Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW5134

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/3439
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ7767, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwijdering leerling van en school, Wet op het voortgezet onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2012/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3439

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam 1], eiseres, wonende te [woonplaats], wettelijk vertegenwoordigd do[naam 2]ders, [naam 2]

tegen

het College van Bestuur van de stichting Samenwerkingsstichting Voortgezet Onderwijs Overbetuwe, Arnhem, Renkum en Liemers (stichting Quadraam), gevestigd te Duiven, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 juli 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft verweerder eiseres ([naam 1]) verwijderd van de [naam school 1] (voorheen genaamd [naam 3]) te [plaats]

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 26 maart 2012. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door [naam 2]. Tevens is [naam 2] verschenen. Namens verweerder is verschenen, P.H.M. Kanters, secretaris van verweerder, bijgestaan door mr. W. Lindeboom, advocaat te Den Haag. Tevens is verschenen J.J. Woltersom, directeur van de [naam school 1].

3. Overwegingen

3.1 De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiseres ingezonden stukken, in samenhang bezien, de beroepsgronden kunnen worden afgeleid.

Voorts is gebleken dat het beroep namens eiseres door de wettelijk vertegenwoordigers is ingediend. Ingevolge artikel 8:21, eerste lid, van de Awb behoeft de wettelijk vertegenwoordiger niet de machtiging van de kantonrechter.

De stelling van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de beroepsgronden en een machtiging van de kantonrechter ontbreken, wordt dan ook niet gevolgd.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat artikel 6:6 van de Awb een bevoegdheid bevat om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep en dat van deze bevoegdheid alleen gebruik kan worden gemaakt indien de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Vastgesteld wordt dat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld een verzuim te herstellen.

3.2 Eiseres heeft aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het primaire besluit en het bestreden besluit aangetekend zijn verzonden.

Wat er ook zij van de stellingen van eiseres over de onjuiste aanbieding, vast staat dat eiseres de brieven heeft ontvangen en tijdig bezwaar en beroep heeft ingesteld. Niet gebleken is dat eiseres in haar processuele belangen is geschaad. De rechtbank zal deze grief dan ook verder buiten beschouwing laten.

3.3 Ingevolge artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) wordt onder openbare school - voor zover van belang - verstaan een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of artikel 53c in stand gehouden school.

Het bevoegd gezag voor wat een openbare school betreft is - voor zover van belang - de stichting, bedoeld in artikel 53c.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WVO, voor zover hier van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorschriften omtrent verwijdering worden vastgesteld. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten.

In artikel 14, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bevoegd gezag kan besluiten tot definitieve verwijdering van een leerling.

3.4 Eiseres, geboren op [geboortedatum], was leerling van de [naam school 1] te [plaats], welke school deel uitmaakt van de stichting Quadraam.

3.5 Inzake besluiten tot verwijdering van een leerling van een openbare school moet het bevoegd gezag worden aangemerkt als een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid aanhef en onder b, van de Awb.

3.6 Eiseres heeft betoogd dat verweerder haar in strijd met het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de WVO van school heeft verwijderd voordat zij op een andere school is geplaatst.

3.6.1 Dit betoog treft geen doel. Uit artikel 27, eerste lid, van de WVO volgt dat de zorgplicht van het bevoegd gezag zich ertoe beperkt dat een andere school bereid is gevonden eiseres toe te laten en niet dat verwijdering eerst mogelijk is nadat de leerling op een andere school is geplaatst.

Verweerder heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hij het [naam school 2] bereid heeft gevonden om eiseres tot het praktijkonderwijs toe te laten. Dat de ouders eiseres niet hebben aangemeld bij die school komt voor hun rekening en risico en brengt niet met zich dat de school niet bereid is geweest eiseres toe te laten. Blijkens het verslag van de hoorzitting van 7 juli 2011 hebben de ouders zelf verklaard dat een andere school bereid was eiseres toe te laten.

3.7 De rechterlijke toets is vervolgens beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid, gelet op de betrokken belangen, het besluit tot verwijdering heeft kunnen nemen. De rechtbank merkt op dat verweerder bij de belangenafweging een zekere beoordelingsvrijheid toekomt en dat de rechtbank daar niet in mag treden.

3.8 In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder de feiten vermeld die tot de verwijdering hebben geleid. Eiseres onttrekt zich systematisch aan de leerplicht en indien zij op school is onttrekt zij zich aan onderdelen van het lesprogramma. Eiseres laat zich voorts niet op haar gedrag aanspreken. In dit gedrag wordt zij door haar ouders ondersteund.

Volgens verweerder is sprake van gezagsondermijnend gedrag van eiseres en haar ouders en van een onherstelbare vertrouwensbreuk. Ter zitting heeft verweerder in dit verband benadrukt dat het om een praktijkschool gaat, waar de leerlingen bijzondere aandacht nodig hebben, en waar het gedrag van eiseres een ongewenste uitstraling op deze leerlingen heeft.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet meer de verantwoording kan nemen voor het onderwijs aan eiseres en dat de school handelingsverlegen is geraakt in het voorzien in het voor eiseres noodzakelijke onderwijs.

3.9 Eiseres heeft de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende feiten niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit tot verwijdering afdoende heeft gemotiveerd en dat hij, onder verwijzing naar deze feiten en gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid tot verwijdering van eiseres heeft kunnen overgaan.

Hetgeen eiseres, onder verwijzing naar verschillende verdragen, verder naar voren heeft gebracht maakt niet dat anders geoordeeld moet worden. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de genoemde verdragen in casu geschonden zijn. Voor zover eiseres heeft betoogd dat het recht op onderwijs wordt geschonden, slaagt dit betoog niet. Verweerder heeft ervoor zorggedragen dat een andere school bereid is eiseres toe te laten. Voorts gaat het recht op onderwijs niet zover dat een leerling onder alle omstandigheden op een school moet worden gehandhaafd en is bij wet voorzien in de mogelijkheid tot verwijdering van een leerling.

3.10 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.11 Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

3.12 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.N. Crol, voorzitter, en mr. W.R.H. Lutjes en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: