Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7733

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
229353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Straat- en contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229353 / KG ZA 12-239

Vonnis in kort geding van 10 mei 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.G.W.M. Geurts te Duiven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E. Osinga te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde]

- na de mondelinge behandeling van de zaak is namens [eiser] primair aanhouding verzocht,

waartegen namens [gedaagde] bezwaar is gemaakt.

1.2. Ter zitting is het verzoek om aanhouding, mede gelet op het bezwaar van [gedaagde], afgewezen. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 december 2011 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan van poging tot doodslag door [gedaagde]. [eiser] heeft toen onder meer verklaard:

Sinds 25 februari 2011 heb ik problemen met [gedaagde]. (…)

Op vrijdag 25 november 2011 omstreeks 13.00 uur liep ik op de stoep in de [adres], ter hoogte van de splitsing [adres].

Ik liep op de stoep voor de seniorenwoningen. Ik zag dat [voornaam gedaagde] in zijn zwarte BMW, kenteken weet ik niet, mijn kant op kwam rijden. (…)

Opeens zag ik dat [voornaam gedaagde] het stuur van auto omdraaide en de stoep op kwam rijden. Hij reed ongeveer tot halverwege de stoep. Ik kon nog net opzij springen anders zou hij mij met de auto geraakt hebben. Ik denk als [voornaam gedaagde] mij met zijn auto had geraakt en ik achterover was gevallen dat [voornaam gedaagde] dan met zijn auto over mij heen was gereden. Ik denk dat ik dan wel dood had kunnen zijn. Ik was op dat moment toch wel bang. Toen ik omkeek naar de BMW zag ik dat [voornaam gedaagde] slaande bewegingen vanachter het stuur naar mij maakte. Ik voelde me op dat moment bang en was geschrokken. Ik voelde me onveilig. (…)

Op 25 februari 2011 was ik met [voornaam gedaagde] en de carnavalsvereniging uit eten in Duitsland. [voornaam gedaagde] vroeg daarna aan mij of ik met hem meeging naar de korenmarkt. Ik wilde dit niet, waardoor [voornaam gedaagde] mijn tweemaal met zijn rechtervuist op mijn kaak sloeg. Andere leden van de carnavalsvereniging hebben [voornaam gedaagde] bij mij weggetrokken. [voornaam gedaagde] was aangeschoten. Ik had zelf niets gedronken. Hier had ik een gevoelige kaak aan overgehouden. Ik had geen aangifte gedaan, omdat ik bang was voor [voornaam gedaagde].

Ongeveer een maand na 25 februari 2011 omstreeks 15.15 uur liep ik naar de Coop in [plaats]. Onderweg kwam ik [voornaam gedaagde] te voet tegen. Ik hoorde dat hij op een dreigende toon zei: “dit keer heb je geen letsel, de volgende keer wel.” Ik heb hier niet op gereageerd en ben doorgelopen. (…)

Ook zijn er ongeveer 5 maanden geleden plastic flesjes met brandstof in mijn tuin gegooid. Deze kwamen in mijn tuin tot ontploffing. Hier heb ik aangifte van gedaan. Ik denk dat [voornaam gedaagde] hier ook achter zit. Sinds dat ik camera’s heb hangen is het rustig.

Ik doe nu pas aangifte omdat dit op verzoek van politie, gemeente en de carnavalsvereniging is. Ik wil dat [voornaam gedaagde] hierop aangesproken wordt, zodat hij ermee stopt.

2.2. In een ongedateerde verklaring heeft mevrouw [betrokkene1] geschreven, dat [gedaagde] haar zoon [eiser] op 25 februari 2011 op de terugweg vanuit Duitsland twee maal op zijn gezicht heeft geslagen. Mevrouw [betrokkene1] is de moeder van [eiser].

2.3. In de verklaring van 6 mei 2012 hebben [eiser] en [getuige1] onder meer geschreven dat nadat [voornaam gedaagde] bij [eiser] en [betrokkene2] had geprobeerd binnen te komen, hij agressief bij hen was gekomen, had gezegd dat [eiser] valse aangifte had gedaan en dat zij binnenkort geen broer en/of schoonbroer meer zouden hebben want die ging eraan. [eiser] en [getuige1] zijn de broer en schoonzus van [eiser].

2.4. In de verklaring van 8 mei 2012 heeft [betrokkene2] onder meer geschreven dat zij erbij was toen [gedaagde] [eiser] op 25 februari 2011 in de auto op de terugweg uit Duitsland, twee maal hard op zijn kaak heeft geslagen. Voorts heeft zij verklaard dat [gedaagde] in februari 2012 twee maal provocerend in de deuropening van zijn huis heeft gestaan en er de laatste avond van de carnavalsvereniging door [gedaagde] vuurwerk is gegooid naar enkele leden die buiten stonden te roken. Volgens [betrokkene2] heeft [gedaagde], samen met [betrokkene3], op zaterdag 17 maart 2012 geprobeerd de woning van [eiser] binnen te komen en toen haar vader de deur had open gedaan hebben zij geprobeerd hem aan zijn vest naar buiten te trekken. [betrokkene2] is de vriendin van [eiser].

2.5. In een ongedateerde verklaring heeft [betrokkene4] onder meer geschreven dat [gedaagde] op 17 maart 2012 in het bijzijn van [betrokkene3], op het raam geklopt heeft en daarbij riep dat [eiser] naar buiten moest komen, dat het ging om valse aangiftes en dat hij [eiser] kapot zou willen maken. Voorts dat de vader van [betrokkene2] de deur geopend heeft en [gedaagde] en [betrokkene3] al schreeuwend hebben geprobeerd binnen te komen. Dat is volgens [betrokkene4] niet gelukt en [gedaagde] en [betrokkene3] zijn vertrokken waarna door [eiser] de politie is gebeld. [betrokkene4] is de huisgenote van [eiser] en zijn vriendin.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - [gedaagde], op straffe van een dwangsom, te verbieden zich op te houden in de [adres] te [plaats] alsmede op enigerlei wijze contact met hem te zoeken.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Op 8 mei 2012 zijn ten behoeve van de zitting van 9 mei 2012 namens [eiser] bij de Centrale Informatiebalie van deze rechtbank een aantal stukken afgegeven. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de betreffende stukken niet (per post) heeft ontvangen en deze hem pas kort voor de zitting ter hand zijn gesteld. Namens [gedaagde] is bezwaar gemaakt tegen het overleggen van deze stukken, nu deze niet, zoals in artikel 6.2 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie is bepaald, 24 uur (één werkdag) voor de zitting zijn ingediend.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vastgesteld moet worden dat de stukken weliswaar kort voor de zitting aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld, maar dat deze beperkt van omvang zijn waardoor [gedaagde] er in een kort tijdsbestek voldoende kennis van heeft kunnen nemen. Ter zitting is [gedaagde] overigens ook op de inhoud van deze stukken ingegaan. Voorshands geoordeeld, is [gedaagde] door de late indiening van de betreffende stukken niet in zijn belangen geschaad. Zijn betoog dat de stukken buiten beschouwing gelaten dienen te worden, wordt dan ook verworpen.

4.3. Als grondslag voor zijn vordering heeft Geurts het volgende aangevoerd. Op 25 februari 2011 heeft zich een incident voorgedaan waarbij [gedaagde] hem heeft geslagen. Daarna zijn er meerdere incidenten geweest waarbij hij zich door [gedaagde] en/of diens provocerende gedrag bedreigd voelt. Hij heeft pas eind 2011 aangifte durven doen omdat hij bang is voor [gedaagde]. Hij heeft het afgelopen jaar vier á vijf keer melding gemaakt bij de politie dat hij werd lastig gevallen door [gedaagde]. Er is de afgelopen maanden twee maal een flesje met brandbare vloeistof (een zogenaamde “brandbom”) in zijn tuin gegooid, dat daar tot ontploffing kwam. Recent is er een soortgelijk flesje met brandbare vloeistof gegooid in de aanhangwagen van zijn oom, die in de voortuin van [eiser] stond geparkeerd. [eiser] vermoedt dat dit het werk is van [gedaagde]. [eiser] is bang en voelt zich bedreigd, vooral als [gedaagde] met zijn auto heel langzaam door de straat rijdt waar [eiser] woont en in zijn woning naar binnen gluurt, hetgeen volgens [eiser] meerdere malen is voorgekomen.

4.4. [gedaagde] heeft betwist [eiser] te hebben lastig gevallen. Hij heeft daarbij, naar zijn zeggen, geen enkel belang. De door [eiser] gestelde aantijgingen zijn niets anders dan kwaadsprekerij. Wel is het volgens [gedaagde] waar dat [eiser] en hij vorig jaar met elkaar woorden hebben gehad.

4.5. Het spoedeisend belang, hoewel door [gedaagde] betwist, volgt in voldoende mate uit de aard van de vordering en de stellingen en standpunten van [eiser].

4.6. Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.7. Duidelijk is dat de onderlinge verhoudingen tussen partijen ernstig zijn verstoord. De aan de vordering ten grondslag gelegde, en door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwiste feiten, rechtvaardigen evenwel een dergelijke ingrijpende inbreuk op deze rechten, bij wijze van ordermaatregel. Dat een deel van de feiten zich vorig jaar heeft voorgedaan en [eiser] pas in december 2011 voor het eerst aangifte heeft gedaan, maakt dat niet anders. Ten aanzien van de “brandbommen” heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Hij stelt slechts een, op de gebruikte ontsteking gebaseerd vermoeden te hebben dat die van [gedaagde] afkomstig zijn. [gedaagde] heeft betwist dat hij daarmee iets te maken zou hebben (gehad). Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan daaromtrent geen duidelijkheid worden verkregen. Wat daar ook van zij, uit de inhoud van de overlegde verklaringen en het proces-verbaal van aangifte bij de politie, is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] zich bedreigd voelt door de handelwijze van [gedaagde]. De daarin vermelde feiten zijn door [gedaagde] onvoldoende, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat de verklaringen afkomstig zijn van de vriendin, de moeder, de huisgenote en de broer en schoonzus van [eiser], zoals door [gedaagde] is betoogd, maakt dat niet anders.

4.8. Gelet op het voorgaande bestaat, voorshands geoordeeld, voldoende aanleiding het gevorderde straat- en contactverbod op te leggen. [gedaagde] wordt door het straatverbod, dat is beperkt tot een deel van de [adres], niet op ontoelaatbare wijze belemmerd zin zijn normale bewegingsvrijheid. [gedaagde] woont immers in een andere straat en heeft geen concreet belang om zich daar te begeven. Hij kan van en naar zijn woning gaan via een alternatieve route. De vordering tot het opleggen van een contactverbod is door [gedaagde] niet, althans niet gemotiveerd bestreden. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen als na te melden. In verband met de eisen van proportionaliteit zullen de verboden worden beperkt tot zes maanden na betekening van dit vonnis. De verboden zullen, zoals gevorderd, worden versterkt met een dwangsom die zal worden gematigd.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,64

- griffierecht 73,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 986,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [gedaagde] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis zich te begeven naar en/of zich te bevinden in het gedeelte van de [adres] te [plaats] zoals is aangegeven tussen I en II op de aan dit vonnis gehechte plattegrond ,

5.2. verbiedt [gedaagde] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis anders dan via zijn advocaat - persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins, direct of indirect contact op te nemen met [eiser],

5.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 7.500,- is bereikt,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 986,64,

5.5. bepaalt dat [gedaagde] van voornoemd totaalbedrag aan proceskosten aan de zijde van [eiser], het door hem betaalde griffierecht ad € 73,- en het salaris van zijn advocaat ad

€ 816,- dient te betalen aan [eiser] en de explootkosten ad € 97,64 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, voor welk bedrag hem een nota zal worden gezonden,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2012.

Coll: ESMD