Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7736

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
212916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht, art. 5 EVO.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het geheel van de omstandigheden duidelijk dat de contractuele relatie van partijen nauwer verbonden is met Nederland, dan met Duitsland. Nederlands recht is daarom van toepassing op de aan de vorderingen ten grondslag liggende overeenkomst. VSK in de gelegenheid te stellen haar processtukken aan de toepasselijkheid van het Nederlandse recht aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 212916 / HA ZA 11-351

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. [eis.2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.D. Wind te Leusden,

tegen

de rechtspersoon naar Duits recht, Gesellschaft mit beschränkter Haftung

VSK PROJEKTENTWICKLUNG NIEDERRHEIN GMBH,

gevestigd te Düsseldorf,

gedaagde,

advocaat mr. A.G.W. Leysen te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eisers] en VSK genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 november 2011

- de akte van [eisers]

- de akte van VSK

- de comparitie van partijen van 23 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Partijen zijn respectievelijk de aanbesteders ([eisers]) en de aannemer (VSK) van de nieuwbouw van een woning in Nederland voor [eisers]. VSK is een rechtspersoon naar Duits recht, gevestigd in Duitsland, [eisers] zijn Nederlandse, en in Nederland wonende, consumenten.

2.2. Tussen partijen is een geschil ontstaan naar aanleiding waarvan de aannemingsovereenkomst door [eisers] is ontbonden. In deze procedure vorderen [eisers], kort gezegd, vergoeding van schade als gevolg van die ontbinding.

2.3. In het incidentele vonnis van de rechtbank van 14 september 2011 is beslist dat de rechtbank bevoegd is om over de vorderingen van [eisers] te oordelen. Partijen houdt thans, naast de vorderingen van [eisers], verdeeld welk recht op hun overeenkomst van toepassing is. VSK is van oordeel dat Duits recht van toepassing is, [eisers] zijn van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is. Tijdens de comparitie van partijen 23 april 2012 is enkel aan dit onderwerp aandacht besteed. In dit vonnis zal de rechtbank oordelen welk recht van toepassing is.

2.4. Partijen zijn het er over eens dat door hen geen rechtskeuze is gemaakt. Dat betekent, dat het toepasselijke recht dient te worden gevonden door toepassing van het Nederlandse internationale privaat recht. Van dat recht maken de verordeningen van de EU en verdragen deel uit. Partijen zijn van oordeel dat in dat kader de EU-Verordening Rome I (Verordening 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) niet toepasselijk is, omdat hun contractuele relatie is aangegaan voor 17 december 2009, de datum van de inwerkingtreding van die verordening. De rechtbank deelt dat oordeel.

2.5. Partijen zijn van voorts mening dat het toepasselijke recht dient te worden gevonden met toepassing van het EVO-verdrag (Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980,156). De rechtbank deelt die mening en stelt vast dat bij gebrek aan een rechtskeuze door partijen, het toepasselijk recht dient te worden gevonden met toepassing van bepaalde in artikel 4 van het EVO waarvan het lid 1 luidt:

“Voorzover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.”

2.6. VSK stelt, met een beroep op lid 2 van artikel 4 van het EVO, dat Duits recht van toepassing is. Lid 2 luidt:

“Behoudens lid 5 wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.”

2.7. VSK onderbouwt haar standpunt en voert daartoe aan: dat VSK de partij is die de –voor de contractuele relatie tussen partijen- meest kenmerkende prestatie heeft verricht of diende te verrichten, dat VSK is gevestigd in Duitsland en daarom Duits recht toepasselijk is. Tussen partijen staat niet ter discussie dat, bij toepassing van het criterium van lid 2, Duits recht van toepassing is op hun de contractuele relatie.

2.8. [eisers] stellen daartegenover, dat hun contractuele relatie met VSK nauwer met Nederland is verbonden en dat daarom Nederlands recht van toepassing is. [eisers] verwijzen daarbij naar het feit dat in Nederland gebouwd wordt, dat Nederlandse onderaannemers zijn of zouden worden ingeschakeld, dat in de aannemingsovereenkomst verwezen wordt naar Nederlandse bouwkundige regelgeving en dat VSK gebruik maakte van een Nederlandse bouwkundige.

[eisers] doen daarbij een beroep op toepassing van lid 5 van artikel 4 dat luidt:

“Lid 2 vindt geen toepassing indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is. De vermoedens van de leden 2, 3 en 4 gelden niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.”

2.9. VSK stelt dat toepassing van lid 5 achterweg dient te blijven. Ter comparitie heeft VSK haar standpunt nader onderbouwd en gesteld, dat lid 5 van artikel 4 EVO geen toepassing vindt indien volgens lid 2 van dat artikel een toepasselijk recht wordt gevonden. [eisers] betwisten dit en stellen dat lid 2 enkel leidt tot een vermoeden welk de toepassing van lid 5 niet uitsluit.

2.10. De rechtbank volgt VSK niet in haar stelling dat lid 5 van artikel 4 EVO geen toepassing vindt indien ingevolge lid 2 een toepasselijk recht wordt gevonden. Die uitleg van VSK vindt geen steun in de tekst van artikel 4 EVO. In tegendeel, uit de tekst van lid 5 (tweede volzin) vloeit juist voort dat het vermoeden van lid 2 weerlegbaar is. Noch vindt het standpunt steun in het hierna aangehaalde arrest van het Hof van Justitie.

2.11. Bij antwoord stelt VSK voorts dat lid 5 enkel toepassing vindt als uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land van het recht volgens het criterium van lid 2. VSK verwijst in dit opzicht naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU (133/08).

2.12. Het Hof van Justitie van de EG/EU heeft bij arrest van 6 oktober 2009 in de zaak Interfrigo tegen Balkenende (LJN: BJ9858, C-133/08) over de toepassing van lid 5 van artikel 4 EVO het volgende overwogen:

62 Blijkens de letterlijke bewoordingen en het doel van artikel 4 van het verdrag moet de rechter steeds op basis van die vermoedens, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is.

63 Wanneer echter uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt aangewezen op basis van de in artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag genoemde vermoedens, staat het aan die rechter om dat artikel 4, leden 2 tot en met 4, buiten toepassing te laten.

64 Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 5, van het verdrag in die zin moet worden uitgelegd dat wanneer uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt bepaald op basis van een van de criteria van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag, de rechter die criteria buiten toepassing dient te laten en het recht dient toe te passen van het land waarmee die overeenkomst het nauwst is verbonden.

2.13. Uit de akte van 23 april 2012 van [eisers] en de daaraan gehechte producties blijken de navolgende feiten en omstandigheden, die niet door VSK zijn betwist:

- Er is sprake van de bouw van een woning in Nederland;

- De cascobouw van de woning zou door een Nederlandse (onder)aannemer worden uitgevoerd;

- Het grondwerk, inclusief de heiwerkzaamheden, is door een Nederlandse onderaannemer uitgevoerd terwijl ook de W- en E-installateurs Nederlandse onderaannemers zouden worden;

- Door VSK is, in de persoon van Udo Blom, een Nederlandstalige intermediair ingeschakeld;

- Door VSK is, in de persoon van Ronald Milder, een Nederlandse bouwkundige ingeschakeld.

2.14. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het geheel van de omstandigheden duidelijk dat de contractuele relatie van partijen nauwer verbonden is met Nederland, dan met Duitsland. Nederlands recht is daarom van toepassing op de aan de vorderingen ten grondslag liggende overeenkomst.

2.15. VSK is bij het opstellen van haar processtukken uitgegaan van de toepasselijkheid van het Duitse recht. Nu de rechtbank van oordeel is dat Nederlands recht toepasselijk is, wordt VSK in de gelegenheid gesteld haar processtukken aan de toepasselijkheid van het Nederlandse recht aan te passen. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen. [eisers] krijgen vervolgens de gelegenheid daarop vervolgens bij akte te reageren.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van 27 juni 2012 voor het nemen van een akte door VSK als onder 2.15 bedoeld en vervolgens naar de rol van 8 augustus 2012 voor een antwoord akte van [eisers].

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.