Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7441

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
194615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN:BQ9411. Vochtschade aan lading na reiniging tankcontaineroplegger. Kravag heeft haar na de bewijslevering ingenomen nieuwe stelling onvoldoende onderbouwd en wordt daarom niet tot het bewijs daarvan toegelaten. Wel wordt haar te bewijzen opgedragen dat H&S de luchtleidingen na de reiniging had moeten drogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 194615 / HA ZA 09-2387

Vonnis van 9 mei 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

KRAVAG-LOGISTIC VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H&S CLEANING B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna Kravag en H&S worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 februari 2012

- de akte na tussenvonnis van H&S.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 8 juni 2011 heeft de rechtbank aan Kravag het bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Bositra en H&S zijn overeengekomen dat H&S ook de slangen moest drogen.

2.2. Tijdens de daarop volgende enquête en contra-enquête en uit de conclusies na enquête is gebleken dat partijen ervan uitgaan dat de schade aan de lading is veroorzaakt door water in de luchtleidingen en niet door water in de slangen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 februari 2012 beslist dat zij dit daarom bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt zal nemen.

2.3. Bij datzelfde tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie na enquête door H&S over hetgeen onder 2.6-2.7 van dat tussenvonnis is vermeld. Het betreft de nieuwe stellingen van Kravag in haar conclusie na enquête, namelijk dat Bositra aan H&S niet de opdracht heeft verstrekt tot het reinigen en drogen van de luchtleidingen, dat de chauffeur daarom niet hoefde te verwachten dat de luchtleidingen door H&S met water waren gevuld en dat hij dit na de uitvoering van de reinigingswerkzaamheden dan ook niet zelf hoefde te controleren en dat het achterblijven van water in de luchtleidingen daarom moet worden aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming van H&S, die in causaal verband staat met de ingetreden schade aan de lading.

2.4. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft H&S een akte genomen. Daarin heeft zij aangevoerd, samengevat, dat de voornoemde stellingen van Kravag onjuist zijn. Volgens H&S verdraait Kravag haar stellingen, door eerst bij dagvaarding te stellen dat de schade zou zijn ontstaan doordat H&S de tankcontainer en het leidingsysteem niet zou hebben gedroogd en vervolgens – bij gelegenheid van de getuigenverhoren – te stellen dat niet de tankcontainer en de slangen water bevatten maar dat de schade zou zijn veroorzaakt doordat de luchtleidingen niet zouden zijn gedroogd. Volgens H&S volgt uit de getuigenverhoren en de conclusie na enquête dat Kravag niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, zodat haar vordering al om die reden moet worden afgewezen. Bij haar conclusie na enquête verdraait Kravag volgens H&S opnieuw haar stellingen, door te stellen dat het reinigen en drogen van de luchtleidingen niet onder de overeenkomst viel en dat de schade is ontstaan doordat H&S toch de luchtleidingen zou hebben gereinigd. Die stelling van Kravag is volgens H&S niet alleen onjuist, maar ook te laat aangevoerd. H&S heeft bij haar akte een kopie van de opdrachtbon overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat Bositra H&S opdracht heeft gegeven voor het reinigen van de luchtleidingen. H&S volhardt in haar standpunt dat zij nooit luchtleidingen droogt en dat zij de overeengekomen werkzaamheden conform opdracht heeft uitgevoerd.

2.5. De rechtbank begrijpt de onder 2.3 weergegeven, nieuwe stellingname van Kravag aldus, dat de toerekenbare tekortkoming van H&S volgens Kravag inhoudt dat H&S, zonder dat zij daartoe opdracht had gekregen, de luchtleidingen heeft gereinigd, waarbij – doordat H&S de luchtleidingen na de reiniging niet heeft gedroogd – water in die leidingen is achtergebleven. De grondslag van de vordering is dus nog altijd wanprestatie, in die zin dat H&S volgens Kravag haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. H&S maakt weliswaar bezwaar tegen de nadere stellingname van Kravag, maar omdat H&S inhoudelijk op die nadere stellingname van Kravag heeft kunnen reageren en zij in haar akte ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, is zij niet in haar procesbelang geschaad. De rechtbank gaat dan ook aan de bezwaren van H&S voorbij.

2.6. Kravag beroept zich op het rechtsgevolg van haar nieuwe stelling, namelijk het rechtsgevolg dat H&S schadeplichtig is. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. berust de bewijslast van de stelling dat de reiniging van de luchtleidingen niet was overeengekomen dan ook op Kravag. Ter onderbouwing van die stelling heeft Kravag er in haar conclusie na enquête op gewezen dat op het European Cleaning Document de codes E60 (reinigen luchtleidingen) en E64 (reinigen en drogen bovenste luchtleiding) niet staan vermeld. Hieruit leidt Kravag af dat Bositra aan H&S geen opdracht heeft verstrekt voor het reinigen van de luchtleidingen.

2.7. Op het moment dat Kravag de hierboven bedoelde nieuwe stelling innam, hadden zowel de getuige in de enquête, [getuige1], als de getuige in de contra-enquête, [getuige2], al verklaard dat Bositra en H&S de reiniging van de luchtleidingen wél waren overeengekomen.

2.8. De getuige [getuige1] heeft immers verklaard:

Wat H&S had moeten doen is of zelf met een hete luchtsysteem het water uit de luchtleidingen blazen of als zij zo’n systeem niet hebben, de chauffeur de gelegenheid geven zijn compressor aan te sluiten op de luchtleidingen en zo hem de luchtleidingen droog te laten blazen. De compressor is een onderdeel van de trekker. Het drogen duurt zo’n 10 minuten.

Het probleem is hier dat zowel H&S als de chauffeur ervoor hadden moeten zorgen dat de luchtleidingen gedroogd waren. Ze hebben allebei zitten slapen. Beladers laden een vrachtwagen niet zonder dat de luchtleidingen gereinigd en gedroogd zijn […].

U vraagt mij waaruit blijkt dat H&S ook de luchtleidingen moest drogen. Dit blijkt uit het feit dat dit de gewoonte was tussen H&S en Bositra en overigens ook tussen alle andere transportbedrijven en reinigingsstations. Het drogen van de luchtleidingen is geen extra procedure. Op het desbetreffende formulier staat rechtsboven P10-P30. Dit zijn de normale procedures en hieronder valt ook het drogen van de luchtleidingen.

2.9. De getuige [getuige2] heeft in dit verband verklaard:

Wij spoelen wel de luchtleidingen, maar het drogen doet de chauffeur met zijn compressor. Deze compressor zit op de trekker. Wij hebben niet de apparatuur om die leidingen te drogen. De aansluitingen op de wagen zijn ook allemaal verschillend […]. Er zijn meerdere redenen waarom H&S luchtleidingen niet droogt. In de eerste plaats hebben wij er de apparatuur niet voor en in de tweede plaats verschilt het luchtleidingensysteem per wagen. Zo verschilt het aantal hendels en ook de kant waar luchtleidingen heen gaan. De reiniger kan dus niet hiervoor verantwoordelijkheid dragen […].

Als een chauffeur vraagt om de luchtleidingen te spoelen, wordt dat in sommige gevallen genoteerd op het ECD. Per opdrachtgever kan de standaardprocedure verschillen. Voor Bositra geldt de normale reiniging als standaardprocedure. Het spoelen van de luchtleidingen wordt met een code genoteerd op het ECD. De code P10-P30 is de standaard. Op het ECD voor Bositra van de BV-HV-99 staat niet dat de luchtleidingen moesten worden gespoeld, maar het is wel gebeurd. U vraagt mij waarom het dan niet op het formulier staat. Er kan tijdens het spoelen om zijn gevraagd. Het spoelen van de luchtleidingen kost ook niets extra’s. Achterop het ECD staat de code voor het spoelen van luchtleidingen. Dit is E60 […].

Ik heb maar één conclusie: het is de verantwoordelijkheid van de chauffeur. Er is nergens in Europa een reiniger die luchtleidingen droogt.

2.10. Bij deze getuigenverklaringen komt nog het feit dat de code E64 – waarnaar Kravag verwijst, maar waarvan het bestaan door H&S wordt betwist – niet staat vermeld in het overzicht van “Tank Cleaning Codes” op de achterzijde van het European Cleaning Document dat H&S tijdens de contra-enquête in kopie in het geding heeft gebracht. Het bestaan van een code voor het (reinigen en) drogen van de bovenste luchtleidingen is daarmee niet komen vast te staan, nog daargelaten dat die code alleen betrekking zou hebben op de bovenste luchtleidingen. Uit het ontbreken van de code E64 op het European Cleaning Document kan dan ook, anders dan Kravag meent, niet worden afgeleid dat geen opdracht is verstrekt voor de reiniging van de luchtleidingen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de code E60 niet op het European Cleaning Document is genoteerd. De getuige [getuige2] heeft daarvoor immers een afdoende verklaring gegeven, namelijk dat er tijdens de reiniging van de oplegger om het spoelen van de luchtleidingen kan zijn gevraagd en dat het spoelen van luchtleidingen ook niets extra’s kost.

2.11. Gelet op de getuigenverklaringen en hetgeen hierboven is overwogen over het ontbreken van de codes E60 en E64 op het European Cleaning Document heeft Kravag naar het oordeel van de rechtbank haar stelling, dat het reinigen van de luchtleidingen niet was overeengekomen, onvoldoende onderbouwd. Er bestaat dan ook geen grond om Kravag tot het bewijs van haar stelling toe te laten. Daarmee staat nu in rechte vast dat Bositra en H&S zijn overeengekomen dat H&S de luchtleidingen zou reinigen.

2.12. Tussen partijen staat vast dát H&S de luchtleidingen heeft gereinigd. Ook staat tussen hen vast dat H&S de luchtleidingen niet heeft gedroogd. De vraag is alleen wie de luchtleidingen had moeten drogen. Kravag stelt zich op het standpunt dat H&S dit had moeten doen, terwijl H&S stelt dat het niet aan haar, maar aan de chauffeur was om de luchtleidingen te drogen. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust op Kravag de bewijslast van haar stelling. Dit bewijs zal haar worden opgedragen.

2.13. Slaagt Kravag erin te bewijzen dat H&S de luchtleidingen had moeten drogen, dan staat daarmee de tekortkoming van H&S vast. Dan rijst de vraag naar de toerekenbaarheid van de tekortkoming. H&S heeft zich in dat verband beroepen op artikel 8 van de ATCN-voorwaarden, waarin de uitsluiting dan wel beperking van haar aansprakelijkheid is neergelegd. Kravag betwist echter dat de ATCN-voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. In het tussenvonnis van 8 juni 2011 (r.o. 4.10) heeft de rechtbank al overwogen dat de bewijslast in dezen rust op H&S.

2.14. Indien Kravag niet slaagt in het bewijs dat H&S de luchtleidingen had moeten drogen, dan moet haar vordering worden afgewezen. Het niet drogen van de luchtleidingen levert dan immers geen tekortkoming van H&S in de nakoming van de overeenkomst op.

2.15. In afwachting van de bewijslevering door Kravag als bedoeld onder 2.12 zal de rechtbank het bewijs als bedoeld onder 2.13 op dit moment nog niet aan H&S opdragen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

2.16. Indien Kravag bewijs wenst te leveren door middel van het horen van getuigen geldt het volgende. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld een uur duurt. De namen en woonplaatsen van de (maximaal drie) getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.

2.17. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom ter zitting zijn vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

2.18. In afwachting van de bewijslevering zal nu iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. draagt Kravag op te bewijzen dat H&S de luchtleidingen na de reiniging had moeten drogen,

3.2. bepaalt dat, voor zover Kravag dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 mei 2012 voor het opgeven door Kravag van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2012, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.4. verwijst voor het geval Kravag op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien Kravag daarom op de onder 3.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Kravag, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

3.5. bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

3.6. bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank moeten hebben toegezonden,

3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.

Coll.: JC