Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW6176

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
228573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag.

Summierlijk gebleken ondeugdelijke vordering.

Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228573 / KG ZA 12-192

Vonnis in kort geding van 27 april 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. W. van de Velde te Rhenen,

tegen

[gedaagde]

gedaagde,

advocaat mr. I. van Ast te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen [eisers], handelend onder de naam Lusaro, HAN, Trios B.V., Kip Caravans B.V., WEGA Machinefabriek B.V. en [gedaagde], handelend onder de naam TDS Trailerbouw (hierna: TDS) is op 1 oktober 2008 voor de duur van 19 maanden een samenwerkingsovereenkomst aangegaan ten aanzien van het project “Lusaro, innovatie in aanhangers” (hierna: Lusaro I).

2.2. Nadat Lusaro I was afgesloten, hebben [eisers] (handelend onder de naam Lusaro), de heer [betrokkene] (handelend onder de naam PP tailor-tronics) en [gedaagde] (handelend onder de naam TDS) een tweede, nieuwe samenwerkingsovereenkomst

(Lusaro 2) gesloten die is ingegaan op 1 juli 2010 en minimaal 11 jaarkwartalen

(33 maanden) zou tellen.

2.3. Voor het uitvoeren van het project Lusaro 2 is subsidie aangevraagd bij de provincie Gelderland uit het programma 2007 tot 2013 van het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

2.4. Bij beschikking van 9 september 2010 is door de provincie Gelderland een subsidie verleend van (maximaal) € 2.000.324,-. Lusaro (de handelsnaam van de eenmanszaak van [eisers]) is penvoerder van het project Lusaro 2. Als voorschot is door Lusaro een bedrag van € 400.064,80 ontvangen onder de verplichting dat het voorschot naar rato diende te worden doorbetaald aan de andere twee projectpartners.

2.5. [eisers] heeft in dat kader, bij wijze van werkvoorschot, op 29 september 2010 een bedrag van € 230.000,- aan [gedaagde] betaald.

2.6. Bij brief van 3 januari 2011 hebben [eisers], althans Lusaro B.V. en [betrokkene] de samenwerkingsovereenkomst met [gedaagde] per 13 december 2010 beëindigd.

2.7. Bij vonnis in kort geding van 16 mei 2011 tussen [gedaagde] als eiser en [eisers] als gedaagde heeft [gedaagde] onder meer gevorderd de samenwerking conform de samenwerkingsovereenkomst ten aanzien van het project Lusaro 2 voort te zetten en [eisers] te veroordelen tot teruggave van de prototypen, meer in het bijzonder: (het chassis van) de lichtgewicht caravan en (het chassis van) de lichtgewicht boottrailer.

Overwogen is onder meer:

Voorshands geoordeeld mocht de samenwerkingsovereenkomst, gegeven de omstandigheden van het geval, door [eisers] eenzijdig worden beëindigd, zulks onverschillig of aan [gedaagde] enig tekortschieten ter zake viel te verwijten. (…)

[eisers] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet in het bezit is van het chassis van de boottrailer. Daartegenover heeft [gedaagde] niets concreets aangevoerd waaruit blijkt dat dit standpunt van [eisers] onjuist is. De vordering tot teruggave van het chassis van de boottrailer zal daarom niet worden toegewezen.

Ten aanzien van het chassis van de caravan geldt dat [eisers] heeft verklaard dat in Lusaro II geen gebruik zal worden gemaakt van het chassis/de caravanbodem die in Lusaro I is vervaardigd. Voor het overige heeft [eisers] zich niet verzet tegen teruggave van het chassis van de caravan, zodat deze vordering zal worden toegewezen.

2.8. Tegen voornoemd kort geding vonnis is hoger beroep ingesteld. Tot op heden is nog geen arrest gewezen.

2.9. Na daartoe verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank hebben [gedaagde] en Lusaro B.V. ten laste van [eisers] en Tonli Beheer B.V. ( een vennootschap van [gedaagde]) op 18 februari 2011 voor een bedrag van

€ 300.000,- conservatoir derdenbeslag gelegd op alle gelden, geldswaarden en/of banktegoeden die Coöperatieve Rabobank De Liemers U.A., SNS Bank N.V., [X], h.o.d.n. Café Zaal [Z], en Stichting Hogeschool van Nijmegen en Arnhem nog aan hen verschuldigd zijn. Tevens is op 18 februari 2011 door [eisers] en Lusaro B.V. ten laste van [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak gelegen aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats], kadastraal bekend [woonplaats] en [woonplaats], sectie C, nummer 1671, en op 22 februari 2011 op alle roerende zaken, niet zijnde registergoederen en niet zijnde handelsvoorraad, waarvan [eisers] en Tonli Beheer B.V. eigenaar en/of rechthebbende zijn, zich bevindende in (de nabijheid van) het (woon)adres gelegen te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres] en ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres].

2.10. Bij dagvaarding van 17 maart 2011 hebben [eisers] en Lusaro B.V. een bodemprocedure tegen [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. aanhangig gemaakt bij deze rechtbank (zaaknummer / rolnummer: 216310 / HA ZA 11-828), waarin zij in conventie een verklaring voor recht vorderen dat de samenwerkingsovereenkomst Lusaro 2 op 3 januari 2011 wat betreft [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. is ontbonden. Tevens vorderen zij betaling van een bedrag van € 246.723,84 (ontvangen subsidiegelden). In reconventie vorderen [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. - samengevat - primair veroordeling van [eisers] en Lusaro B.V. om de samenwerkingsovereenkomst voort te zetten en subsidiair, in geval nakoming van de overeenkomst onmogelijk is, een verklaring voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst is ontbonden met veroordeling van [eisers] en Lusaro B.V. tot vergoeding van de geleden schade. Daarnaast vorderen [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. onder meer teruggave van het prototype van de lichtgewichtcaravan en het prototype van de boottrailer.

2.11. [eisers] en [betrokkene] hebben een nieuwe partner (Crearo B.V.) gevonden om het project Lusaro 2 mee voort te zetten. Daarnaast is het projectplan op een aantal punten gewijzigd en is de subsidiebeschikking aangepast. Lusaro B.V. is thans penvoerder.

2.12. In kort geding van 13 december 2011 hebben [eisers] en Lusaro B.V. veroordeling van [gedaagde] en Tonli Beheer gevorderd tot betaling van een bedrag van € 100.000,- als voorschot op de terugbetaling van het werkvoorschot van € 230.000,- aan subsidiegelden dat [gedaagde] heeft ontvangen voor zijn participatie in Lusaro 2.

Bij vonnis van 13 december 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder

meer overwogen:

4.3. Als grondslag van de vordering voeren [eisers] en Lusaro als eerste aan dat zij als lasthebbers van de Provincie op eigen naam de aan [gedaagde] betaalde subsidie terugvorderen. In dat verband beroepen zij zich op de door hen in het geding gebrachte brief van 20 oktober 2011 van de provincie Gelderland aan de rechtbank. Uit die brief blijkt echter niet, althans onvoldoende, dat [eisers] en Lusaro door de provincie Gelderland gemachtigd zijn om ten behoeve van de provincie het deel van de subsidie dat als werkvoorschot is doorbetaald aan [gedaagde], terug te vorderen. Zo staat er in de brief dat de provincie niet zelf de betrokken gelden terugvordert omdat de ‘consortiumsamen-werkingsafspraak’ die verantwoordelijkheid bij de penvoerder heeft gelegd, waaraan de provincie haar goedkeuring heeft gegeven. Daaruit lijkt veeleer te volgen dat de terugvordering een interne aangelegenheid is van het consortium, dus van de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst, dan dat de provincie [eisers] en Lusaro heeft gemachtigd om ten behoeve van haar geld terug te vorderen. Dit geldt te meer omdat verderop in de brief staat dat die is geschreven ‘ter ondersteuning van de claim van LUSARO BV’. Daarbij komt dat er geen beschikking of besluit van de provincie is overgelegd waaruit volgt dat de subsidie die aan [gedaagde] is doorbetaald, is ingetrokken. Dat een dergelijke beschikking of zo’n besluit er is, of nog komt, lijkt niet voor de hand te liggen omdat het besluit van 9 september 2010 waarbij de subsidie is toegekend

– een besluit van 8 juli 2010 waaraan in de brief van 20 oktober 2011 wordt gerefereerd, heeft de voorzieningenrechter niet aangetroffen – geen aanwijzing bevat dat die aan een ander dan aan [eisers] en Lusaro als aanvragers is toegekend en in het bijzonder geen aanwijzing bevat dat die ook, deels, rechtstreeks aan [gedaagde] is toegekend.

Kortom: dat de provincie een vordering tot terugbetaling op [gedaagde] heeft kan niet worden aangenomen, zodat er van invordering daarvan door [eisers] c.s. als lasthebbers geen sprake kan zijn. Gelet op dit alles is voor toewijzing van de geldvordering op basis van lasthebberschap voor de provincie dan ook onvoldoende grond aanwezig.

4.4. Als grondslag van de vordering hebben [eisers] en Lusaro ook aangevoerd dat de terugbetaling van de ontvangen subsidie gezien moet worden als de voldoening van een ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst wegens toerekenbare tekortkoming door [gedaagde] en ook Tonli Beheer.

Volgens [eisers] en Lusaro is Tonli Beheer, evenals Lusaro, op enig moment ook tot de samenwerkingsovereenkomst toegetreden. [eisers] en Lusaro stellen dat [gedaagde] en Tonli Beheer tekortgeschoten zijn in de nakoming van de samenwerkings-overeenkomst, door uren te declareren zonder dat daarvoor (aantoonbaar) werkzaamheden ten behoeve van Lusaro2 zijn verricht en ook door geen geheimhoudingsverplichting op te leggen aan studenten die zij aan het project Lusaro2 laten werken. De samenwerkings-overeenkomst met [gedaagde] en Tonli Beheer is daarom bij brief van 3 januari 2011 beëindigd, welke beëindiging gezien moet worden als ontbinding van de overeenkomst, aldus [eisers] en Lusaro.

4.5. Uit de brief van 3 januari 2011 kan echter niet, althans in onvoldoende mate,

worden afgeleid dat de samenwerkingsovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden.

Voor buitengerechtelijke ontbinding is nodig dat de schriftelijke verklaring waarbij de overeenkomst ontbonden wordt, de grond voor ontbinding bevat. Het moet daarbij gaan om een gebrek in de nakoming die de ontbinding rechtvaardigt. Verder heeft te gelden dat voor zover de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. In de brief van 3 januari 2011 worden de in dit kort geding aangevoerde ontbindingsgronden echter niet benoemd. Andere gronden ontbindingsgronden worden daarin ook niet aangevoerd, althans onvoldoende concreet.

In de brief wordt slechts verwezen naar art. 7.1 Samenwerkingsovereenkomst, op basis waarvan een partij van verdere deelname aan het project kan worden ‘uitgesloten’ als die partij voor dusdanige vertraging zorgt dat de algehele voortgang van het project wordt gehinderd en het eindresultaat in gevaar gebracht wordt. Of er sprake is van verzuim blijkt ook onvoldoende uit de brief. Veeleer roept de brief het beeld op dat [eisers] de overeenkomst heeft beëindigd omdat hij geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking met [gedaagde], maar dat is op zichzelf geen grond voor ontbinding van een overeenkomst. In het eerste kort geding (zaak- / rolnummer: 213167 / KG ZA 11-126) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem de brief van 3 januari 2011 dan ook opgevat als een opzeggingsbrief.

4.6. Maar ook als wel aangenomen kan worden dat de samenwerkingsovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, dan hoeft dat nog niet tot gevolg te hebben dat [gedaagde] (of Tonli Beheer) het ontvangen bedrag van € 230.000,00 moet terugbetalen.

Ontbinding van een overeenkomst heeft immers geen terugwerkende kracht. Reeds verrichte prestaties ontberen dan ook geen rechtsgrond. Het werkvoorschot ad

€ 230.000,00 is dus niet onverschuldigd betaald aan [gedaagde] en als [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor het Lusaro2 project dienen die aan hem vergoed te worden en kan hij die in verrekening brengen met het voorschot van € 230.000,00 dat hij heeft ontvangen.

Datzelfde geldt overigens voor zover de overeenkomst door opzegging is geëindigd. Vaststaat namelijk dat [gedaagde] op basis van de samenwerkingsovereenkomst werkzaamheden zou verrichten voor het Lusaro2 project, die hij kon declareren bij

[eisers] en voorts dat zijn urendeclaraties na goedkeuring door [eisers] en de provincie (uiteindelijk) ten laste zouden komen van het werkvoorschot van € 230.000,00 dat hij heeft ontvangen. Of en in hoeverre [gedaagde] in het geheel geen te declareren werk heeft verricht voor het Lusaro2 project, partijen strijden daarover, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Volgens [gedaagde] heeft hij ter zake van verricht werk nog een aanmerkelijk bedrag te vorderen. In de bodemprocedure zal dat verder uitgezocht moeten worden. Hier kan daarom niet aangenomen worden dat geen enkel bedrag voor gewerkte uren in mindering gebracht zal gaan worden op het werkvoorschot van

€ 230.000,00 en dus ook niet dat het gehele werkvoorschot, of en zo ja welk gedeelte ervan, uit hoofde van een ongedaanmakingsverbintenis of uit onverschuldigde betaling terugbetaald moeten worden.

4.6. Nu op grond van het vorenstaande de geldvordering reeds niet toewijsbaar is omdat het bestaan en de omvang ervan onvoldoende aannemelijk is, kan in dit kort geding in het midden blijven of Lusaro en Tonli Beheer op enig moment zijn toegetreden tot de samenwerkingsovereenkomst.

2.13. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers] conservatoir (derden)beslag laten leggen op al hetgeen de Provincie Gelderland, de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Lusaro B.V., de Coöperatieve Rabobank De Liemers U.A. te Zevenaar en ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Arnhem, van [eisers] onder zich zullen hebben of krijgen of aan hem verschuldigd zijn of zullen worden. Tevens is op 5 april 2012 ten laste van [eisers] conservatoir beslag gelegd op alle aandelen in Lusaro B.V. staande ten name van [eisers] alsmede op de roerende zaken van [eisers] te weten een personenauto merk [automerk], met kenteken [kenteken], een flatscreen televisie, merk Philips en een espressoapparaat.

2.14. In de bodemprocedure (zaaknummer / rolnummer: 216310 / HA ZA 11-828) is op 25 januari 2012 tussenvonnis gewezen, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van akten, onder meer ten aanzien van de door beide partijen aangekondigde eiswijziging.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert samengevat - de opheffing van de op 5 april 2012 door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen.

3.2. [eisers] legt - samengevat - aan zijn vordering het volgende ten grondslag:

1. [gedaagde] heeft op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen verzuimd. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] ten onrechte nagelaten in het beslagrekest te vermelden dat beslag zou worden gelegd op periodieke betalingen. De door de provincie te betalen subsidiegelden zijn volgens [eisers] aan te merken als periodieke betalingen. Tengevolge daarvan is door de voorzieningenrechter direct verlof verleend en is [eisers] niet gehoord. Daarmee heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met artikel 475c Rv. Voorts heeft [gedaagde] in het beslagrekest gesteld dat reeds een eis in de hoofdzaak is ingesteld - door [eisers] - en dat in die procedure door [gedaagde] een eis in reconventie is ingesteld. Laatstgenoemde eis ziet volgens [eisers] echter uitsluitend op een nog nader te voeren schadestaatprocedure en niet op de lopende bodemprocedure zelf. Daarmee houdt de in het beslagrekest gevorderde schade geen, althans onvoldoende verband, volgens [eisers]. Voorts merkt [eisers] op dat de ex artikel 711 lid 1 Rv vereiste gegronde vrees voor verduistering ontbreekt.

2. Summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht en van het onnodige van het beslag. [eisers] voert daartoe aan dat de overeenkomst met [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd zodat alleen al om die reden geen sprake is van de door [gedaagde] gepretendeerde schade. Daarnaast betwist [eisers] de door [gedaagde] gepretendeerde schade als gevolg van gemiste opbrengsten of gederfde inkomsten omdat Lusaro 2 een investeringsproject is waaraan deelname vooralsnog alleen maar geld kost en (nog) niets oplevert. Zelfs indien de volgens [eisers] onjuiste redenatie van de accountant van [gedaagde] gevolgd zou worden om de kostenpost van de uren van [gedaagde] buiten de schadeberekening te laten dan nog heeft [gedaagde] naar de mening van [eisers] geen recht op beslaglegging omdat de door [gedaagde] in dat geval gepretendeerde schade € 171.243,40 zou bedragen, hetgeen beduidend lager is dan het reeds door [eisers] uitbetaalde subsidievoorschot van € 230.000,- dat [gedaagde] nog steeds onder zich heeft. De vordering van [gedaagde] ten bedrage van € 57.874,- wegens het wegnemen en demonteren van het prototype van de caravan uit het Lusaro I-project is volgens [eisers] ongegrond omdat hij bij het kort geding vonnis van 16 mei 2011 slechts is veroordeeld tot teruggave van het chassis van de bedoelde caravan en hij tijdig aan deze veroordeling heeft voldaan.

3. Een belangenafweging dient in het voordeel van [eisers] uit te vallen. [eisers] voert daartoe aan dat hij (en de overige partners van het Lusaro 2- project) onevenredig zwaar in zijn belangen is getroffen. [eisers] kan als gevolg van de gelegde beslagen niet meer aan de hem toebehorende gelden komen en is van de subsidie voor het project afgesneden. Hij heeft zowel privé als zakelijk geen inkomsten meer en het project Lusaro 2 dreigt onnodig te stranden.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van Lusaro B.V.

4.1. Gebleken is dat de door [gedaagde] gelegde beslagen niet zijn gelegd ten laste van Lusaro B.V. maar uitsluitend ten laste van [eisers]. Niet gesteld of gebleken is dat Lusaro B.V. belanghebbende is bij de ingestelde vordering. Lusaro B.V. zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot opheffing van de beslagen.

De inhoudelijke beoordeling

4.2. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.3. Of door [gedaagde] op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, zoals door [eisers] is gesteld, kan, gelet op het volgende, in het midden blijven.

4.4. [eisers] heeft gemotiveerd gesteld dat de door [gedaagde] aan de beslagen ten grondslag gelegde vordering ondeugdelijk is. [gedaagde] heeft dat betwist. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eisers] de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft beëindigd. Dat geldt volgens [gedaagde] zowel ten aanzien van een door [eisers] beoogde ontbinding als van een beoogde opzegging. [gedaagde] vordert in de bodemprocedure, in reconventie, primair dat de samenwerkingsovereenkomst dient te worden voortgezet en subsidiair dat [eisers] schadeplichtig is doordat hij de samenwerkingsovereenkomst onregelmatig/onrechtmatig heeft beëindigd. De door [gedaagde] aan de beslagen ten grondslag gelegde vordering bestaat uit € 223.252,- wegens direct gemiste opbrengsten, € 57.874,- wegens schade als gevolg van het wegnemen en demonteren van het prototype caravan door [eisers] en € 28.112,60 wegens kosten.

4.5. Bij kort geding vonnis van 16 mei 2011 is de vordering van [gedaagde] om [eisers] te veroordelen de samenwerkingsovereenkomst voort te zetten echter afgewezen. Overwogen is onder meer dat de samenwerkingsovereenkomst, gegeven de omstandigheden van het geval, door [eisers] eenzijdig mocht worden beëindigd. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld maar daarop is tot op heden nog geen arrest gewezen. Ook in de bodemprocedure, waarin op 25 januari 2012 een tussenvonnis is gewezen, is over de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst nog geen beslissing gegeven. Uitgangspunt in deze procedure is dus hetgeen in het kort geding vonnis van 16 mei 2011 daarover is beslist. Door [gedaagde] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan thans anders zou moeten worden geoordeeld. Dat betekent dat er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Gelet daarop, is de op onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst gebaseerde vordering van [gedaagde], summierlijk ondeugdelijk gebleken.

4.6. De vordering van [gedaagde] voor wat betreft vergoeding van de schade bestaande uit de kosten voor montage van het prototype caravan, treft eenzelfde lot. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat [eisers] de caravan in zijn geheel zou moeten teruggeven, maar dat blijkt niet uit het vonnis. In het kort geding vonnis van 16 mei 2011 is bepaald dat [eisers] het chassis van de caravan aan [gedaagde] diende terug te geven. [eisers] heeft aangevoerd dat hij de caravan móest demonteren om het chassis aan [gedaagde] af te kunnen geven. Het chassis heeft hij naar zijn zeggen conform het vonnis afgegeven. Daartegen is door [gedaagde] niets, althans niet voldoende aangevoerd zodat aangenomen moet worden dat [eisers] aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan.

Voorts is bij tussenvonnis van 25 januari 2012 de vordering tot teruggave van de caravan afgewezen. De rechtbank heeft (samengevat) overwogen (r.o. 4.14) dat onder meer ten aanzien van de neuswielmodule van de caravan en het omhulsel van de caravan door [eisers] is aangevoerd dat deze niet meer in zijn bezit zijn en dat dit door [gedaagde] niet is weersproken zodat de vordering tot teruggave daarvan niet kan worden toegewezen. De door [gedaagde] gepretendeerde vordering is daarom ook in zoverre summierlijk ondeugdelijk gebleken.

4.7. Gelet op het bovenstaande heeft [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [gedaagde] gepretendeerde, aan het beslag ten grondslag gelegde vordering ondeugdelijk is. De vordering tot opheffing van de beslagen ligt daarmee in beginsel voor toewijzing gereed. Een belangenafweging tussen partijen maakt dat niet anders.

Het belang van [gedaagde] bij verhaalsmogelijkheid van zijn vooralsnog summierlijk ondeugdelijke vordering dient in de gegeven omstandigheden te wijken voor het belang van [eisers] bij opheffing van de beslagen. [eisers] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het project Lusaro 2 ernstig wordt belemmerd door de gelegde beslagen. Daarbij komt dat indien en voor zover in de bodemprocedure komt vast te staan dat [gedaagde] schade heeft geleden tot vergoeding waarvan [eisers] gehouden is, [gedaagde] nog een werkvoorschot ten bedrage van € 230.000,- onder zich heeft. In het kort geding vonnis van 13 december 2011 is de vordering van [eisers] tot betaling van een voorschot (ten bedrage van € 100.000,-) op de terugbetaling van het werkvoorschot afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat in het kader van dat kort geding niet vastgesteld kon worden of en in hoeverre [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor het Lusaro 2-project die hij in verrekening kan brengen met het werkvoorschot. In deze procedure heeft [eisers] gesteld dat het bedrag waarop [gedaagde] aanspraak kan maken op grond van door hem verrichte werkzaamheden, aanzienlijk lager is dan het aan hem uitbetaalde werkvoorschot van € 230.000,-, [gedaagde] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voorshands kan er daarom vanuit worden gegaan dat het bedrag van € 230.000,- dat [gedaagde] onder zich heeft, (aanzienlijk) hoger is dan de te verrekenen declaraties.

4.8. Nu de vordering tot opheffing van de beslagen reeds op grond van het voorgaande dient te worden toegewezen, behoeven de overige door partijen ingenomen stellingen geen bespreking meer.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eisers] zal worden toegewezen als na te melden. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.467,17

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart Lusaro B.V. niet ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2. heft op het door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire (derden)beslag op al hetgeen de Provincie Gelderland van [eisers] onder zich heeft of zal krijgen,

5.3. heft op het door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire (derden)beslag op al hetgeen de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen van [eisers] onder zich heeft of zal krijgen,

5.4. heft op het door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire (derden)beslag op al hetgeen de besloten vennootschap Lusaro B.V. van [eisers] onder zich heeft of zal krijgen,

5.5. heft op het door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire (derden)beslag op alle aandelen in de besloten vennootschap Lusaro B.V. staande ten name van [eisers],

5.6. heft op het door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire beslag op de roerende zaken van [eisers] te weten:

1. een personenauto, merk [automerk], blauw van kleur, met kenteken [kenteken], die blijkens de Rijksdienst voor het Wegverkeer ten name van [eisers] is gesteld;

2. een flatscreen televisie, merk Philips, zwarte behuizing, serienummer SN2A1042002737;

3. een espressoapparaat met piston, roestvrijstalen behuizing, met stoom- en heetwaterpijp,

5.7. heft op de door [gedaagde] op 5 april 2012 ten laste van [eisers], (voorheen) handelend onder de naam Lusaro, gelegde conservatoire (derden)beslagen op al hetgeen de coöperatie Coöperatieve Rabobank De Liemers U.A. te Zevenaar en ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam en mede kantoor houdende te Arnhem, van [eisers] onder zich hebben of zullen krijgen of aan [eisers] verschuldigd zijn of zullen worden,

5.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.467,17,

5.9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2012.

Coll: ESMD