Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW6193

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
05/701947-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 23 jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een werkstraf voor de duur van 140 uur, bij niet verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De man heeft op 28 mei 2010 op de Weg Door Jonkerbos te Nijmegen een verkeersongeval veroorzaakt terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol. De man, die voornemens was linksaf te slaan, is op het laatste moment rechtdoor gereden waarbij hij een bromfietster, die over wilde steken, heeft geschept. De bestuurster van die bromfiets heeft als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Onder normale omstandigheden wordt voor een dergelijk feit een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk opgelegd alsmede een ontzegging van de bevoegdheid voor de duur van 2 jaar. Nu het ongeval bijna 2 jaar geleden heeft plaatsgevonden en de man in de tussentijd is doorgegaan met zijn leven, is een lagere straf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701947-10

Datum zitting : 4 mei 2012

Datum uitspraak : 16 mei 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 mei 2010, te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Weg Door Jonkerbos en/of de/het kruising/kruispunt met de Tarweweg, roekeloos, althans zeer, in elk geval aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig

en/of onachtzaam, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, althans na het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, heeft gereden over de voorsorteerstrook, bestemd voor het linksafslaande verkeer op die Weg Door Jonkerbos en/of voormeld(e) kruising/kruispunt is

opgereden en/of (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op die/dat kruising/kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook (bestemd voor het linksafslaande verkeer) waarop hij, verdachte, zich bevond aangaf en/of op die/dat kruising/kruispunt niet linksaf is geslagen, doch rechtdoor is gereden, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die Weg Door Jonkerbos en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (vervolgens) is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) een ander motorrijtuig (bromfiets), welke op dat moment die Weg Door Jonkerbos overstak over het daartoe bestemde bromfietspad, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd

toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een

onderzoek 175 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaatsgevonden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 28 mei 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Weg Door Jonkerbos, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, althans na het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

heeft gereden over de voorsorteerstrook, bestemd voor het linksafslaande verkeer op die Weg Door Jonkerbos en/of voormeld(e) kruising/kruispunt is opgereden en/of (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op die/dat kruising/kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook (bestemd voor het linksafslaande verkeer) waarop hij, verdachte, zich bevond aangaf en/of op die/dat kruising/kruispunt niet linksaf is geslagen, doch rechtdoor is gereden, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die Weg Door Jonkerbos en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (vervolgens) is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) een ander motorrijtuig (bromfiets), welke op dat moment die Weg Door Jonkerbos overstak over het daartoe bestemde bromfietspad, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 28 mei 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 175 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 mei 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. A.K.J. Kooij, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Ten aanzien van 1 primair:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 mei 2010 heeft een ongeval plaatsgevonden op de Weg Door Jonkerbos te Nijmegen waarbij verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) in botsing is gekomen met een ander motorrijtuig (bromfiets) die op dat moment die Weg Door Jonkerbos overstak. Verdachte heeft de bromfiets niet gezien. Verdachte is beginnend bestuurder en had tevoren alcoholhoudende drank gedronken. Bij een onderzoek bleek dat het alcoholgehalte van zijn adem 175 microgram per liter uitgeademde lucht te zijn terwijl 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht voor hem als beginnend bestuurder was toegestaan. Verdachte is op de kruising tussen de Weg Door Jonkerbos en de Tarweweg over de voorsorteerstrook bestemd voor het linksafslaande verkeer gaan rijden en heeft vervolgens, in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijrichting van die voorsorteerstrook, bestemd voor het linksafslaand verkeer, gevolgd maar is rechtdoor gereden. Daarbij heeft verdachte niet op het voor hem gelegen gedeelte van die Weg Door Jonkerbos en het overige verkeer gelet. De bestuurster van de bromfiets, [slachtoffer], heeft als gevolg van de botsing 3 ribfracturen, een zware hersenschudding, een klaplong, afgebroken tanden en een gebroken neus opgelopen alsmede diverse andere verwondingen waarvoor zij enige tijd in het ziekenhuis heeft moeten doorbrengen Verder heeft zij blijvend letsel aan haar bovenlip opgelopen, heeft zij geen gevoel meer in haar bovenlip en heeft zij drie maanden niet kunnen werken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat sprake is van grove schuld en zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor vrijspraak van het primair tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte kon, op het moment dat hij rechtdoor reed in plaats van linksaf te slaan, niet meer vaststellen of het verkeerslicht voor het rechtdoorgaand verkeer groen licht uitstraalde. Verdachte reed wel op een voorrangsweg. De bestuurster van de bromfiets reed op een fietspad waar zij niet mocht rijden. De twee mede-inzittenden in de auto van verdachte verklaren dat het licht op groen stond. Het is daarom mogelijk en wellicht waarschijnlijk dat het verkeerslicht voor het rechtdoorgaand verkeer groen licht uitstraalde. Dit kan kloppen met de verklaring van de bestuurster van de scooter die verklaard heeft dat zij moest wachten tot het verkeerslicht voor haar op groen sprong. Voorts blijkt uit het technisch onderzoek dat het verkeerslicht voor het rechtdoorgaand verkeer op groen blijft tot het moment dat verkeer dat over wil steken op de knop drukt. Niet is vastgesteld of de bestuurster van de scooter de auto van verdachte heeft waargenomen.

Onder deze omstandigheden is nog wel vast te stellen dat verdachte onvoorzichtig heeft gereden, maar niet dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het ongeval is ontstaan.

Daarnaast blijft de mogelijkheid dat de scooter door rood licht is gereden en daardoor het ongeval is ontstaan. In dat geval is het niet redelijk het ongeval aan verdachte toe te rekenen. Deze veronderstelling is aannemelijk omdat fietsers en bromfietsers nu eenmaal vaak door rood rijden, zeker als zij moeten stoppen om op de knop te drukken om groen licht te krijgen. De verklaring van de bestuurster dat zij op de knop heeft gedrukt wordt door geen enkel ander bewijsmiddel ondersteund. De bestuurster kan over geen enkel detail van de gebeurtenissen iets verklaren maar wel over het op de knop drukken hetgeen haar verklaring minder betrouwbaar maakt. De getuigen in de auto verklaren dat het licht groen was en uit technisch onderzoek blijkt dat dan dus het licht voor de scooter rood moet zijn geweest.

De beoordeling door de rechtbank

De vraag die de rechtbank, gelet op het voorgaande, dient te beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval en welke mate van schuld dit oplevert.

Is het aannemelijk dat de bestuurster van de bromfiets door rood is gereden?

Verdachte verklaart dat hij op het moment dat hij besloot alsnog rechtdoor te rijden, over zijn rechterschouder heeft gekeken om na te gaan of er verkeer naderde. Dat er volgens zijn eigen waarnemingen kennelijk geen verkeer naderde blijkt uit het feit dat verdachte vervolgens rechtdoor is gereden. De verkeerslichtinstallatie op het betreffende kruispunt betreft een verkeersafhankelijke installatie waarbij detectielussen in het wegdek zijn aangebracht. Dit houdt in dat wanneer er verkeer op de betreffende rijstrook gedetecteerd wordt, de verkeersinstallatie de verkeerslichten regelt. Indien het verkeer dat de Weg Door Jonkerbos wil oversteken op de daartoe aangebrachte knop drukt (de knop waar de bestuurster van de scooter op gedrukt heeft) zal het licht voor het rechtdoorgaand verkeer over de Weg Door Jonkerbos op rood gaan. Zodra het laatst genoemde verkeerslicht op rood staat, krijgt het verkeer om over te steken groen licht.

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij onder meer een zware hersenschudding heeft opgelopen. . Dat zij zich dus niets kan herinneren van het ongeval is derhalve te verklaren. Daar staat tegenover dat het slachtoffer zeer gedetailleerd verklaart over het gebeuren voorafgaand aan het ongeval, vanaf het moment dat zij wegreed van haar werk, de reden waarom zij aldaar op het fietspad reed, dat zij stond te wachten voor het rode verkeerslicht, de knop heeft ingedrukt om vervolgens, toen het licht voor haar groen werd, haar weg te vervolgen. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan die verklaring te twijfelen en acht haar verklaring betrouwbaar.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het slachtoffer door rood licht is gereden, een mogelijkheid die door de verdediging is geopperd.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verdachte geen schuld treft aan het ongeval omdat de scooter reed over het fietspad alwaar zij niet mocht rijden, merkt de rechtbank op dat schuld van de ene verkeerspartij de schuld van de ander niet opheft. Verdachte verklaart dat hij de bromfiets niet heeft gezien. Verdachte heeft, zoals hij zelf verklaart, niet op het mogelijke verkeer voor hem gelet, en is nadat hij de verkeerslichten was gepasseerd en niet kon waarnemen of het verkeerslicht voor rechtdoorgaande verkeer groen was, van rijstrook veranderd en rechtdoor gereden.

Het door het slachtoffer bekomen letsel, dat onder meer meermalen operatief ingrijpen noodzakelijk maakte en ook blijvend is, kwalificeert de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 28 mei 2010, te Nijmegen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Weg Door Jonkerbos en het kruispunt met de Tarweweg, zeer, onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, en terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en werd gehinderd, heeft gereden over de voorsorteerstrook, bestemd voor het linksafslaande verkeer op die Weg Door Jonkerbos en voormeld kruispunt is opgereden en vervolgens in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op dat kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook bestemd voor het linksafslaande verkeer waarop hij, verdachte, zich bevond aangaf en op dat kruispunt niet linksaf is geslagen, doch rechtdoor is gereden, en daarbij niet, op het voor hem gelegen gedeelte van die Weg Door Jonkerbos en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en vervolgens is gebotst tegen en in aanrijding is gekomen met de bestuurster van een ander motorrijtuig (bromfiets), welke op dat moment die Weg Door Jonkerbos overstak over het fietspad, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht, terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 175 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid opgemaakte proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL081K 2010053234-11, gesloten op 27 juli 2010, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de ademanalyse (pag. 0023 t/m 0026);

- een ademanalyseformulier d.d. 28 mei 2010 (pag. 006); en

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 04 mei 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 28 mei 2010 te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 175 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2:

(de ééndaadse samenloop van:)

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van die wet.

en

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis onvoorwaardelijk alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bij de strafmaat heeft de officier van justitie rekening gehouden met de grove schuld van verdachte aan het ongeval enerzijds en anderzijds met het tijdsverloop.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen strafblad heeft en het feit ruim twee jaar geleden is gebeurd. Verdachte maakt zich ernstig zorgen over de strafzaak en de gevolgen. Hij heeft een gezin en een dochter van één jaar. Hij schaamt zich voor zijn omgeving, heeft werk en inkomen maar ook vaste lasten. Verdachte wil deze zaak achter de rug hebben en verder gaan met zijn leven.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 22 maart 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte, als beginnend bestuurder, heeft met teveel alcohol op aan het verkeer deelgenomen. Het is aan verdachte te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Als uitgangspunt volgens de richtlijnen van het LOVS wordt voor een feit zoals bewezen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar voorgesteld. De rechtbank kan daarvan afwijken indien zich daartoe bijzondere omstandigheden voor aandienen.

Voornoemde straf als uitgangspunt nemend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie als mild te bestempelen is. De rechtbank is daarom in beginsel van oordeel dat die eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde, met name niet nu het slachtoffer blijvend letsel heeft opgelopen en daar de rest van haar leven aan wordt herinnerd.

Het ongeval is nu ruim 2 jaar geleden gebeurd. In de tijd gelegen tussen het ongeval en de zitting is verdachte doorgegaan met zijn leven. Hij heeft ondertussen een gezin en een dochter van één jaar. Verdachte stelt weliswaar dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, maar heeft dit op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De verplaatsingen die verdachte gedurende zijn opleiding, waarvan overigens ook geen enkel stuk is overgelegd, zal moeten verrichten, bevinden zich allemaal in Nijmegen en zijn naar het oordeel van de rechtbank ook op andere wijze dan met een auto te realiseren.

In zoverre is de rechtbank, alles afwegende, van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Om de nadruk te leggen op de ernst van feit 1 is de rechtbank wel van oordeel, mede gelet op het uitgangspunt van het LOVS, dat aan verdachte, naast een werkstraf, een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opgelegd moet worden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 8, 175, 176, 178, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Het verrichten van een werkstraf gedurende éénhonderdvijftig (150) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid. De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op vijfenzeventig (75) dagen.

(ten aanzien van feit 1 voorts:)

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 18 (achttien) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 12 (twaalf) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door mr. J.J.H. van Laethem, als voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. H.G. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 mei 2012.