Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7444

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
208814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot afgave van/inzage in documenten (artikel 843a Rv.). Voldoende aannemelijk dat niet méér stukken voorhanden zijn dan al in het geding zijn gebracht. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208814 / HA ZA 10-2412

Vonnis in incident van 16 mei 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TENNET TSO B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SARANNE B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. J.K. de Pree te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

T&D HOLDING,

gevestigd te 92300 Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM GRID S.A.S.,

gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

COGELEX,

gevestigd te 92084 Paris-La Défense Cedex, Frankrijk

5. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM HOLDINGS

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

6. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM SEXTANT 5,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,

gedaagden,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna TenneT c.s. en Alstom c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 29 februari 2012

- de akte in reactie op de conclusie van antwoord in het incident strekkende tot het verschaffen van bepaalde bescheiden ex art. 843a althans 843b Rv. van Altsom c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in het incident

2.1. Alstom c.s. vordert op grond van art. 843a, althans art. 843b Rv., althans art. 21 en 22 Rv. Tennet c.s. te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat TennetT c.s. in gebreke mocht blijven, afschrift dan wel inzage te verschaffen in de volgende bescheiden:

A. bescheiden die onderdeel uitmaken van de tussen Sep en Cogelex Alsthom gesloten overeenkomst:

(1) bestek KT-PRO 93-800, mei 1993;

(2) het protocol, kenmerk KT-PRO 93-823, van de bespreking d.d. 14 april 1993 te Arnhem;

(3) het protocol, kenmerk KT-PRO 93-697, van de bespreking d.d. 26 maart 1993 te Arnhem;

(4) het protocol, kenmerk KT-PRO 93-661, van de bespreking d.d. 19 maart 1993 te Arnhem;

(5) aanbieding, kenmerk GB/pv d.d. 4 maart 1993, betreft: AGS/380 kV station Meeden (prijzenblad) en technische specificaties gedateerd 3 maart 1993;

(6) het protocol, kenmerk KT-PRO 93-242, van de bespreking d.d. 25 en 26 januari 1993 te Arnhem;

(7) het protocol, kenmerk KT-PRO 92-1731, van de bespreking d.d. 21 en 22 december 1992 te Arnhem;

(8) de aanvraag KT-PRO 92-757 d.d. 1992-07-17 van Sep;

(9) het Bestek AGS d.d. 1992-07-17 van Sep;

(10) aanbieding, kenmerk 8118.8589 d.d. 28 oktober 1992;

(11) brief van GEC-Alsthom International kenmerk SD/pv d.d. 21-01-1993.

B. bescheiden die zien op de beweerdelijk door TenneT c.s. geleden schade:

(12) meer informatie waaruit de schade die TenneT c.s. lijdt blijkt.

C. bescheiden die zien op de totstandkoming van de overeenkomst:

(13) documenten of andere werken die betrekking hebben op de aanbestedingsprocedure die in 1992/1993 door Sep is uitgeschreven voor het Gasgeïsoleerd schakelmateriaal (hierna: het GGS) project in Meeden, waaronder:

(a) documentatie, waaronder in ieder geval begrepen verslagen en notulen van beraadslagingen en (telefoon)gesprekken, notities, rapporten, correspondentie etc. van Sep uit de periode voor 1993 waarin de interne besluitvorming van Sep voor de aanschaf van een GGS installatie, in Meeden, inclusief de samenstelling en de herkomst van het budget hiervoor, is weergegeven;

(b) documentatie waarin de kostencalculatie en het terugverdienmodel voor de GGS in Meeden is weergegeven, waaronder accountantsverklaringen, rapporten of onderzoeken dienaangaande;

(c) de offerteaanvraag en ondersteunende documenten uitgeschreven door Sep en de daarop door Sep ontvangen offertes en documentatie;

(d) correspondentie en stukken (conceptovereenkomsten en eventuele aangepaste offertes) gewisseld tussen de gegadigde partijen en Sep naar aanleiding van de uitgebrachte offertes;

(e) de schriftelijke mededelingen van Sep waarin aan een aantal partijen gemotiveerd wordt medegedeeld dat het project niet aan hen wordt gegund;

(f) interne documentatie, waaronder in ieder geval begrepen verslagen en notulen van beraadslagingen en (telefoon)gesprekken, notities, rapporten, correspondentie etc. van Sep waarin wordt gemotiveerd op basis van welke factoren voor het aanbod van Alsthom Cogelex voor een GGS in Meeden is gekozen;

(g) documentatie, waaronder in elk geval begrepen verslagen en notulen van beraadslagingen en (telefoon)gesprekken, notities, rapporten, correspondentie etc. van Sep waarin (een omschrijving van) de prijsonderhandelingen met Alsthom Cogelex zijn weergegeven;

(h) de schriftelijke mededeling van Sep aan Alsthom Cogelex, waarin het GGS Project aan Alsthom Cogelex wordt gegund;

(i) interne documentatie waaronder in ieder geval begrepen verslagen en notulen van beraadslagingen en (telefoon)gesprekken, notities, rapporten, correspondentie etc. van Sep met betrekking tot eventuele kostenbesparende voorstellen van Alsthom Cogelex;

(14) intern gecirculeerde agenda’s, agendastukken, verslagen en notulen van beraadslagingen en (telefoon)gesprekken, notities, rapporten, correspondentie etc. van Sep, welke betrekking hebben op het interne besluitvormingsproces van Sep ten aanzien van de aanbesteding voor een GGS in Meeden, de kandidaten en de door hen uitgebrachte offertes.

D. bescheiden die zien op de (mogelijke) doorberekening van de schade:

(15) interne documentatie en ondersteunende documenten, waaronder in ieder geval interne notities inzake de financiering van de uitbreiding van het koppelnet (waartoe de GGS installatie deel uitmaakt), subsidieaanvragen, berekeningen, rapporten, etc., uit de periode tussen 1989 en 1996 waarin de financiering van de uitbreiding van het koppelnet bij Meeden uiteen is gezet, waaronder kostenoverzichten waaruit blijkt hoe de kosten van de uitbreiding van het hoogspanningsnet bij Meeden zijn verantwoord, afgeschreven of afgewenteld;

(16) berekeningen en bijbehorende documenten ter onderbouwing of verklaring van de kostencomponenten van het Landelijk Basis Tarief (dat Sep aan haar afnemers in rekening bracht) welke in de periode tussen 1992 en 1998 aan de Minister van Economische Zaken, op basis van de Elektriciteitswet 1989, zijn gemeld, in het bijzonder de berekening van de kosten van het koppelnet en de wijze waarop deze in het transporttarief tot uitdrukking zijn gekomen;

(17) documentatie en ondersteunende werken uit de periode 1992-1998 waarin de zogenoemde ‘Sep-kosten’, de ‘vergoeding transport’ alsmede de omstreeks 1994 ingevoerde ‘koppelnet component’ of wel ‘kosten van koppelverbindingen’ in het Landelijk Basis Tarief worden verklaard (waaronder bijvoorbeeld rapporten, presentaties en notities);

(18) documentatie en ondersteunende documenten, waaronder in ieder geval begrepen interne notities, rapporten en correspondentie uit de periode 1992-1998 waaruit blijkt hoe de kosten voor de uitbreiding van het koppelnet zijn verdisconteerd in het Landelijk Basis Tarief of anderszins zijn doorberekend;

(19) berichten van Sep aan haar afnemers over wijzigingen in de prijzen van elektriciteit in de periode 1995-1998;

(20) periodieke kostprijs berekeningen van Sep in de periode 1992-1998 en TenneT in de periode 1998-2005 ten aanzien van het transport van elektriciteit, de margeberekeningen aan afnemers en de maandelijkse omzetcijfers voor het transport van elektriciteit in de periode 1992-1998;

(21) de bijlage getiteld “FEB 1994-1996” (“FEB” staat voor Financieel Economisch Beleidsplan) behorende bij de brief van Sep aan het Ministerie van Economische Zaken van 13 oktober 1993, inclusief de bij het document “FEB 1994-1996” behorende bijlage 1 alsmede de verbandhoudende documentatie waarin de verschillen tussen de kosten op basis van de documenten “FEB 1994-1996” en “FEB 1993-1995” worden verklaard;

(22) de geraamde resultatenrekeningen over de jaren 1993, 1994 en 1995 en ondersteunende documenten, in het bijzonder ten aanzien van de kostenpost “kosten van koppelnetverbindingen”;

(23) berekeningen van kosten en opbrengsten ten aanzien van de zogenoemde “koppelnet component” voor de periode 1995-1998;

(24) de regeling “kostenverdeling koppelnet” welke van toepassing was in de jaren 1993, 1994, 1995 en 1996 en ondersteunende documenten (verklarende documenten zoals de toelichting op de regeling en de totstandkoming daarvan);

(25) documenten van Sep waarin het jaarbedrag wordt berekend (inclusief de kostenposten) voor kosten die niet gedekt kunnen worden via de prijzen voor vermogen en energie en de tarieven voor diensten van het net in de preiode 1992-1998;

(26) accountantsverklaringen waaruit blijkt hoe Sep, Saranne en/of TenneT de GGS installatie hebben afgeschreven in de periode vanaf de koop van de GGS installatie tot en met heden.

E. bescheiden die zien op de bekendheid van TenneT c.s. met het onderzoek van de Europese Commissie sinds 13 mei 2004:

(27) alle documenten in het bezit van TenneT c.s. die verband houden met het onderzoek van de Europese Commissie betreffende zaak COMP/F/38.899 – Gas Insulated Switchgear, waaronder bijvoorbeeld vragenlijsten van de Commissie of nationale mededingingsautoriteiten en de antwoorden van TenneT, Saranne of Sep daarop, die dateren uit de periode voor 24 januari 2007.

2.2. Alstom c.s. onderbouwt haar vordering als volgt. Zij stelt dat zij bepaalde bescheiden van TenneT c.s. nodig heeft om haar verweer inhoudelijk te kunnen onderbouwen. Zij baseert zich daarbij primair op het bepaalde in art. 843a en 843b Rv. en verzoekt subsidiair om toepassing van het bepaalde in art. 21 en 22 Rv. Alstom c.s. stelt dat zij een rechtmatig belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij daarmee haar rechtspositie kan bepalen.

2.3. TenneT c.s. voert verweer, waarop hierna wordt ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 843a Rv. niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van enkele cumulatieve vereisten. Ingevolge lid 1 van genoemd artikel moet de eiser in elk geval een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of een uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij of zijn rechtsvoorganger partij is; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad.

3.2. Het ligt op de weg van de partij die exhibitie verlangt om aannemelijk te maken dat de verwezenlijking en handhaving van het materiële recht de gevraagde exhibitie verlangt. Artikel 843a Rv. heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar niet in haar bezit. In dat geval bestaat een bijzondere exhibitieplicht.

3.3. Artikel 843b Rv. bepaalt dat degene die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop dit verloren bewijsmiddel betrekking heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van die bescheiden. Daarbij heeft te gelden dat het moet gaan om documenten waarvan de inhoud wel bekend is aan degene die om inzage, uittreksel of afschrift daarvan vraagt. Op grond van dit artikel kan geen inzage worden gevraagd van documenten waarvan een partij vermoedt dat die wel eens steun zouden kunnen bieden aan zijn stellingen.

3.4. TenneT c.s. heeft bij antwoordconclusie als productie 18 een groot aantal documenten in het geding gebracht. Zij voert aan dat dit alle stukken zijn, die zij in het kader van haar onderzoek naar mogelijk relevante stukken ten aanzien van de vordering jegens Alstom c.s. heeft gevonden. Meer of andere stukken zijn niet (meer) in haar bezit. Sep hanteerde tot eind 1995 een archiefsysteem waarbij bepaalde documenten werden ingescand en op beeldplaten werden opgeslagen. Dit systeem is door Sep na november 1995 niet meer actief gebruikt. Na 1995 zijn de verschillende afdelingen binnen Sep zelf verantwoordelijk gemaakt voor de archivering. De beeldplaten van het oude archiveringssysteem zijn in 2005 vernietigd, aldus TenneT c.s.

TenneT c.s. stelt bij de verschillende afdelingen te zijn nagegaan of deze de door Alstom c.s. gevraagde bescheiden in hun archief hadden. De bescheiden die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen zijn door TenneT c.s. in het geding gebracht. TenneT c.s. onderbouwt deze stellingen met een verklaring van de archiefbeheerder van TenneT/Sep, de heer Niehof.

3.5. In haar reactie op deze stellingen van TenneT c.s. stelt Alstom c.s. – samengevat - dat TenneT c.s. onvoldoende moeite heeft gedaan om de gevraagde stukken boven water te krijgen en onvoldoende onderbouwd heeft weersproken dat zij over de gevraagde documenten beschikt. Zij wijst daarbij op verschillende uitspraken van de rechtbank Amsterdam, waarin wordt overwogen dat op degene van wie stukken worden gevorderd een vergaande verplichting rust om die stukken te vinden.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat TenneT c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat meer stukken dan zij thans in het geding heeft gebracht niet meer voorhanden zijn. Nu een wettelijke bewaarplicht geldt van 7 jaar is dat ook niet vreemd. De gevraagde stukken dateren immers vrijwel allemaal van voor 2005. Het grootste deel dateert zelfs van voor 1998. Dat is inmiddels 7 respectievelijk 14 jaar geleden. Alstom c.s. heeft stukken uit die tijd, die zij deels zelf ook in haar bezit heeft gehad, inmiddels ook niet meer voorhanden. De onderbouwing die TenneT c.s. geeft voor het niet langer voorhanden zijn van de stukken heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt door overlegging van de verklaring van de archiefbeheerder. Dat deze bescheiden zich bij een derde zouden bevinden en aldaar zouden moeten worden opgevraagd door TenneT c.s., zoals Alstom c.s. nog stelt, is door Alstom c.s. niet onderbouwd. Dit wordt gepasseerd.

3.7. TenneT c.s. heeft nog aangevoerd dat zij ten tijde van het indienen van de conclusie van antwoord nog steeds aan het onderzoeken was of bescheiden voorhanden konden komen en dat zij – indien dat het geval zou zijn – deze binnen vier weken na het nemen van deze conclusie aan Alstom c.s. zou doen toekomen. De rechtbank constateert dat dat verdere onderzoek niets heeft opgeleverd, nu geen nadere stukken zijn toegezonden aan de rechtbank of Alstom c.s. Dat TenneT c.s. nog aanvullend onderzoek heeft verricht doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen, omdat daarmee nog niet aannemelijk is geworden dat zij wel zou beschikken over meer bescheiden dan zij thans in het geding heeft gebracht.

3.8. Met betrekking tot de bescheiden die zien op de bekendheid van TenneT c.s. met het onderzoek van de Europese Commissie sinds 13 mei 2004 is door TenneT c.s. eveneens gemotiveerd bestreden dat deze bij haar voorhanden zijn en is door TenneT c.s. in voldoende mate onderzoek verricht door haar archiefbeheerder. Daarnaast merkt TenneT c.s. ten aanzien van deze bescheiden terecht op dat niet gezegd kan worden dat dit ‘bepaalde bescheiden’ betreft, als bedoeld in art. 843a Rv.

3.9. De rechtbank is overigens van oordeel dat de documenten in categorie B niet voldoen aan het criterium ‘bepaalde bescheiden’. Ten aanzien van de documenten in categorie D geldt daarbij dat de vordering van art. 843a Rv. niet is bedoeld om tijdens een reeds aanhangig geding de bewijslevering naar voren te halen.

3.10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het gevorderde zal afwijzen.

3.11. Hetgeen onder r.ov. 3.5. is overwogen geldt ook met betrekking tot de overige grondslagen waarop Alstom c.s. haar vordering subsidiair baseert.

3.12. Nu TenneT c.s. - voor zover mogelijk - aan het gevorderde heeft voldaan en zich daarmee de facto met betrekking tot de kern van de vordering heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, en de vordering van Alstom c.s. verder zal worden afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

3.13. De rechtbank ziet geen aanleiding om, in afwijking van art. 337 Rv., hoger beroep open te stellen tegen dit vonnis.

4. In de hoofdzaak

4.1. De hoofdzaak zal voor het nemen van een conclusie van antwoord op de rol worden geplaatst.

4.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen,

in de hoofdzaak

5.3. plaatst de zaak op de rol van 20 juni 2012 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Alstom c.s.,

5.4. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom, mr. N.W. Huijgen en mr. G. J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.