout, tenminste één maal met kracht bovenop het hoofd van [slachtoffer] geslagen. [slachtoffer] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen, te weten een schedelfractuur en hoofdwonden. De kans op een overlijden ten gevolge van de slag was aanmerkelijk. Dat [slachtoffer] het heeft overleefd, is niet aan verdachte te danken.

De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

Verder heeft verdachte op of omstreeks 18 februari 2012 in de gemeente Ede opzettelijk aanwezig gehad een grote hoeveelheid hennep. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een delict dat nauw daarmee samenhangt, namelijk het medeplegen van diefstal van elektriciteit door middel van braak en/of verbreking.

Reclassering Nederland concludeert dat verdachte door psychische en financiële problemen, in het bijzonder een conflict met [slachtoffer] omtrent de oogst van hennepplanten en door verdachte misgelopen inkomsten, tot de poging doodslag is gekomen. Schulden en depressieve klachten hebben hem tot zijn daad gedreven. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat mits verdachte zijn problemen aanpakt, zo mogelijk met een behandeling door mevrouw [psychiater], psychiater gevestigd te Amsterdam, of door een soortgelijke instelling. De rechtbank betrekt deze conclusies bij haar oordeel. Tevens neemt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder een (gewelds)delict heeft gepleegd en als een zogenoemd ‘first offender’ kan worden aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat voor de afdoening van de onderhavige zaak – met name gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit – geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank wenst bij de hoogte van die straf net als de officier van justitie rekening te houden met de (toenmalige) persoonlijke omstandigheden van verdachte en het gegeven dat verdachte niet eerder een (gewelds)delict heeft gepleegd. Een en ander afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf, met met als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht, passend en zal deze daarom opleggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.904,- aan immateriële schade, een bedrag van € 894,- aan materiële schade en een bedrag van € 76,- ter zake van kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit te weten 18 februari 2012. Ook verzoekt de benadeelde partij om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering alleen kan worden toegewezen ter zake van het immateriële deel ervan en wel ter hoogte van een bedrag van

€ 2.326, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2012. Voor wat betreft het materiële deel van de vordering acht de officier van justitie de vordering niet ontvankelijk. Tevens verzoekt de officier van justitie om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het materiële deel ervan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het immateriële deel van de vordering dient, zo de verdediging heeft betoogd, in zijn geheel te worden afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, poging doodslag, immateriële schade heeft geleden .De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade passend is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 1.000,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag aan de benadeelde partij zal toewijzen. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat een nader onderzoek van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor wat betreft het materiële deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering ten bedrage van

€ 46,- voor de reparatie van een tens-apparaat. Een datum op de bijgevoegde factuur ontbreekt waardoor niet is vast te stellen of sprake is van een verband met het bewezenverklaarde. Ook nu geldt dat een nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren; verdachte kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal het materiële deel van de vordering voor het overige - de kapotte telefoon, de kapotte bril en de kwijtgeraakte gouden ketting- afwijzen, daar de rechtbank op grond van het dossier van oordeel is dat deze schade geen verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij vordert ten slotte een bedrag van € 76,- aan door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten zal de rechtbank toewijzen.

Voor de toegewezen vordering geldt dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij, omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 18 februari 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 91, 287, 310 en 311van het Wetboek van Straf¬recht en de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 1 primair, 2 en 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien)maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover die niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 5 (vijf) dagen volgend op deze uitspraak melden bij Reclassering Nederland op het adres: adres. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland dit gedurende deze perioden nodig acht; en

2. zich onder behandeling zal stellen van mw [psychiater], psychiater te Amsterdam, of een soortgelijke behandelaar of behandelende instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die mw [psychiater] of een soortgelijke instelling aan te geven.

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 1.000,- (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 76,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze betreft reparatie tens-apparaat en de immatriële schade boven het toegewezen bedrag van € 1.000,-.

- Wijst de vordering van de benadeelde voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 1.000,- (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. dr. N. Djebali (voorzitter), mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. J. Barrau, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2012.