Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW5229

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
05/700115-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 24-jarige man en een 35-jarige man uit Tiel veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voor diefstal van koper. De rechtbank heeft hen vrijgesproken van een eerdere diefstal van koper en van het opzettelijk gevaar veroorzaken voor het spoorwegverkeer, meermalen gepleegd.

De uitspraak is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank aanzienlijk minder bewezen acht dan de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700115-12

Datum zitting : 24 april 2012

Datum uitspraak : 8 mei 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in PI Arnhem – locatie De Berg, Arnhem Noord.

raadsman : mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na twee door de rechtbank toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 januari 2012, althans in of omstreeks de periode van 16 tot en met 17 januari 2012, op één of meer tijdstippen te Babberich, gemeente Zevenaar, vanaf het spoorwegbaanvak van de Betuweroute, ter hoogte van de Maatjesweg aldaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koper (kabels met een koperen kern, de zogenaamde railbreuk beschermingskabels), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Keyrail B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 16 januari 2012, althans in of omstreeks de periode van 9 januari 2012 tot en met 17 januari 2012, op één of meer tijdstippen te Babberich, gemeente Zevenaar, op het spoorwegbaanvak van de Betuweroute, ter hoogte van de Maatjesweg aldaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, immers werd toen aldaar door verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk in/langs de wissels 5131 en/of 5133A koperen bedrading (de zogenaamde railbreuk beschermingskabels) doorgeknipt en/of vernield en/of verwijderd en/of weggenomen, waardoor het beveiligingssysteem niet meer goed kon functioneren (door doorknippen en/of weghalen van kabels werd detectie opgeheven), althans waardoor bij een spoorstaafbreuk binnen deze spoorsectie de detectie van een trein binnen die sectie niet meer gegarandeerd was (het detectiesysteem detecteert dan geen trein in die sectie, terwijl die er wel kan zijn, met het gevolg dat er meerdere treinen binnen de spoorsectie terecht kunnen komen);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. J.G. Kolkman, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 17 januari 2012 samen met medeverdachte [medeverdachte] bij het spoor van de Betuweroute, ter hoogte van de Maatjesweg in Babberich, gemeente Zevenaar, een hoeveelheid koper (kabels met een koperen kern, de zogenaamde railbreuk beschermingskabels), toebehorende aan Keyrail B.V., gestolen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd in een periode van 16 op 17 januari 2012. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte – voor zover inhoudende dat hij en medeverdachte [medeverdachte] eenmaal bij het spoor koperen kabels hebben weggenomen naar aanleiding van een tip van een derde persoon dat deze kabels al geknipt klaar lagen – niet geloofwaardig. Hiervan uitgaande en in aanmerking nemende dat het tijdsbestek van 10 minuten waarbinnen verdachte en [medeverdachte] geobserveerd zijn te kort is om de grote hoeveelheid koperen kabel te knippen, verwijderen en in te laden – bewezen dat verdachte en [medeverdachte] op meerdere momenten koperen kabels hebben gestolen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij en [medeverdachte] alleen op 17 januari 2012 koperen kabels hebben gestolen. Wel zijn ze al eerder op de genoemde locatie geweest om te kijken.

Beoordeling door de rechtbank

Het door verdachte geschetste scenario kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden uitgesloten. Weliswaar bevat het dossier bewijs dat verdachte en [medeverdachte] reeds eerder op de betreffende locatie zijn geweest, maar dat levert nog geen bewijs voor diefstal op dat moment door verdachte van koperen kabels.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] naast de diefstal op 17 januari 2012 in de genoemde periode nog vaker koper hebben gestolen op de betreffende locatie en zal verdachte daarvan gedeeltelijk vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzettelijk gevaar veroorzaken voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, meermalen gepleegd. De officier van justitie acht de verklaringen van verdachte – voor zover inhoudende dat zij niet zelf hebben geknipt, maar een tip hebben gekregen van een derde persoon dat de koperen kabels al geknipt klaar lagen naast het spoor – ongeloofwaardig. Mede uitgaande van die verklaring van verdachte is sprake van een medeplegen van het knippen van de kabels. Er heeft een nauwe en bewuste samenwerking plaatsgevonden tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en de voormelde derde persoon gelet op de afspraken die tussen hen zijn gemaakt om de doorgeknipte kabels weg te nemen en de buit na afloop te verdelen. Het doorknippen, verwijderen en wegnemen van de railbreuk beschermingskabels levert gevaar op voor het spoorverkeer en verdachten wisten dat en zij hadden daarom ook opzet op het gevaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen objectief bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij het doorknippen van de railbreuk beschermingskabels. Met het wegnemen van de railbreuk beschermingskabels die door een ander zijn losgehaald en/of achtergelaten wordt geen gevaar veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Het door verdachte geschetste scenario kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden uitgesloten. Weliswaar bevat het dossier bewijs dat verdachte en [medeverdachte] twee maal op de betreffende locatie zijn geweest, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat zij toen aldaar railbreuk beschermingskabels hebben doorgeknipt.

Dit geldt te meer nu de bij verdachte en [medeverdachte] aangetroffen hoeveelheid koper, te weten: 489,15 meter, niet de hoeveelheid koperkabel die ten gevolge van een eerdere diefstal los langs het spoor lag, te weten: 550 meter, overschrijdt. Aan de hand van vergelijkend werktuigsporenonderzoek is geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de knipsporen in de gestolen koper kabels met de bij verdachte aangetroffen betonschaar in deze toestand zijn veroorzaakt. Ander gereedschap waarmee de koperen kabels konden zijn geknipt, is bij verdachte noch bij [medeverdachte] aangetroffen.

Volgens de lezing van verdachte zijn hij en [medeverdachte] op de hoogte gebracht van de koperen kabels toen deze reeds waren doorgeknipt en naast de spoorbaan lagen. Op basis van het dossier en deze verklaring van verdachte acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het doorknippen van de kabels. Immers, op het moment waarop verdachte en [medeverdachte] op de hoogte zijn gebracht van de kabels, waren de kabels volgens verdachte reeds doorgeknipt. Nu de nauwe en bewuste samenwerking eerst na dit moment tot stand is gekomen, strekt die zich niet uit tot handelen van een medeverdachte in het verleden. Er kan slechts worden gesproken van samenwerking op de nog te verrichten handelingen, zijnde de diefstal van de reeds doorgeknipte kabels. Met het wegnemen van die doorgeknipte kabels wordt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf bezien nu geen gevaar voor het spoorwegverkeer veroorzaakt, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 17 januari 2012 te Babberich, gemeente Zevenaar, vanaf het spoorwegbaanvak van de Betuweroute, ter hoogte van de Maatjesweg aldaar, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koper (kabels met een koperen kern, de zogenaamde railbreuk beschermingskabels) toebehorende aan Keyrail B.V.;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit en de overlast en het gevaar welke daarmee zijn veroorzaakt. In het voordeel van de verdachte houdt de officier van justitie er rekening mee dat geen ongeval heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen Volkswagen Caddy verbeurd wordt verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer ten aanzien van de strafmaat gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om¬stan¬dighe¬den waaronder dit is begaan, en

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 18 januari 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] railbreuk beschermingskabels gestolen. Dit is een ernstig feit. Diefstal van koper bij het spoor levert veel overlast op voor de spoorbeheerder, maar ook voor de treinreizigers. Dat verdachte en [medeverdachte] zelf de kabels niet hebben doorgeknipt, maakt dit niet anders, nu ook het enkele wegnemen van kabels die door een ander zijn doorgeknipt tot (financiële) overlast leidt.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank aanzienlijk minder bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat , hoewel het feit gepleegd is met de inbeslaggenomen Volkswagen Caddy, deze auto aan de rechthebbende zal moeten worden teruggegeven, nu deze rechthebbende volstrekt onschuldig is aan dit feit.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 310 en 311 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas¬tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten de Volkswagen Caddy, aan de rechthebbende.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. N. Djebali, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 mei 2012.