Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7438

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
221086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met het gebruik van de naam Agriom B.V. is slordig omgesprongen, is ter comparitie erkend. Dat wil het rechtspersonenrecht nu juist voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat AIP er op mocht vertrouwen dat haar contractspartner en de werkgever van betrokkene 1 dezelfde rechtspersoon was en dat dit Agriom B.V. was. Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van Agriom Trade in haar vorderingen leiden.

Waar partijen echter in dit proces en ook in hun onderhandelingen vooral verdeeld worden gehouden over de uitleg van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden zal de rechtbank ten overvloede op deze uitleg ingaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2012/366
OR-Updates.nl 2012-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 221086 / HA ZA 11-1354

Vonnis van 9 mei 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRIOM TRADE B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

eiseres,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRI INFORMATION PARTNER B.V.,

gevestigd te Wageningen,

gedaagde,

advocaat mr. H.E. ter Horst te Zwolle.

Partijen zullen hierna Agriom Trade en AIP genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 januari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 25 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op of omstreeds 13 maart 2006 sluiten AIP en Agriom B.V., die ook handelt onder de naam Agriom Beheer en die de moedermaatschappij van Agriom Trade is, met elkaar een dienstverlenings-/gebruiksrechtovereenkomst met betrekking tot de software E-Brida versie 1.1 en OutSide Server 3.0.0. Deze software van AIP wordt bestemd voor gebruik in het bloemen- en plantenveredelingsbedrijf van haar wederpartij.

2.2. Van de overeenkomst maken de door AIP gehanteerde Fenitvoorwaarden deel uit. Zij bevatten in art. 3.1 een vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsclausule. Art. 3.2 luidt:

Elk der partijen zal gedurende de looptijd van de overeenkomst evenals één jaar na beëindiging daarvan slechts na voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij, medewerkers van de andere partij die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van de overeenkomst, in dienst nemen dan wel anderszins, direct of indirect voor zich laten werken. Leverancier zal de betreffende toestemming in voorkomend geval niet onthouden indien cliënt een passende schadeloosstelling heeft aangeboden.

2.3. Vanaf oktober 2000 is mevrouw [betrokkene1] als veredelaar in dienst bij – volgens de tekst van de arbeidsovereenkomst – Agriom B.V. Bij haar werkzaamheden is zij gebruik gaan maken van de hierboven genoemde software. Zij maakte deel uit van een klein team van inhoudelijk leidinggevenden, die onder meer kaspersoneel aansturen bij plantenveredeling.

2.4. Bij brief van 27 februari 2011 zegt mevrouw [betrokkene1] haar baan bij Agriom B.V. op tegen 1 mei van dat jaar. Kort daarop vindt overleg plaats tussen de heer Smaal, directeur van Agriom B.V. en AIP.

2.5. Bij brief van 11 april 2011 wijst de advocaat van Agriom B.V., mr. Gerritsen, AIP erop dat [betrokkene1] gebonden is door een geheimhoudingsverplichting en een non-concurrentiebeding (art. 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst). Voorts wijst hij op de onder 2.1 hierboven bedoelde overeenkomst en de Fenitvoorwaarden – er ligt geen schriftelijke toestemming van Agriom B.V. in de zin van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden – en stelt hij dat AIP tekortschiet tegenover Agriom B.V. door [betrokkene1] in dienst te nemen. Agriom B.V. verbiedt AIP [betrokkene1] in dienst te nemen.

2.6. Er volgt een bespreking tussen partijen op 12 april 2011 ten kantore van mr. Gerritsen. Deze stelt daarna een concept-vaststellingsovereenkomst op, maar partijen bereiken geen overeenstemming.

2.7. [betrokkene1] treedt per 1 mei 2011 bij AIP in dienst.

3. Het geschil

3.1. Agriom Trade stelt dat zij als gevolg van het tekortschieten van AIP bij de naleving van haar verplichtingen tegenover Agriom Trade zoals die blijken uit de artt. 3.1 en 3.2 van de Fenitvoorwaarden, schade heeft geleden, bestaande in omzet- en winstverlies. Zij vordert samengevat:

- een verklaring voor recht dat AIP onrechtmatig jegens Agriom Trade heeft gehandeld c.q. toerekenbaar jegens haar is tekortgeschoten door te handelen in strijd met art. 3 van de Fenitvoorwaarden,

- een verklaring voor recht dat AIP gehouden is tot nakoming van deze verplichtingen op straffe van een niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van € 25.000,00 en € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat AIP deze verplichtingen na betekening van het vonnis in deze zaak overtreedt,

- een verklaring voor recht dat AIP aldus schadeplichtig is geworden en gehouden is de door Agriom Trade geleden en nog te lijden schade te vergoeden,

- veroordeling van AIP tot betaling aan Agriom Trade van € 35.000,00 als voorschot op deze schade,

- veroordeling van AIP tot vergoeding van de door Agriom Trade geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- veroordeling van AIP om de dienstbetrekking met mevrouw [betrokkene1] te beëindigen op straffe van een dwangsom,

- een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. AIP voert verweer. Samengevat stelt zij primair dat zowel [betrokkene1] als zij met Agriom B.V. en niet met Agriom Trade gecontracteerd hebben. Subsidiair betwist zij het onrechtmatig handelen danwel tekortschieten waarop Agriom Trade zich beroept. Deze betwisting grondt zij op de bewoordingen en de strekking van de Fenitvoorwaarden en de stelling dat [betrokkene1] niet bij de uitvoering van de overeenkomst was betrokken. Zij stelt dat niet in strijd met de Fenitvoorwaarden is gehandeld en betwist dat Agriom Trade schade heeft geleden.

3.3. Op de verdere stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in.

4. De beoordeling

4.1. De eerste vraag is of Agriom Trade wel de goede rechtspersoon is om als eiseres op te treden.

4.2. In alle hierboven opgesomde feiten is steeds sprake van een partij die als Agriom B.V. wordt aangeduid, de officiële naam van de beheermaatschappij die als handelsnaam ook Agriom Beheer gebruikt. Agriom wordt weliswaar volgens het handelsregister als handelsnaam gebruikt door Agriom Trade, maar van die handelsnaam zonder ‘B.V.’ is nergens sprake, behalve in de concept-vaststellingsovereenkomst waarin nu juist expliciet Agriom B.V. als Agriom wordt aangeduid. Agriom B.V. was, zo is ter comparitie gebleken, ook eiseres in een voor oktober 2011 aangezegd kort geding. Dat de desbetreffende dagvaarding is ingetrokken verandert daar – nu niet is gesteld of gebleken dat daarbij aan AIP duidelijk gemaakt is dat er wat de naam betreft van een fout sprake was – niets aan.

4.3. AIP heeft volgens de heer [betrokkene2] ter comparitie steeds haar facturen aan Agriom B.V. gezonden. Zelfs als dit anders was en/of als op die facturen betaald is door Agriom Trade, behoeft daarmee AIP nog niet duidelijk te zijn dat Agriom Trade haar contractspartner in de onder 2.1 bedoelde overeenkomst en de werkgever van [betrokkene1] was.

4.4. Met het gebruik van de naam Agriom B.V. is slordig omgesprongen, is ter comparitie erkend. Dat wil het rechtspersonenrecht nu juist voorkomen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat AIP er op mocht vertrouwen dat haar contractspartner en de werkgever van [betrokkene1] dezelfde rechtspersoon was en dat dit Agriom B.V. was. Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van Agriom Trade in haar vorderingen leiden.

4.5. Waar partijen echter in dit proces en ook in hun onderhandelingen vooral verdeeld worden gehouden over de uitleg van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden zal de rechtbank ten overvloede op deze uitleg ingaan.

4.6. Daarbij merkt de rechtbank allereerst op dat ter comparitie onvoldoende is komen vast te staan dat AIP tegenover Agriom B.V. erkend heeft dat zij de Fenitvoorwaarden overtreden heeft. Niet valt uit te sluiten, zoals de rechtbank ter comparitie al aangegeven heeft, dat AIP in de onder 2.4 en 2.6 bedoelde gesprekken, waarin voor haar het herstellen en bestendigen van de relatie met Agriom B.V. voorop stond, de indruk heeft gewekt niet alleen het standpunt van Agriom B.V. te begrijpen, maar dit ook te delen. Bovendien staat het AIP vrij haar juridische stellingname te wijzigen.

4.7. In de dagvaarding somt Agriom Trade de werkzaamheden van [betrokkene1] op, die verband houden met veredelingsprogramma’s en onder meer met de daarmee samenhangende patenten en kwekersrechten. Zij wijst hierbij op de vertrouwensband die met AIP ontstaan is doordat de onder 2.1 bedoelde overeenkomst AIP op de hoogte bracht van onder meer de klantenbestanden van haar wederpartij, terwijl de software rechtstreeks de verdelingsprocessen betrof waarbij [betrokkene1] intensief betrokken was. Dit alles leidt tot het vermoeden dat [betrokkene1] in de zin van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden betrokken was bij de uitvoering van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst, terwijl de uitvoering hiervan vertrouwelijke gegevens ter kennis van AIP kon brengen waarover zeker ook [betrokkene1] kon beschikken.

4.8. De uitleg die AIP aan art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden geeft, houdt allereerst in dat de intentie van het artikel is dat zij, AIP, wordt beschermd tegen het aftroggelen van haar werknemers door haar klanten. Hierin gaat AIP volledig voorbij aan de overduidelijk wederkerige strekking van de bepaling. Deze beschermt beide partijen bij de overeenkomst over en weer tegen het aftroggelen van werknemers, zoals volgt uit de woorden ‘Elk der partijen zal (…) slechts na voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij, medewerkers van de andere partij (…)’. Enige beperking tot AIP, die in deze Fenitvoorwaarden als ‘de Leverancier’ wordt aangeduid, kan hier niet in gelezen worden. Nu AIP nalaat aan te geven waarom dat anders zou zijn, verwerpt de rechtbank haar hier bedoelde betoog.

4.9. Vervolgens betoogt AIP dat [betrokkene1] niet in de zin van art. 3.2 als een van de ‘medewerkers (…) die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van de overeenkomst’ kan worden gezien. Volgens AIP is het uitvoeren van de overeenkomst uitsluitend het leveren van de software. Voor zover deze stelling samenhangt met de stelling die onder 4.8 verworpen is – kort gezegd de eenzijdige betekenis van art. 3.2 – verwerpt de rechtbank ook deze stelling.

4.10. Waar het bij de onder 2.1 bedoelde overeenkomst in wezen gaat om de levering van een gebruiksrecht, zoals blijkt uit de eerste zin van de aanbieding die AIP destijds aan Agriom B.V. heeft gedaan, is de uitvoering van de overeenkomst aan de kant van Agriom Trade dus ook het toepassen van dit gebruiksrecht. Daarom kunnen de feitelijke gebruikers van de software, waaronder zeker de veredelaars en hun leidinggevenden vallen, niet anders worden gezien dan als betrokken bij de uitvoering van deze overeenkomst. Dit is de logische conclusie uit de tekst van art. 3.2. Ook hier geldt dat nu AIP nalaat aan te geven waarom dat anders zou zijn, de rechtbank haar hier bedoelde betoog verwerpt.

4.11. AIP betoogt dat zij tweemaal een passend aanbod heeft gedaan in de betekenis van de laatste zin van art. 3.2: ‘Leverancier zal de betreffende toestemming in voorkomend geval niet onthouden indien cliënt een passende schadeloosstelling heeft aangeboden’. Hier gaat het echter niet om een wederkerige verplichting, maar uitsluitend om een toezegging van ‘de Leverancier’, AIP, voor het geval een werknemer van haar wordt afgetroggeld. Daarbij zal ook AIP als die situatie zich voordoet, ‘passend’ uitleggen als ‘voor beide partijen aanvaardbaar’. Kennelijk was haar aanbod dat niet voor Agriom B.V.

4.12. Tot zover de overwegingen ten overvloede. Deze zijn vooral gegeven om partijen houvast te geven bij eventuele onderhandelingen. Partijen zullen nu tot een schikking komen of willen doorprocederen. Zij krijgen de gelegenheid zich hierover uit te laten. Daarbij kunnen zij wanneer een schikking wordt bereikt, ervoor kiezen de zaak te laten doorhalen of via de griffie te vragen een vaststellingsovereenkomst vast te leggen in een proces-verbaal van comparitie. Willen zij doorprocederen, waartoe over en weer stellingen gewijzigd zullen moeten worden, dan kan dat beginnen met een akte van Agriom Trade zoals hieronder aangegeven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 mei 2012 voor het nemen van een akte door Agriom Trade over hetgeen is vermeld onder 4.12, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.