Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW5691

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
216646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring art. 3:30 BW. Rechtsverwerking.

Art. 2:9 BW onbehoorlijk bestuur.

Art. 6:74 BW.

Art. 6:162 BW.

Art. 7:611 BW, goed werkgeverschap jo. art. 2:8 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216646 / HA ZA 11-874

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R. van den Berg Jeths te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 oktober 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2012 mede inhoudende de aantekeningen van de griffier en de akte inhoudende pleitaantekeningen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL

- de antwoordakte van [gedaagde in conventie].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde in conventie] is van 1 april 1992 tot en met 16 november 2005 als statutair directeur in dienst van [eiseres in conventie sub 1] Beheer. Tot 19 april 2005 houdt [gedaagde in conventie] middellijk, via [gedaagde in conventie] Holding B.V., 10,1% van de aandelen in [eiseres in conventie sub 1] Beheer.

2.2. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw sluit [eiseres in conventie sub 1] Beheer met Nassau Verzekeringen mede ten behoeve van [gedaagde in conventie] een verzekering tegen bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheid (hierna: aansprakelijkheidsverzekering).

2.3. Met ingang van 19 april 2005 is het volledig geplaatst kapitaal van [eiseres in conventie sub 1] Beheer overgenomen door VDL. VDL Nederland B.V. is toen naast [gedaagde in conventie] benoemd tot statutair directeur van [eiseres in conventie sub 1] Beheer.

2.4. Ten tijde van de overname van de aandelen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer door VDL is er een arbitrageprocedure aanhangig tussen [eiseres in conventie sub 1] Technology B.V. (hierna: [eiseres in conventie sub 1] Technology), een dochtermaatschappij van [eiseres in conventie sub 1] Beheer, en een klant van haar, Granuband. Deze procedure betreft een door Granuband op 14 augustus 2001 voor een bedrag van € 2.240.000,00 exclusief btw gekochte en op 9 juli 2003 door [eiseres in conventie sub 1] Technology aan haar geleverde rubber recyclingsinstallatie.

2.5. Op 30 juni 2005 wordt de aansprakelijkheidsverzekering bij Nassau Verzekeringen geroyeerd, met dien verstande dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Nassau Verzekeringen met ingang van die datum een uitloopdekking overeenkomen met een duur van drie jaar.

2.6. Op 16 november 2005 ontslaat de algemene vergadering van aandeelhouders van [eiseres in conventie sub 1] Beheer [gedaagde in conventie] als statutair directeur. Tegelijkertijd wordt de tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en [gedaagde in conventie] bestaande arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.7. In de arbitrageprocedure tussen Granuband en [eiseres in conventie sub 1] Technology wordt in het arbitraal vonnis van 7 april 2006 onder meer beslist dat [eiseres in conventie sub 1] Technology ervoor zorg dient te dragen dat de recyclingsinstallatie voor haar rekening zodanig wordt aangepast dat deze 95% inzetbaar is. In het vonnis overweegt de arbiter dat, wegens het niet voldoen aan het 95% vereiste, [eiseres in conventie sub 1] Rubber Technology B.V. (voorheen de naam van [eiseres in conventie sub 1] Technology) de op haar rustende verplichtingen uit de overeenkomst nog niet is nagekomen en dat zij derhalve op zich schadeplichtig is jegens Granuband.

2.8. [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft zich op grond van artikel 2:403 lid 1 sub f Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schulden van [eiseres in conventie sub 1] Technology voortvloeiende uit met ingang van 13 november 2001 aangegane rechtshandelingen. Deze zogenaamde ‘403-verklaring’ is ingetrokken op 12 december 2012.

2.9. In november 2006 spreekt Granuband [eiseres in conventie sub 1] Beheer aan tot nakoming van de verplichtingen van [eiseres in conventie sub 1] Technology jegens Granuband.

2.10. Naar aanleiding van het arbitraal vonnis van 7 april 2006 dagvaardt Granuband [eiseres in conventie sub 1] Beheer voor de rechtbank Roermond.

2.11. [eiseres in conventie sub 1] Technology verkeert sinds 28 maart 2007 in staat van faillissement.

2.12. In de procedure van Granuband tegen [eiseres in conventie sub 1] Beheer wijst de rechtbank Roermond in het vonnis van 23 januari 2008 de vorderingen van Granuband af.

2.13. Bij arrest van 29 maart 2011 vernietigt het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep het vonnis van 23 januari 2008. Voorts wordt in dit arrest onder meer voor recht verklaard dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer hoofdelijk aansprakelijk is voor de tussen Granuband en [eiseres in conventie sub 1] Technology gesloten overeenkomst van 14 augustus 2001 en de daaruit voor Granuband voortvloeiende schade in verband met het toerekenbaar tekortschieten van [eiseres in conventie sub 1] Technology en wordt [eiseres in conventie sub 1] Beheer veroordeeld aan Granuband te vergoeden de dientengevolge geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres in conventie sub 1] Beheer vordert – samengevat – dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde in conventie] op grond van artikel 2:9 BW, althans op grond van artikel 6:74 BW, althans op grond van artikel 6:162 BW en op grond van de schending van het geheimhoudingsbeding uit zijn arbeidsovereenkomst aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft geleden en nog zal lijden in verband met de gevoerde en nog te voeren gerechtelijke procedures tussen haar en Granuband. Voorts vordert [eiseres in conventie sub 1] Beheer de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot vergoeding van alle schade die [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft geleden en nog zal lijden in verband met de gevoerde en nog te voeren gerechtelijke procedures tussen haar en Granuband, bij wege van voorschot te bepalen op € 75.000,00 en voor het overige nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

VDL vordert dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde in conventie] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor alle schade die VDL heeft geleden en nog zal lijden in verband met de gevoerde en nog te voeren gerechtelijke procedures tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Granuband. Voorts vordert VDL de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot vergoeding van alle schade die VDL heeft geleden en nog zal lijden in verband met de gevoerde en nog te voeren gerechtelijke procedures tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Granuband, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Ten slotte wordt de veroordeling gevorderd van [gedaagde in conventie] in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten ad € 1.335,66 van de ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde conservatoire beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

3.2. [gedaagde in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde in conventie] vordert – samengevat – dat voor recht wordt verklaard dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL ieder afzonderlijk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die [gedaagde in conventie] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de beëindiging van de destijds ten behoeve van [gedaagde in conventie] gesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, althans voor alle schade die [gedaagde in conventie] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de eventuele schadevoorvallen die zich hebben voorgedaan in de periode dat [gedaagde in conventie] bestuurder was van [eiseres in conventie sub 1] Beheer waarvoor thans geen dekking meer bestaat. Voorts vordert [gedaagde in conventie] dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL elk afzonderlijk en hoofdelijk worden veroordeeld om als schadevergoeding te betalen de door [gedaagde in conventie] gemaakte kosten van rechtsbijstand in de onderhavige procedures in conventie en reconventie en voorts de betaling van alle bedragen waartoe [gedaagde in conventie] in conventie door de rechtbank mocht worden veroordeeld, bij wege van voorschot te bepalen op € 50.000,00 en voor het overige nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Daarnaast vordert [gedaagde in conventie] dat aan VDL en [eiseres in conventie sub 1] Beheer wordt bevolen om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis alle door hen ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde beslagen op te heffen en opgeheven te houden, op verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100.000,00 en van € 10.000,00 voor elke dag die verstrijkt zonder dat dit bevel is nagekomen, met veroordeling van VDL en [eiseres in conventie sub 1] Beheer in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

3.4. [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Verjaring respectievelijk rechtsverwerking

4.1. Nu [gedaagde in conventie] als verweer tegen de vorderingen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL aanvoert dat sprake is van verjaring dan wel rechtsverwerking, zal allereerst op deze verweren worden ingegaan.

4.2. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (vgl. HR 9 oktober 2009, NJ 2012, 193, HR 9 juli 2010, NJ 2012, 194, HR 10 september 2010, NJ 2012, 195 en HR 3 december 2010 NJ 2012, 196).

4.3. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat eerst in het arrest van 29 maart 2011 is geoordeeld dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer hoofdelijk aansprakelijk is voor de tussen Granuband en [eiseres in conventie sub 1] Technology gesloten overeenkomst van 14 augustus 2001 en de daaruit voor Granuband voortvloeiende schade in verband met het toerekenbaar tekortschieten van [eiseres in conventie sub 1] Technology. Hieruit volgt dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL tot die tijd slechts bekend waren met een kans op schade. Zij waren toen nog niet daadwerkelijk bekend met de schade omdat het ontstaan van de schade afhankelijk was van het ongelijk van [eiseres in conventie sub 1] Beheer in het geschil met Granuband. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verjaringstermijn pas op 30 maart 2011 – vast staat dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer toen heeft kennisgenomen van voormeld arrest – is gaan lopen. Het beroep op verjaring wordt daarom verworpen.

4.4. Wat betreft het beroep op rechtsverwerking wordt als volgt overwogen. Volgens vaste rechtspraak moet de nodige terughoudendheid worden betracht bij het honoreren van een beroep op rechtsverwerking. Enkel tijdsverloop of stilzitten is op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking of het verlies van de aanspraak op de ingestelde vordering. [gedaagde in conventie] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL hun vorderingen niet meer geldend zouden maken. Bovendien is niet van feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL de voor hun kenbare belangen van [gedaagde in conventie] op onaanvaardbare wijze hebben veronachtzaamd. De stelling dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL de bewijspositie van [gedaagde in conventie] hebben geschaad, [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL betwisten dit, is niet onderbouwd. Ook de omstandigheid dat de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer gesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering op 30 juni 2005 is geroyeerd, maakt niet dat gezegd kan worden dat de belangen van [gedaagde in conventie] onaanvaardbaar zijn veronachtzaamd. Niet in geschil is immers dat Granuband [eiseres in conventie sub 1] Beheer pas begin november 2006 heeft aangesproken op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank passeert dan ook het beroep op rechtsverwerking.

4.5. Hierna behandelt de rechtbank eerst de vorderingen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer. Vervolgens zal op de vorderingen van VDL worden ingegaan.

Vorderingen [eiseres in conventie sub 1] Beheer

Artikel 2:9 BW

4.6. [eiseres in conventie sub 1] Beheer legt aan haar vorderingen in de eerste plaats ten grondslag dat sprake is van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW). [eiseres in conventie sub 1] Beheer stelt daartoe dat [gedaagde in conventie] als haar bestuurder met Granuband is overeengekomen dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer zich jegens Granuband aansprakelijk stelt voor de verplichtingen van [eiseres in conventie sub 1] Technology uit de koopovereenkomst van 14 augustus 2001, terwijl de raad van commissarissen daarvoor niet de op grond van artikel 23 lid 4 sub g van de statuten vereiste goedkeuring heeft gegeven. Bovendien heeft [gedaagde in conventie] door zijn handelswijze in deze [eiseres in conventie sub 1] Beheer aan een onacceptabel groot risico blootgesteld. [gedaagde in conventie] heeft de situatie volgens [eiseres in conventie sub 1] Beheer verergerd door zijn toezegging aan Granuband niet op schrift te stellen of anderszins intern kenbaar te maken. Ook bij het due diligence onderzoek eind 2004 in het kader van de overname van [eiseres in conventie sub 1] Beheer door VDL en de bespreking tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Granuband over een minnelijke regeling heeft [gedaagde in conventie] hierover gezwegen. [gedaagde in conventie] kan van een en ander een ernstig verwijt worden gemaakt, aldus [eiseres in conventie sub 1] Beheer.

4.7. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat artikel 2:9 BW naar vaste rechtspraak aldus wordt uitgelegd dat voor aansprakelijkheid op voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde in conventie] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. De rechtbank zal hierna per verwijt beoordelen of [gedaagde in conventie] in strijd heeft gehandeld met artikel 2:9 BW en of hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Goedkeuring raad van commissarissen

4.8. [gedaagde in conventie] stelt zich primair op het standpunt dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer zich met goedkeuring van de raad van commissarissen jegens Granuband aansprakelijk heeft gesteld voor de verplichtingen van [eiseres in conventie sub 1] Technology uit de koopovereenkomst van 14 augustus 2001. Tijdens de comparitiezitting heeft [gedaagde in conventie] verklaard dat hij “[…] steeds in nauw contact [stond] met de voorzitter van de raad van commissarissen, de heer [betrokkene], bij belangrijke onderhandelingen zoals die met Granuband” en dat “[betrokkene] […] tijdens deze informele overleggen meestal direct de te nemen beslissingen [nam].” Voorts heeft [gedaagde in conventie] verklaard dat “in mei of juni 2001 […] van [betrokkene] het bericht [kwam] dat de raad van commissarissen de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer aan Granuband af te geven garantie goedkeurde”. [gedaagde in conventie] stelt dat vervolgens op advies van de heer [betrokkene 2], destijds interim controller van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en werkzaam als registeraccountant bij de huisaccountant van [eiseres in conventie sub 1] Beheer, aan de raad van commissarissen is voorgesteld de garantstelling te formaliseren in de vorm van een door [eiseres in conventie sub 1] Beheer af te geven zogenaamde ‘403-verklaring’ omdat een bankgarantie niet mogelijk was. Dit is ook zo met de controller en de accountant van [eiseres in conventie sub 1] Beheer besproken, aldus [gedaagde in conventie].

4.9. De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar betwist [eiseres in conventie sub 1] Beheer dat haar raad van commissarissen de aan Granuband afgegeven garantie heeft goedgekeurd of dat deze is besproken met haar accountants, maar zij heeft de onder 4.8 geciteerde door [gedaagde in conventie] ter comparitie afgelegde verklaring niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer die verklaring wel gemotiveerd had kunnen betwisten omdat de in de procedure tussen Granuband en [eiseres in conventie sub 1] Beheer door van Son afgelegde verklaringen, in het bijzonder zijn voor het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch afgelegde getuigenverklaring van 1 december 2009, daarmee in lijn zijn, althans niet in tegenspraak. Bovendien bevestigt de door [betrokkene 2] voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch afgelegde getuigenverklaring van 3 maart 2010 dat voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst met Granuband diverse malen binnen [eiseres in conventie sub 1] Beheer is gesproken over de door Granuband verlangde zekerheidstelling. Ook is in de verklaring van [betrokkene 2] te lezen dat hij ervan uitgaat dat het voorstel aan de raad van commissarissen om een 403-verklaring af te geven teneinde de door Granuband bedongen zekerheid te formaliseren van hem afkomstig is.

4.10. Niet is gebleken dat de verklaringen van [gedaagde in conventie] en/of [betrokkene 2] ongeloofwaardig zijn, zoals [eiseres in conventie sub 1] Beheer stelt. Immers, niet in geschil is dat de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer afgegeven 403-verklaring door haar raad van commissarissen is goedgekeurd terwijl niet onderbouwd is gesteld dat de afgegeven 403-verklaring in geen enkel opzicht in verband staat met de tussen [eiseres in conventie sub 1] Technology en Granuband gesloten koopovereenkomst. De omstandigheid dat de garantstelling niet is opgenomen in de koopovereenkomst van 14 augustus 2001 maakt dit niet anders omdat de garantstelling is overeengekomen met [eiseres in conventie sub 1] Beheer, die geen partij is bij de overeenkomst met Granuband. Bovendien valt uit de verklaringen van [gedaagde in conventie] en [betrokkene 2] af te leiden dat op 14 augustus 2001 nog niet vaststond dat de garantstelling door [eiseres in conventie sub 1] Beheer zou worden vormgegeven in een 403-verklaring. Voorts is niet weersproken dat het sluiten van de overeenkomst met Granuband van groot belang was voor de in een financieel benarde positie verkerende en onder bijzonder beheer van de ABN AMRO Bank staande [eiseres in conventie sub 1] vennootschappen, in het bijzonder voor [eiseres in conventie sub 1] Technology en [eiseres in conventie sub 1] Beheer. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer afgegeven 403-verklaring in tijd is beperkt met het doel om de verplichtingen van [eiseres in conventie sub 1] Technology uit hoofde van de koopovereenkomst met Granuband buiten de 403-verklaring te houden.

4.11. De omstandigheid dat in het due diligence-onderzoek eind 2004 niet specifiek is gesproken over de garantstelling van [eiseres in conventie sub 1] Beheer jegens Granuband doet evenmin af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [gedaagde in conventie] en [betrokkene 2]. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat in dit onderzoek aandacht is besteed aan de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer afgegeven 403-verklaring en de reikwijdte daarvan, terwijl vast staat dat [eiseres in conventie sub 1] Technology toen al aansprakelijk was gesteld door Granuband uit hoofde van de koopovereenkomst van 14 augustus 2001 en dat daarover een arbitrageprocedure liep. Bovendien is niet weersproken dat [gedaagde in conventie] en [betrokkene 2] er destijds van zijn uitgegaan dat de garantstelling van [eiseres in conventie sub 1] Beheer met de 403-verklaring was afgedekt. Het wekt ook geen bevreemding dat in de notulen van de raad van commissarissen slechts de formele goedkeuring van de raad van commissarissen met het afgeven van de 403-verklaring is terug te vinden, nu – zoals [gedaagde in conventie] onbetwist heeft gesteld – de notulen niet meer dan een globale neerslag vormen van hetgeen in de raad van commissarissen is besproken en besloten. Evenmin is het verwonderlijk dat in de jaarrekeningen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer of de toelichting daarop niet specifiek melding is gemaakt van de garantstelling aan Granuband. Er was immers sprake van een garantstelling waarvan de directie van [eiseres in conventie sub 1] Beheer meende dat die in de 403-verklaring was geformaliseerd.

4.12. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer niet had mogen volstaan met de enkele betwisting van de stelling dat haar raad van commissarissen de garantstelling aan Granuband heeft goedgekeurd. Aangezien de advocaat van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL ter zitting heeft verklaard over de door [gedaagde in conventie] en [betrokkene 2] afgelegde verklaringen te hebben gesproken met onder meer [betrokkene], had van [eiseres in conventie sub 1] Beheer mogen worden verwacht dat zij de betwisting van de verklaringen van [gedaagde in conventie] – die zij zelf in deze procedure heeft overgelegd – en [betrokkene 2] nader had geconcretiseerd of onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van een schriftelijke verklaring van [betrokkene]. Dit heeft [eiseres in conventie sub 1] Beheer echter nagelaten. In het licht van de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van [gedaagde in conventie] wordt daarom geoordeeld dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer onvoldoende gemotiveerd of onderbouwd heeft weersproken dat zij zich met goedkeuring van de raad van commissarissen jegens Granuband aansprakelijk heeft gesteld voor de verplichtingen van [eiseres in conventie sub 1] Technology uit de koopovereenkomst. Er is dan ook geen grond om [eiseres in conventie sub 1] Beheer toe te laten tot het leveren van (tegen)bewijs.

4.13. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ervan moet uitgaan dat de raad van commissarissen de aan Granuband afgegeven garantstelling heeft goedgekeurd. De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde in conventie] in strijd met enige statutaire bepaling heeft gehandeld op grond waarvan hem enig verwijt kan worden gemaakt.

Risicovol handelen

4.14. [eiseres in conventie sub 1] Beheer stelt dat [gedaagde in conventie] haar aan een onacceptabel groot risico heeft blootgesteld door namens haar een onvoorwaardelijke garantstelling aan Granuband af te geven terwijl gebruikelijk is om te werken met bankgaranties omdat die een voorzienbaar risico met zich brengen.

4.15. De rechtbank overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat een risico zich verwezenlijkt waarmee een aanzienlijk belang is gemoeid, is onvoldoende voor het oordeel dat een bestuurder een onacceptabel groot risico heeft genomen of daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de beantwoording van de vraag of aan [gedaagde in conventie] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de aan Granuband afgegeven garantstelling moet komen vast te staan dat geen redelijk handelend bestuurder zo zou hebben gehandeld op het moment dat de garantstelling werd verstrekt.

4.16. Daargelaten dat ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde in conventie] met goedkeuring van de raad van commissarissen de garantstelling heeft afgegeven, heeft te gelden dat niet gemotiveerd is weersproken dat er geen alternatieven waren voor het verschaffen van zekerheid aan Granuband. [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft niet betwist dat door de slechte financiële positie van de [eiseres in conventie sub 1] vennootschappen de bank niet bereid was tot het verstrekken van bankgaranties of dat zij in dit verband niet in staat was de gebruikelijke contragaranties aan de bank te verstrekken. Bovendien staat als onweersproken vast dat de overeenkomst met Granuband van groot belang was voor onder meer [eiseres in conventie sub 1] Technology en [eiseres in conventie sub 1] Beheer en dat Granuband geen genoegen wenste te nemen met een beperkte garantie. Daarbij komt dat niet is gesteld dat [gedaagde in conventie] een onverantwoord risico heeft genomen door namens [eiseres in conventie sub 1] Technology de overeenkomst van 14 augustus 2001 te sluiten. [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft de stelling dat zij aan een onaanvaardbaar risico is blootgesteld voor het overige niet onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat geen redelijk handelend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – gehandeld zou hebben als [gedaagde in conventie] heeft gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat aan [gedaagde in conventie] een onacceptabel groot risico heeft genomen op grond waarvan hem een verwijt valt te maken.

Zwijgen over de garantstelling

4.17. Volgens [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft [gedaagde in conventie] de aan Granuband afgegeven garantstelling op schrift gezet, intern kenbaar gemaakt noch gemeld ten tijde van de due diligence die is uitgevoerd in het kader van de overname van [eiseres in conventie sub 1] Beheer door VDL. De rechtbank is van oordeel dat – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat deze verwijten tot aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] jegens [eiseres in conventie sub 1] Beheer kunnen leiden. De gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] kan daarom niet op deze verwijten worden gebaseerd. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij.

Slotsom

4.18. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dient de vordering op grond van artikel 2:9 BW te worden afgewezen.

Artikel 6:74 BW

4.19. Subsidiair heeft [eiseres in conventie sub 1] Beheer aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde in conventie] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van zijn bestuurstaak zodat hij ex artikel 6:74 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer geleden en te lijden schade.

4.20. De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres in conventie sub 1] Beheer heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde in conventie] toerekenbaar is tekortgeschoten in de zin van artikel 6:74 BW verwezen naar hetgeen zij ten aanzien van haar beroep op artikel 2:9 BW heeft gesteld. In dat licht kan, nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, de aan het beroep op artikel 2:9 BW ten grondslag gelegde verwijten niet zijn komen vast te staan, [gedaagde in conventie] ook niet aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 6:74 BW. De vordering op deze grondslag dient daarom te worden afgewezen.

Artikel 6:162 BW

4.21. Op dezelfde gronden als hiervoor genoemd, dient de vordering, voor zover deze op artikel 6:162 BW is gegrond, te worden afgewezen.

Geheimhoudingsbeding

4.22. [eiseres in conventie sub 1] Beheer stelt dat [gedaagde in conventie] het geheimhoudingsbeding in zijn arbeidsovereenkomst heeft geschonden door ten behoeve van Granuband de onderhandse verklaringen van 30 september 2007, 22 november 2007 en 15 april 2008 af te leggen terwijl hij op 1 december 2009 als getuige ook nog een verklaring heeft afgelegd.

4.23. De rechtbank overweegt als volgt. De door [gedaagde in conventie] aan Granuband afgelegde verklaringen hebben zonder uitzondering betrekking op de tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Granuband overeengekomen garantstelling. Gesteld noch gebleken is dat de door [gedaagde in conventie] afgelegde verklaringen informatie bevatten die niet al bekend was bij Granuband, terwijl de omstandigheid dat [gedaagde in conventie] zich heeft geleend om de kennis van Granuband te versterken met de zijne de geheimhouding op zich niet raakt. Het enkele feit dat [gedaagde in conventie] drie onderhandse verklaringen aan Granuband heeft afgelegd – waar daarvan verder ook zij – is daarom onvoldoende voor het oordeel dat [gedaagde in conventie] zijn geheimhoudingsverplichting niet is nagekomen. Zonder concrete toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat [gedaagde in conventie] aan Granuband geheime of vertrouwelijke informatie heeft toevertrouwd. Er bestaat om die reden geen aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde in conventie] het geheimhoudingsbeding in zijn arbeidsovereenkomst heeft geschonden, laat staan dat dit is komen vast te staan. De vordering op dit onderdeel moet derhalve worden afgewezen.

Vorderingen VDL

4.24. VDL legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde in conventie] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en dat [gedaagde in conventie] daarmee aansprakelijk is voor de door haar dientengevolge geleden en nog te lijden schade. VDL stelt daartoe dat [gedaagde in conventie] ten tijde van de overname van de aandelen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer door VDL en meer in het bijzonder in het kader van het due dilligence-onderzoek opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan, althans relevante feiten heeft verzwegen met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van [eiseres in conventie sub 1] Beheer jegens Granuband.

4.25. De rechtbank overweegt als volgt. De stelling dat [gedaagde in conventie] opzettelijk heeft gehandeld zoals hij volgens VDL heeft gedaan, [gedaagde in conventie] weerspreekt dit, is niet onderbouwd, terwijl VDL ter onderbouwing van de stelling dat [gedaagde in conventie] zich jegens haar onrechtmatig heeft gedragen geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd dan die welke [eiseres in conventie sub 1] Beheer ten aanzien van haar vorderingen heeft gesteld. De aan de vorderingen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn echter niet komen vast te staan, althans kunnen niet de aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] vestigen. Daarom kan ook VDL [gedaagde in conventie] niet aansprakelijk houden voor de op grond daarvan aan [gedaagde in conventie] gemaakte verwijten. De vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen.

Proceskosten

4.26. [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in conventie] worden begroot op:

- griffierecht € 588,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 2.823,00

in reconventie

Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering

Artikel 6:74 BW

4.27. [gedaagde in conventie] legt aan zijn vorderingen die betrekking hebben op de beëindiging van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering primair het volgende ten grondslag. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw is tussen de bestuurder en de commissarissen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer enerzijds en [eiseres in conventie sub 1] Beheer anderzijds overeengekomen dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer een Bestuurders- en Commissarissen-aansprakelijkheidsverzekering zou sluiten. Ter uitvoering van deze afspraak is [eiseres in conventie sub 1] Beheer vervolgens een aansprakelijkheidsverzekering aangegaan met Nassau Verzekeringen. Deze verzekering is zonder medeweten van [gedaagde in conventie] op 30 juni 2005 geroyeerd. [gedaagde in conventie] mocht er steeds op vertrouwen dat schadevoorvallen die zich hebben voorgedaan in de periode dat hij bestuurder was van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en die tot een mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] als bestuurder zouden kunnen leiden door de verzekering bij Nassau Verzekeringen of een opvolgende verzekering gedekt zouden zijn. Door de beëindiging van de verzekering is dit niet het geval terwijl bij instandhouding van de verzekering volgens [gedaagde in conventie] zonder meer dekking bestond. Daarom stelt [gedaagde in conventie] dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer jegens hem ex artikel 6:74 BW toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraak [gedaagde in conventie] te verzekeren en verzekerd te houden tegen bestuurdersaansprakelijkheid voor de periode dat hij bestuurder was van [eiseres in conventie sub 1] Beheer, althans dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van het terzake tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Nassau Verzekeringen overeengekomen derdenbeding ten gunste van hem. Naast [eiseres in conventie sub 1] Beheer is ook VDL jegens [gedaagde in conventie] aansprakelijk, omdat zij formeel, materieel en feitelijk er de hand in heeft gehad dat er geen dekking meer is.

4.28. De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL betwisten dat is overeengekomen dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer [gedaagde in conventie] zou verzekeren en verzekerd houden tegen bestuurdersaansprakelijkheid. Voorts betwisten zij dat tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Nassau Verzekeringen een derdenbeding ten gunste van [gedaagde in conventie] is overeengekomen. [gedaagde in conventie] heeft zijn stellingen op dit onderdeel in het geheel niet onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen, zeker nu [gedaagde in conventie] stelt dat sprake is van een door hem bedongen arbeidsvoorwaarde. De arbeidsovereenkomst van [gedaagde in conventie] bevat terzake echter geen bepaling. Van [gedaagde in conventie] had mogen worden verwacht dat hij concreet had aangegeven wie er namens [eiseres in conventie sub 1] Beheer optrad toen de gestelde arbeidsvoorwaarde met hem werd overeengekomen of dat hij een stuk had overgelegd waaruit het besluit van [eiseres in conventie sub 1] Beheer blijkt dat zij zich jegens haar bestuurder en commissarissen verplichtte om een aansprakelijkheidsverzekering te sluiten. Dit heeft hij nagelaten. Ook overigens is niet gebleken van het bestaan van een verbintenis tot het sluiten van een verzekering tegen bestuurdersaansprakelijkheid.

4.29. [gedaagde in conventie] heeft voorts geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat sprake is van een derdenbeding waaruit volgt dat tussen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en Nassau Verzekeringen is overeengekomen dat ten behoeve van [gedaagde in conventie] een verzekering zou worden gesloten en in stand gehouden. De door [gedaagde in conventie] in het geding gebrachte correspondentie met Nassau Verzekeringen bevat hiervoor geen enkele aanwijzing. De andere producties waarop [gedaagde in conventie] zich in deze procedure beroept doen dat evenmin. Daarbij komt dat zonder toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [gedaagde in conventie] er steeds op mocht vertrouwen dat schadevoorvallen die zich hebben voorgedaan in de periode dat hij bestuurder was van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en die tot een mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] als bestuurder zouden kunnen leiden zouden zijn gedekt. De enkele omstandigheid dat de door [eiseres in conventie sub 1] Beheer bij Nassau Verzekeringen gesloten aansprakelijkheidsverzekering met ingang van 30 juni 2005 zonder medeweten van [gedaagde in conventie] is beëindigd, is, indien juist, op zichzelf onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Immers, de opzegging van de verzekering kan – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet als ontoelaatbaar worden aangemerkt, terwijl gesteld noch gebleken is dat [gedaagde in conventie] zelf een verzekering tegen bestuurdersaansprakelijkheid had kunnen sluiten of zou hebben gesloten, indien hij vóór 30 juni 2005 van de beëindiging op de hoogte was geweest. De rechtbank kan er daarom niet vanuit gaan dat [gedaagde in conventie] is benadeeld als al juist is dat de verzekering zonder zijn medeweten is beëindigd.

4.30. Gezien het voorgaande heeft [gedaagde in conventie] zijn stellingen niet voldoende onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank zal hem om die reden daarvan geen bewijs opdragen. Nu niet is niet komen vast te staan dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL jegens [gedaagde in conventie] aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW, zullen de vorderingen op deze grondslag worden afgewezen.

Artikel 7:611 BW en artikel 2:8 BW

4.31. Subsidiair stelt [gedaagde in conventie] dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL door de aansprakelijkheidsverzekering te beëindigen jegens hem in strijd hebben gehandeld met de op hun rustende verplichtingen voorvloeiend uit artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) en voorts ook voortvloeiend uit artikel 2:8 BW (de binnen een rechtspersoon in acht te nemen redelijkheid en billijkheid). De beëindiging van de verzekering klemt volgens [gedaagde in conventie] temeer omdat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL al in november 2006 bekend waren met de aansprakelijkstelling door Granuband en de betrokkenheid van [gedaagde in conventie] bij deze kwestie, terwijl zij [gedaagde in conventie] pas op 2 mei 2011 aansprakelijk hebben gesteld. Zij zijn daarom uiterst lichtvaardig omgesprongen met de belangen van [gedaagde in conventie]. Daarbij speelt ook nog eens mee dat [gedaagde in conventie] een privé persoon is die de kosten van rechtsbijstand die voortvloeien uit deze procedure niet of nauwelijks kan dragen, aldus [gedaagde in conventie].

4.32. In de kern komen de stellingen van [gedaagde in conventie] erop neer dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL de zorgplicht hebben geschonden die zij jegens [gedaagde in conventie] hadden moeten betrachten. De rechtbank overweegt het volgende. Er is geen regel op grond waarvan een rechtspersoon-werkgever kan worden verplicht om zijn bestuurder te verzekeren of verzekerd te houden tegen bestuurdersaansprakelijkheid. Het ligt ook niet in de rede een dergelijke verplichting aan te nemen, nu bestuurdersaansprakelijkheid slechts aan de orde is als een bestuurder op grond van zijn eigen gedragingen een ernstig verwijt valt te maken. Het enkele feit dat de aansprakelijkheidsverzekering met ingang van 30 juni 2005 is beëindigd, levert dan ook geen verwijtbaar onzorgvuldig handelen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL jegens [gedaagde in conventie] op. De door [gedaagde in conventie] gestelde omstandigheid dat de verzekering zonder zijn medeweten is beëindigd, maakt dit, het onder 4.29 overwogene in acht nemend, niet anders. Bovendien kende de aansprakelijkheidsverzekering vanaf de beëindigingsdatum een uitloopdekking gedurende drie jaar.

4.33. Ook de omstandigheid dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL in november 2006 bekend waren met de aansprakelijkstelling van [eiseres in conventie sub 1] Beheer door Granuband en de betrokkenheid van [gedaagde in conventie] bij deze kwestie, betekent niet dat kan worden gezegd dat zij jegens [gedaagde in conventie] verwijtbaar onzorgvuldig zijn geweest. Met inachtneming van hetgeen onder 4.3 en 4.4. is overwogen staat immers vast dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL pas op 30 maart 2011 bekend zijn geraakt met de schade waarvan zij stellen dat [gedaagde in conventie] daarvoor als bestuurder aansprakelijk is. Daarmee staat dan ook vast dat er tot 30 maart 2011 geen sprake was van eventuele bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde in conventie] jegens [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL. Daarom is niet komen vast te staan dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL lichtvaardig met de belangen van [gedaagde in conventie] zijn omgesprongen. De blote stelling van [gedaagde in conventie] dat hij de kosten van rechtsbijstand niet of nauwelijks kan dragen, al dan niet juist, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.34. Nu [gedaagde in conventie] voor het overige geen feiten of omstandigheden aan zijn beroep op de artikelen 7:611 BW en 2:8 BW ten grondslag heeft gelegd, kunnen de vorderingen niet op grond van deze artikelen worden toegewezen.

Artikel 6:162 BW

4.35. Meer subsidiair stelt [gedaagde in conventie] dat door de aansprakelijkheidsverzekering te beëindigen [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. [gedaagde in conventie] heeft aan deze rechtsgrondslag geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan die welke [gedaagde in conventie] ten aanzien van zijn beroep op de artikelen 7:611 BW en 2:8 BW heeft gesteld. Die feiten en omstandigheden zijn echter niet komen vast te staan, althans kunnen niet tot aansprakelijkheid van [eiseres in conventie sub 1] Beheer of VDL leiden. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan artikel 6:162 BW als grondslag voor de vorderingen die de beëindiging betreffen van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Die vorderingen worden daarom afgewezen.

Beslagen

4.36. [gedaagde in conventie] stelt dat de conservatoire beslagen die [eiseres in conventie sub 1] Beheer en/of VDL hebben gelegd ten onrechte zijn gelegd, nu de vorderingen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL ondeugdelijk zijn. [gedaagde in conventie] vordert opheffing van de beslagen. [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL hebben aangevoerd dat hun vorderingen deugdelijk zijn en hebben daarbij verwezen naar hun stellingen in conventie. Zij wensen de beslagen te handhaven.

4.37. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de vorderingen van [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL jegens [gedaagde in conventie] zullen worden afgewezen. Daarmee is gegeven dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd. De vordering tot opheffing van de beslagen zal daarom worden toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding de door [gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom te matigen tot € 5.000,00 voor elke dag dat Koning Beheer en/of VDL in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,00.

4.38. In reconventie worden partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat dit moet leiden tot compensatie van kosten.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie] tot op heden begroot op € 2.823,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5. veroordeelt [eiseres in conventie sub 1] Beheer en VDL om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis de ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde beslagen op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van verbeurte van een aan [gedaagde in conventie] te betalen dwangsom van € 5.000,00 per dag dat met deze veroordeling in gebreke wordt gebleven, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.6. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst af het meer of anders gevorderde,

5.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

coll.: SJM