Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW7436

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
206419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN:BR6036. Na bewijslevering oordeelt de rechtbank dat Deloitte en Van der Stap Notarissen er, gegeven de omstandigheden, gerechtvaardigd van uit mochten gaan dat Deloitte namens De Leeuw Holding optrad. De Leeuw Holding is echter niet geslaagd in het bewijs dat Deloitte niet bevoegd was aan Van der Stap opdracht te verstrekken tot het verrichten van de notariële werkzaamheden. De nadere verweren worden verworpen. Vordering tot nakoming van overeenkomst van opdracht (betaling facturen) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206419 / HA ZA 10-1969

Vonnis van 2 mei 2012

in de zaak van

de burgerlijke maatschap

VAN DER STAP NOTARISSEN,

wonende te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LEEUW HOLDING B.V.,

gevestigd te Bemmel, gemeente Lingewaard,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Willard te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Van der Stap Notarissen en De Leeuw Holding genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 juni 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 november 2011;

- de rolverwijzing van 19 december 2011;

- de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van Van der Stap Notarissen;

- de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van De Leeuw Holding.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis d.d. 29 juni 2011 (hierna: het tussenvonnis) is aan zowel Van der Stap Notarissen als aan De Leeuw Holding een bewijsopdracht verstrekt.

2.2. Van der Stap Notarissen is opgedragen te bewijzen dat Deloitte haar namens De Leeuw Holding opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de notariële werkzaamheden, zoals onder 2.2. in het tussenvonnis genoemd.

2.3. De Leeuw Holding is reeds, voor het geval Van der Stap Notarissen zou slagen in haar bewijsopdracht, opgedragen te bewijzen dat Deloitte niet bevoegd was aan Van der Stap Notarissen opdracht te verstrekken tot het verrichten van de notariële werkzaamheden, zoals onder 2.2. in het tussenvonnis genoemd.

2.4. Ter uitvoering van haar bewijsopdracht heeft Van der Stap Notarissen twee getuigen laten horen, te weten de heer [getuige1] (hierna: [getuige1]) en de heer [getuige2] (hierna: [getuige2]). De Leeuw Holding heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

2.5. De rechtbank zal thans onderzoeken of Van der Stap Notarissen is geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs.

2.6. Getuige [getuige1] heeft ondermeer het volgende verklaard:

Ik heb tot december 2010 als kandidaat-notaris gewerkt bij Van der Stap Notarissen (…)

Ik werd gebeld door Wouter [getuige2], die werkzaam was bij Deloitte. Wij deden wel vaker zaken. Hij vroeg mij een aantal bv’s op te richten in verband met die herstructurering (…)

[getuige2] heeft mij niet verteld in welke hoedanigheid hij die opdracht gaf. Hij zei alleen voor welke cliënt hij de herstructurering zou doen. Zo ging het wel vaker. In mijn perceptie heb ik de opdracht gekregen van de cliënt van [getuige2]. Die perceptie is gebaseerd op het feit dat het altijd zo ging. Wij hadden haast. Wij hadden nog niet eens alle gegevens van de achterliggers. Ik heb de eerder genoemde formulieren met de opdrachtbevestiging verstuurd naar [getuige2] met het verzoek die formulieren in te vullen (…) De opdrachtbevestiging hoefde niet te worden getekend (…)

Ik heb niet met [getuige2] besproken of hij bevoegd was de opdracht te geven. Dat deed ik nooit, dat doe ik nog steeds niet (…)

We zijn zeker twee maanden bezig geweest. Ik heb nooit de indruk gekregen dat hij niet bevoegd was (…)

Op enig moment zijn de facturen verstuurd. Ik weet niet meer precies aan wie, maar wel dat het was aan een vennootschap die was gelieerd aan De Leeuw (…)

Ik heb nooit gedacht dat ik de rekening voor de te verrichten werkzaamheden aan Deloitte moest sturen (…)

Voor zover ik weet worden door Deloitte nooit opdrachten aangenomen inclusief notariële kosten.

2.7. Getuige [getuige2] heeft ondermeer het volgende verklaard:

Ik was in de periode na de zomer van 2008 tot april 2010 werkzaam bij Deloitte (…)

Ik heb aan De Leeuw gevraagd of hij een eigen notaris had waarmee hij werkte of dat wij een notaris zouden voorstellen waarvan wij wisten dat hij de zaken professioneel zou uitvoeren. Het antwoord was dat het goed was dat ik daar een andere partij voor zou voorstellen (…) Ik denk dat ik toen meteen de naam van Van der Stap heb genoemd.

Ik heb op dat moment niet besproken voor wie de kosten van de notariële werkzaamheden zouden zijn. In ons voorstel hadden wij vrij nauwkeurig beschreven wat wij binnen de opdrachtbevestiging zouden doen. Het vloeit daaruit voort dat wat er niet in stond buiten onze opdracht viel. Dat is ook gebruikelijk. Ik kan niet zeggen of dat gebruik bekend was bij De Leeuw. Ik kom het in de praktijk alleen nooit tegen dat een accountant notariële werkzaamheden mee offreert (…)

Ik had in elk geval ook geen rekening verwacht van Van der Stap voor Deloitte.

2.8. Alvorens te onderzoeken of Van der Stap Notarissen geslaagd geacht kan worden in het leveren van het haar opgedragen bewijs, overweegt de rechtbank dat, anders dan dat De Leeuw Holding heeft betoogd in haar conclusie na enquête, de verklaring van [getuige1] niet aangemerkt moet worden als een partijgetuigenverklaring. Als partij-getuige dient te worden aangemerkt: de natuurlijk persoon, die op grond van de omstandigheden van het geval moet worden vereenzelvigd met de materiële partij te wiens behoeve hij als getuige optreedt (Hoge Raad, 22 december 1995, LJN: ZC1932). Nu [getuige1] heeft verklaard als kandidaat-notaris in dienst geweest te zijn van de burgerlijke maatschap Van der Stap Notarissen, kan niet gezegd worden dat hij vereenzelvigd moet worden met de maatschap te wiens behoeve hij als getuige optreedt. De verklaring van [getuige1] heeft derhalve volledige bewijskracht.

2.9. Met betrekking tot deze twee getuigenverklaringen geldt het volgende. [getuige1] heeft verklaard dat, hoewel [getuige2] hem niet verteld heeft in welke hoedanigheid hij de opdracht tot het verrichten van notariële werkzaamheden gaf, hij wel de perceptie had dat Van der Stap Notarissen de opdracht gekregen had van de cliënt van Deloitte (de rechtbank: De Leeuw Holding). Deze perceptie is gebaseerd op het feit dat het vaker zo ging. Ten aanzien van de facturen voor de verleende diensten verklaart [getuige1] dat deze volgens hem verzonden zijn aan een aan De Leeuw Holding gelieerde vennootschap en dat hij ook nooit gedacht had dat hij de facturen voor de werkzaamheden van Van der Stap Notarissen moest versturen aan Deloitte. [getuige1] verklaart bovendien nog dat, voor zover hij weet, Deloitte nooit opdrachten aanneemt inclusief notariële kosten.

[getuige2] verklaart ook dat hij geen rekening betreffende de werkzaamheden van Van der Stap Notarissen voor Deloitte had verwacht. Ook verklaart [getuige2] dat hij het in de praktijk nooit tegen komt dat een accountant notariële werkzaamheden mee offreert.

2.10. Nu, zoals uit de verklaring van [getuige1] blijkt, niet uitdrukkelijk gesproken is over de hoedanigheid waarin [getuige2] de opdracht aan Van der Stap Notarissen verstrekte, komt het aan op de vraag wat de partijen (in deze: Van der Stap en Deloitte) uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Zoals uit de verklaring van [getuige1] blijkt ‘ging het wel vaker zo’ dat Deloitte op deze manier namens achterliggende cliënten opdrachten verstrekte. Beide partijen hebben gelet op deze tussen partijen gebruikelijke gang van zaken gerechtvaardigd de conclusie mogen trekken dat [getuige2] van Deloitte namens De Leeuw Holding handelde bij het verstrekken van de opdracht. Dat ook Deloitte deze conclusie getrokken heeft uit de tussen Van der Stap Notarissen en Deloitte gebruikelijke gang van zaken, blijkt wel uit het feit dat [getuige2] verklaard heeft dat hij geen factuur voor de verleende notariële diensten had verwacht voor Deloitte. In aansluiting hierop heeft [getuige1] nog verklaard dat de facturen volgens hem verzonden zijn aan een aan De Leeuw Holding gelieerde vennootschap. Van der Stap Notarissen en Deloitte hebben duidelijk gerechtvaardigd uit elkaars gedragingen afgeleid dat De Leeuw Holding de contractspartij van Van der Stap Notarissen was.

2.11. De rechtbank neemt bij haar beoordeling ook in aanmerking dat het ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer niet gebruikelijk is dat een accountant de opdracht tot het verrichten van notariële werkzaamheden voor zichzelf geeft en de kosten daarvoor vervolgens in rekening brengt bij haar achterliggende cliënt. Zowel [getuige1] als [getuige2] verklaart hierover. Ook op basis van deze omstandigheden mochten Deloitte en De Leeuw er gerechtvaardigd vanuit gaan dat Deloitte namens De Leeuw Holding optrad.

2.12. De Leeuw Holding brengt in haar conclusie na enquête naar voren dat deze gebruikelijke gang van zaken tussen Van der Stap Notarissen en Deloitte niet bekend was bij De Leeuw Holding en dat dit haar dus niet kan worden toegerekend. Dat De Leeuw Holding niet bekend was met deze gebruikelijke gang van zaken tussen Van der Stap Notarissen en Deloitte is echter niet relevant. Er dient immers slechts gekeken te worden naar wat de handelende partijen, Deloitte en Van der Stap Notarissen, uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (Hoge Raad, 11 maart 1977, LJN: AC1877).

2.13. Dat De Leeuw Holding, zoals zij zelf in haar conclusie na enquete stelt, als leek niet kon weten dat het in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijk is dat een accountant dergelijke overeenkomsten in eigen naam sluit met een notaris, doet aan bovenstaande conclusie niet aan af. In de verhouding Deloitte – Van der Stap Notarissen was dit immers wel bekend. Zodoende mochten Deloitte en Van der Stap Notarissen er ook op basis van deze omstandigheden gerechtvaardigd vanuit gaan dat Deloitte namens De Leeuw Holding optrad.

2.14. De Leeuw Holding brengt in haar conclusie na enquête nog naar voren dat als zowel Van der Stap Notarissen als Deloitte van mening was dat de overeenkomst gesloten was tussen Van der Stap Notarissen en De Leeuw Holding, het voor de hand had gelegen dat ofwel Deloitte de opdrachtbevestiging had doorgezonden aan De Leeuw Holding ofwel Van der Stap Notarissen de opdrachtbevestiging (op een later moment) ook verzonden had aan De Leeuw Holding.

2.15. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende. [getuige1] heeft een goede verklaring gegeven voor het feit dat Van der Stap Notarissen volstaan heeft met verzending van de opdrachtbevestiging aan Deloitte. Hij heeft verklaard dat Van der Stap Notarissen op het moment van versturen van de opdrachtbevestiging nog niet de gegevens van de achterliggers had (de rechtbank: hiermee wordt De Leeuw Holding bedoeld). De opdrachtbevestiging is daarom door Van der Stap Notarissen aan Deloitte toegezonden. Niet betwist is dat de opdrachtbevestiging geen ondertekening behoefde. Uit het feit dat ondertekening niet nodig was, kan worden afgeleid dat Van der Stap Notarissen heeft volstaan met verzending van de opdrachtbevestiging aan de vertegenwoordiger van De Leeuw Holding, zodat Deloitte als vertegenwoordiger vervolgens kon zorgen voor het doorsturen van de opdrachtbevestiging. Dat Deloitte voor de doorzending van de opdrachtbevestiging vervolgens geen zorg heeft gedragen, kan niet worden tegengeworpen aan Van der Stap Notarissen.

2.16. De rechtbank zal thans onderzoeken of De Leeuw Holding geslaagd is in het leveren van het haar opgedragen bewijs dat Deloitte niet bevoegd was aan Van der Stap Notarissen opdracht te verstrekken tot het verrichten van de notariële werkzaamheden, zoals onder 2.2. in het tussenvonnis genoemd.

2.17. De Leeuw Holding heeft geen nadere bewijsstukken voor het haar opgedragen bewijs overgelegd. Zij heeft in haar conclusie na enquête gesteld dat het bewijs voor de aan haar opgedragen bewijsopdracht reeds geleverd is met hetgeen getuige [getuige2] verklaard heeft. De Leeuw Holding meent dat zij het van haar verlangde bewijs in het bijzonder heeft geleverd doordat uit de verklaring van [getuige2] is af te leiden dat het Deloitte weliswaar vrij stond zelf een notaris in te schakelen, maar niet om dit te doen namens De Leeuw Holding. Uit geen enkele verklaring en/of stelling blijkt dat Deloitte deze bevoegdheid wel zou hebben gehad, aldus De Leeuw Holding.

2.18. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [getuige2] geen voldoende bewijs is voor de stelling van De Leeuw Holding dat Deloitte niet bevoegd was om namens haar de opdracht aan Van der Stap Notarissen te verstrekken. Het voert te ver om, vanwege het feit dat [getuige2] niet uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij een notaris in mocht schakelen namens De Leeuw Holding, a contrario de conclusie te trekken dat hij hiertoe dus niet bevoegd was. Het had op de weg van De Leeuw Holding gelegen om, in het kader van haar eigen bewijsopdracht, zichzelf als getuige te laten horen over de bevoegdheid van Deloitte. Bovendien had zij [getuige2] tijdens de enquête nader kunnen bevragen omtrent de bevoegdheid van Deloitte. Dit heeft De Leeuw Holding echter nagelaten.

2.19. Dat De Leeuw Holding nog opmerkt dat uit geen enkele verklaring en/of stelling blijkt dat Deloitte deze bevoegdheid wel zou hebben gehad, kan haar niet helpen. De Leeuw Holding lijkt te redeneren dat, omdat Van der Stap Notarissen in het door haar voortgebrachte bewijs niet aangetoond heeft dat Deloitte wel bevoegd was namens De Leeuw Holding op te treden, De Leeuw Holding er dus in geslaagd is te bewijzen dat Deloitte niet bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Dit gaat echter niet op. Het bewijs van de stelling van De Leeuw Holding is immers aan haar opgedragen. Zij draagt hiervan de bewijslast en het bewijsrisico ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

2.20. Nu De Leeuw Holding er niet in geslaagd is te bewijzen dat Deloitte niet bevoegd was om namens haar de opdracht tot het verrichten van notariële werkzaamheden te verstrekken aan Van der Stap Notarissen, moet er vanuit gegaan worden dat Deloitte bevoegd was de opdracht namens De Leeuw Holding te verstrekken aan Van der Stap Notarissen. De rechtbank komt dan niet toe aan beantwoording van de door De Leeuw Holding opgeworpen vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2.21. In rechte is thans komen vast te staan dat Deloitte namens De Leeuw Holding de opdracht heeft verstrekt aan Van der Stap Notarissen tot het verrichten van de notariële werkzaamheden zoals onder 2.2. in het tussenvonnis genoemd. Zoals reeds in het voorgaande overwogen moet er vanuit gegaan worden dat Deloitte hiertoe bevoegd was. De Leeuw Holding heeft nog nader verweer gevoerd tegen de vordering van Van der Stap. De rechtbank zal deze verweren nu bespreken.

2.22. De Leeuw Holding heeft gesteld dat zij nooit facturen heeft ontvangen van Van der Stap Notarissen en mitsdien nooit in gebreke is komen te verkeren met betrekking tot de betaling van die facturen. De facturen zijn immers toegezonden aan Van Brakel & De Leeuw Scheepvaart B.V. De vordering van Van der Stap dient derhalve afgewezen te worden, aldus De Leeuw Holding.

2.23. Ten aanzien van de vordering in hoofdsom van Van der Stap gaat dit verweer van De Leeuw Holding niet op. Van der Stap Notarissen vordert nakoming van de tussen haar en De Leeuw Holding gesloten overeenkomst. Een ingebrekestelling is niet vereist voor toewijzing van een vordering tot nakoming (Hoge Raad, 22 mei 1981, LJN: AG4192).

2.24. De Leeuw Holding heeft bij conclusie van antwoord ook de hoogte van het factuurbedrag betwist bij gebrek aan wetenschap. Van der Stap Notarissen hebben er bij akte na comparitie op gewezen dat uit de overgelegde stukken wel blijkt dat de facturen bij herhaling verzonden zijn aan gedaagde en ter kennis zijn gekomen van de achterliggende partijen. Van der Stap Notarissen wijzen er op dat ter zake ingevolge artikel 6:89 BW geen nader verweer meer gevoerd kan worden door De Leeuw Holding.

2.25. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de facturen telkens geadresseerd zijn aan Van Brakel & De Leeuw Scheepvaart B.V. Dat De Leeuw Holding onbekend is met deze facturen, neemt echter nog niet weg dat De Leeuw Holding de contractspartij van Van der Stap Notarissen is en dientengevolge een betalingsverplichting ten opzichte van haar heeft. Dit verweer kan De Leeuw Holding derhalve niet baten.

2.26. Artikel 6:89 BW is, anders dan dat Van der Stap Notarissen betogen, niet van toepassing voor het opstellen en toezenden van facturen, zodat het De Leeuw Holding vrij stond om nog nader verweer te voeren ten aanzien van de hoogte van de facturen (Hoge Raad, 11 mei 2001, LJN: AB1565).

2.27. De Leeuw Holding heeft nader verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de facturen c.q. het verschuldigde bedrag. Vooropgesteld hierbij wordt dat partijen het er over eens zijn dat tussen hen geen tariefafspraken gemaakt zijn en dat ingevolge artikel 7:405 lid 2 BW een gebruikelijk, dan wel redelijk, loon verschuldigd is voor de door Van der Stap Notarissen verleende diensten. Van der Stap Notarissen hebben betoogd dat zij gespecificeerd hebben welke werkzaamheden zijn verricht, voorts hebben zij het gebruikelijke tarief gehanteerd, zodat sprake is van een gebruikelijk dan wel redelijk in rekening gebracht loon. De Leeuw Holding heeft als nader verweer gevoerd dat de facturatie niet overeenstemt met de offerte aan Deloitte en dat reeds hierom geen sprake is van een redelijk loon. In de offerte aan Deloitte is een bedrag van € 2.400,00 als geschat honorarium aangegeven, exclusief de kosten voor de opstelling van de aandeelhoudersovereenkomst. In totaal brengt Van der Stap Notarissen € 9.650,04 in rekening, zodat per saldo voor de opstelling van de aandeelhoudersovereenkomst € 7.250,04 in rekening gebracht wordt. Dit bedrag komt De Leeuw Holding uiterst hoog voor en zij betwist de hoogte en omvang van de uitgevoerde werkzaamheden.

2.28. De rechtbank kan De Leeuw Holding niet volgen in haar stelling dat, omdat de facturatie niet overeenstemt met de offerte aan Deloitte, er geen sprake kan zijn van redelijk loon. Of er sprake is van een redelijk loon hangt af van de aard en – zo nodig schattenderwijs te bepalen – omvang van de verrichte werkzaamheden en van hetgeen in de desbetreffende branche in het algemeen gebruikelijk is (Hoge Raad, 19 december 2008, LJN: BG1680). Dat Van der Stap Notarissen in de offerte aan Deloitte mogelijk een verkeerde inschatting gegeven heeft van het honorarium, maakt nog niet dat er geen sprake kan zijn van een redelijk loon.

Aan de bepaling van een redelijk loon kan geen nauwkeurige berekening ten grondslag gelegd worden. Daarom kunnen in een procedure geen hoge eisen gesteld worden aan de stelplicht van de opdrachtnemer omtrent het redelijke loon. (Hoge Raad, 19 december 2008, LJN: BG1680). Van der Stap Notarissen heeft het door haar in rekening gebrachte loon onderbouwd met een uitgebreide urenspecificatie. De rechtbank is van oordeel dat het aantal in rekening gebrachte uren haar niet onevenredig hoog voorkomt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de door Van der Stap Notarissen overgelegde urenspecificaties ook blijkt dat na overlegmomenten de diverse akten aanpassing behoefden.

Wettelijke rente

2.29. De Leeuw Holding heeft ook in het kader van de vordering van wettelijke rente gesteld dat zij nooit facturen heeft ontvangen van Van der Stap Notarissen en mitsdien nooit in gebreke is komen te verkeren met betrekking tot de betaling van die facturen. De Leeuw Holding concludeert dat dientengevolge de vordering van wettelijke rente afgewezen dient te worden.

2.30. Van der Stap Notarissen vordert op grond van artikel 6:119a BW een vergoeding van wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan de dag der algehele voldoening. Niet gebleken is echter dat De Leeuw Holding zelf facturen heeft ontvangen van Van der Stap Notarissen. De facturen waren immers telkens gericht aan Van Brakel & De Leeuw Scheepvaart B.V. Bovendien is niet gesteld, noch gebleken dat een uiterste dag van betaling is overeengekomen tussen partijen. De vordering van wettelijke handelsrente zal dientengevolge afgewezen worden. Wel komt voor toewijzing in aanmerking de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betekening van het vonnis.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.31. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Van der Stap Notarissen hebben immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor hun rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan Van der Stap Notarissen vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Slotsom

2.32. Op grond van het bovenstaande ligt voor toewijzing gereed de vordering in hoofdsom groot € 9.650,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. Ook de vordering van nakosten zal worden toegewezen, nu niet gebleken is dat De Leeuw Holding hiertegen verweer gevoerd heeft.

2.33. De Leeuw Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van Van der Stap Notarissen worden begroot op:

- dagvaarding € 78,89

- griffierecht 317,00

- getuigenkosten 235,00

- salaris advocaat 1.344,00 (3,5 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.974,89

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt De Leeuw Holding om aan Van der Stap Notarissen te betalen een bedrag van € 9.650,04 (negenduizendzeshonderdvijftig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 9.650,04 met ingang van de dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt De Leeuw Holding in de proceskosten, aan de zijde van Van der Stap Notarissen op heden begroot op € 1.974,89, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt De Leeuw Holding in de nakosten, aan de zijde van Van der Stap Notarissen bepaald op € 131,00 voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor (na)salaris advocaat en de daadwerkelijke betekeningskosten,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.