Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW5054

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
212118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conclusie dat eisers in conventie het bewijs hebben geleverd dat het betaalde bedrag van € 30.000,- aan gedaagde in conventie is geleend. De rechtbank acht op grond van de verklaringen aannemelijk dat is afgesproken dat rente moest worden betaald over het geleende bedrag, omdat ook bij een bankkrediet rente verschuldigd zou zijn verschuldigd zou zijn geweest. De stelling dat een rente van 7,2% is overeengekomen acht de rechtbank echter niet bewezen.

De rechtbank zal daarom gedaagde in conventie veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het beloop van het geleende bedrag met ingang van 1 januari 2010, zoals gevorderd.

Op het punt van de terugbetaling van het geleende bedrag is voor een geval als dit, waarin de leningovereenkomst hierover geen regeling bevat, in artikel 7A:1797 BW slechts bepaald, dat de rechter met het oog op de omstandigheden van het geval enig uitstel van de terugbetaling kan toestaan.

Gedaagde in conventie heeft verder een beroep gedaan op een wilsgebrek. Dit beroep op een wilsgebrek faalt, omdat de stellingen daarover zien op het aangaan van de koopovereenkomst voor de vrachtwagen en niet op het aangaan van de leningsovereenkomst. De stelling dat alles buiten hem om is gebeurd, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Gedaagde in conventie heeft immers zelf de vrachtwagen helpen samenstellen, hij heeft de koopovereenkomst zelf getekend en later ook de leaseovereenkomst. Gedaagde in conventie heeft nog aangevoerd dat voor 14 maart 2010 nog andere betalingen aan eisers in conventie en/of zijn vader zijn gedaan en dat het hier mogelijk gaat om terugbetaling van delen van het geleende bedrag waar het in deze procedure om gaat. Deze stelling wordt echter als onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 212118 / HA ZA 11-256

Vonnis van 18 april 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers in conventie,

verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,

adv[de vader]J.B.M. Alkemade te Nijmegen,

tegen

[gedaagde]

gedaagde in conventie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. S.T.W. Verhaagh te Nijmegen.

Partijen zullen ook hierna weer [eiser] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011 en de daarin genoemde gedingstukken;

- producties, door mr. Alkemade voornoemd toegezonden aan de griffier bij brief van 1 augustus 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 18 augustus 2011;

- het proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 24 november 2011;

- de conclusie na enquête en contra-enquête van [eiser] c.s;

- de antwoord conclusie na enquêtes tevens nadere opmerkingen naar aanleiding der comparitie van partijen van [gedaagde] met een productie;

- de antwoordakte (conform rechterlijke instructie na getuigenverhoor) tevens houdende uitlating over productie en overlegging van productie van [eiser] met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. [gedaagde] staat sinds 1 mei 2007 ingeschreven in het handelsregister met een eenmanszaak onder de naam [naam transportbedrijf].

2.2. Op 25 mei 2007 heeft [gedaagde] het ADR-certificaat voor chauffeur gevaarlijke stoffen behaald.

2.3. In 2007 of 2008 kreeg de moeder van [gedaagde] een ongeneselijke ziekte. [gedaagde] raakte aan de cocaïne.

2.4. [gedaagde], zijn vader, de heer [de vader] (hierna: vader [gedaagde]), en mevrouw [eiser] zijn samen diverse malen bij een vrachtwagenleverancier (DAF) geweest om een vrachtwagen samen te stellen voor de onderneming van [gedaagde]. [gedaagde] heeft uiteindelijk een koopovereenkomst voor de samengestelde vrachtwagen getekend. De levertijd was 14 maanden.

2.5. De moeder van [gedaagde] is op 17 augustus 2008 overleden.

2.6. In december 2008 bleek dat de financiering van de bestelde vrachtwagen een probleem was. De aangezochte banken wilden geen geld uitlenen. Het afbestellen van de vrachtwagen zou een hoge boete met zich meebrengen.

2.7. Op 22 januari 2009 is een leaseovereenkomst gesloten voor de financiering van de bestelde vrachtwagen. Volgens deze overeenkomst diende [gedaagde] uit eigen middelen een aanbetaling van (€ 11.000,- exclusief BTW, ofwel) € 13.090,- inclusief BTW te voldoen. [gedaagde] heeft deze overeenkomst ondertekend.

2.8. Op 26 januari 2009 hebben [eiser] c.s. de lening op hun huis verhoogd om de beschikking te krijgen over extra geld ten behoeve van de aanbetaling op de vrachtwagen.

2.9. [eiser] c.s. hebben op 29 januari 2009 een bedrag van € 13.090,- betaald aan Truckland Zuid Holland. Dit was een aanbetaling op de leasesom ter zake van de vrachtwagen die sindsdien wordt gebruikt in de onderneming van [gedaagde]. Op 29 januari 2009 is de vrachtwagen afgeleverd.

2.10. Op 29 januari 2009 hebben mevrouw [eiser] en vader [gedaagde] zich met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 ingeschreven in het handelsregister. Mevrouw [eiser] werd procuratiehouder en vader [gedaagde] bedrijfsleider. Dit was nodig voor de vergunning van het NIWO, die nodig was om met de vrachtwagen te kunnen gaan rijden.

2.11. Op 4 februari 2009 hebben [eiser] c.s. een bedrag van € 11.910,- overgemaakt op de rekening van [gedaagde] ten behoeve van zijn onderneming. Op het betreffende rekeningafschrift staat bij dit bedrag vermeld: “lening deel 2”.

2.12. Op 11 maart 2009 hebben [eiser] c.s. een bedrag van € 5.000,- overgemaakt op dezelfde rekening van [gedaagde]. Bij dit bedrag staat op het rekeningafschrift vermeld: “voor 10 dagen”.

2.13. Op 7 februari 2009 is een aanvraag ingediend voor een NIWO-vergunning. Deze aanvraag is door [gedaagde] en door vader [gedaagde] ondertekend. Vader [gedaagde] is in de vergunningsaanvraag genoemd als de persoon die beschikt over de vakdiploma’s binnenland en grensoverschrijdend vervoer. In de aanvraag is [gedaagde] vermeld als directeur van de onderneming en vader [gedaagde] als bedrijfsleider. Op 25 maart 2009 is de NIWO-vergunning verleend.

2.14. Op 14, 22 en 28 februari 2009 zijn notulen gemaakt van vergaderingen tussen [gedaagde], vader [gedaagde] en mevrouw [eiser]. De notulen van 14 en 22 februari zijn door alle drie de aanwezigen ondertekend, de notulen van 28 februari zijn alleen door vader [gedaagde] ondertekend. In de notulen zijn besprekingen vastgelegd die te maken hebben met de bedrijfsvoering van de onderneming, waaronder de aanvraag voor de vergunning bij het NIWO en het salaris en de kosten voor verteer van [gedaagde]. Over het door [eiser] c.s. betaalde bedrag van € 30.000,- of over de rente staat in deze notulen niets vermeld.

2.15. Voor de onderneming van [gedaagde] is een ondernemingsplan gemaakt, waarop staat dat het dateert van maart 2009.

2.16. Over het totaal aan [gedaagde] betaalde bedrag van € 30.000,- is tot 1 januari 2010 een bedrag van € 180,- per maand (= 7,2%) ter zake van rente voldaan aan [eiser] c.s.. De betreffende overboekingen dateren van 16 november 2009 (€ 1.560,-) en 23 december 2009 (€ 360,-) en zijn verzorgd door mevrouw [eiser], die tot 14 maart 2010 de administratie van de onderneming van [gedaagde] heeft gedaan.

2.17. Op 14 maart 2010 is onenigheid ontstaan tussen mevrouw [eiser] en vader [gedaagde] enerzijds en [gedaagde] anderzijds.

2.18. Op 15 maart 2010 hebben mevrouw [eiser] en vader [gedaagde] zich uit laten schrijven uit het handelsregister.

2.19. Bij brief van 20 maart 2010 hebben [eiser] c.s. aan [gedaagde] verzocht om het totale bedrag van € 30.000,- uiterlijk op 1 juli 2010 terug te betalen, met een rente van 7,2% per jaar vanaf 1 januari 2010. Dit verzoek hebben zij nog twee keer herhaald, in mei 2010 en in augustus 2010. Bij brief van 10 september 2010 heeft [gedaagde] op het verzoek gereageerd. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij niet van een lening op de hoogte is en ook niet van het genoemde rentepercentage van 7,2%.

2.20. [gedaagde] heeft tijdens de comparitie onder meer het volgende verklaard:

“Mijn vader heeft door zitten duwen en daarom is het toch allemaal gebeurd terwijl ik het niet wilde. (…) Ik heb wel zelf getekend voor de opdracht tot levering van de vrachtwagen. Ik heb het echter niet zelf geregeld. Mijn vader zei dat het mijn moeders droom was dat ik een eigen onderneming zou hebben. Zij wilde de auto nog zien voordat zij zou sterven. Daarom ben ik erin meegegaan. Ik ben niet zelf naar een bank gegaan. Ik heb ook niet zelf een ondernemingsplan geschreven. Van een rente van 7,2% weet ik echt niets af. U vraagt mij of ik vind dat ik het geld moet terugbetalen. Ik vind dat het geen lening is. Het zal wel een soort investering zijn. Het zou ook een schenking kunnen zijn. Ik weet dat niet. Het zou ook de familieband kunnen zijn. Mijn vader woont bij eisers in huis. (…)”

3. De verdere beoordeling

3.1. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 22 juni 2011, met dien verstande dat, waar - bij vergissing - sprake is van “[eiser]”, moet worden gelezen “[eiser]”.

3.2. In dat vonnis heeft de rechtbank [eiser] c.s. opgedragen te bewijzen, dat zij in het kader van de gedane betaling van € 30.000,- een mondelinge leningsovereenkomst hebben gesloten met [gedaagde] en dat daarbij een (maandelijks te betalen) rente van 7,2% per jaar is afgesproken.

3.3. Partijen hebben over en weer getuigen doen horen. [eiser] c.s. hebben bovendien stukken in het geding gebracht. Beide partijen hebben voorts na de enquête en de contra-enquête nog een conclusie genomen en stukken overgelegd.

3.4. Vader [gedaagde] heeft onder meer verklaard:

“(…) We zijn op pad gegaan om een auto te kopen. Daarvoor zijn we bij Truckland geweest en daar hebben we de auto besteld. Met “we” bedoel ik mevrouw [eiser], mijn zoon en ik. Toen moesten we de financiering nog rond krijgen. We zijn bij Paccar geweest, dat is het moederbedrijf van DAF en daar hebben we een offerte gekregen van een leasecontract. De vertegenwoordiger van DAF raadde ons Debis aan, eigendom van Mercedes, omdat deze waarschijnlijk goedkoper was en we daar voor een langere periode een contract konden afsluiten. Dit is uiteindelijk 72 maanden geworden. Daarvoor hadden we financiering nodig en ook een startkapitaal. Mevrouw [eiser] en ik hebben dat geprobeerd bij Bizner, Rabobank, ING Bank en ABN Amro bank. Dit is niet gelukt. De leverdatum van de vrachtwagen kwam dichterbij, dus we zaten helemaal klem. Als we het contract niet zouden nakomen zouden we 10 à 15 procent van de aankoopprijs als boete moeten betalen. Tijdens de gesprekken tussen mevrouw [eiser], [gedaagde] en mij kwam het idee op dat mevrouw [eiser] voor een lening zou zorgen. Op de zondag voor de leverdatum op donderdag hebben wij mails verstuurd en op maandag zijn ze ermee aan de slag gegaan. U vraagt mij van wie het idee is gekomen dat mevrouw [eiser] het geld zelf zou uitlenen. Dit kwam van ons allemaal. Waar haal je zomaar € 30.000,00 vandaan? [gedaagde] is hier ook bij geweest. Hij was erg blij met het idee.

Er zou ook rente in rekening gebracht worden en het zou een tijdelijke situatie zijn. De bedrijfssituatie zou gevolgd worden en op een geschikt moment zou het geld terugbetaald worden aan mevrouw [eiser]. Het rentepercentage was 7,2 procent. U vraagt mij hoe ik dat zo precies weet. Dat heb ik nog nagelezen. Ik weet niet meer waar. Er is niets over de lening op papier gezet, maar het is wel na te gaan in bankafschriften en ik heb geleerd: een mondelinge overeenkomst geldt als een schriftelijke overeenkomst. U wijst mij op het bewijsprobleem. Het is zo klaar als een klontje en het valt mij zwaar dat ik hier tegen mijn zoon zit te getuigen. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Ik bedoel daarbij [gedaagde]. Hij is zeker niet gedwongen om deze lening aan te gaan. (…) [gedaagde] weet wel degelijk dat het een lening is. Wat anders? Sinterklaas? Ik vind het wel naïef van [gedaagde]. Er is naar mijn weten niets van de lening op papier gezet. (…)”

3.5. De getuige J.W. [getuige 1], accountmanager bij DAF, heeft onder meer verklaard dat hij de truck aan [gedaagde] heeft geleverd en dat, nadat de auto was samengesteld, de financiering geregeld moest worden. Voor een startende onderneming is het lastig kredietwaardig te zijn en daarom is een aanvraag bij de eigen financieringsmaatschappij van DAF afgewezen, aldus de getuige. Volgens deze getuige zijn er vijf gesprekken geweest waar [gedaagde] bij aanwezig geweest is. Deze gingen over het samenstellen van de auto en er was ook een gesprek bij de aflevering. Hij heeft niet in detail met [gedaagde] gesproken over de financiering, wel in het algemeen. Hij heeft verklaard dat hij wist dat er geld beschikbaar was gesteld, maar dat hij niet wist of het om een lening ging; mevrouw [eiser] zou regelen dat het geld er zou komen.

3.6. De verklaring van de partijgetuige J.M. [eiser] betreft hoofdzakelijk gesprekken met zijn vrouw over het beschikbaar stellen van geld voor de onderneming van [gedaagde]; dat met [gedaagde] gesproken is over een lening blijkt daar niet uit.

3.7. De partijgetuige mevrouw [eiser] heeft onder meer verklaard:

“De banken stonden niet te trappelen om krediet af te geven en daarbij kwam ook nog de BKR-registratie van de heer [gedaagde]. De enige mogelijkheid was om het privé te financieren. Bij vader [gedaagde] was dat niet mogelijk en bij ons wel. De heer [gedaagde], vader [gedaagde] en ik hebben met zijn drieën gesproken over de financiering en de heer [gedaagde] wilde graag dat wij hem hielpen. Iedere zaterdagochtend rond 11:00 uur dronken we koffie en spraken we over dit soort dingen. Er is bij deze gesprekken wel degelijk ook over de lening gesproken. Wij moesten er ook een lening voor afsluiten en dan ga je niet zomaar over een nacht ijs. In december 2008 / januari 2009 kwam de lening ter sprake en eind januari 2009 hebben we besloten de lening te verstrekken. Het was de enige oplossing. Ik denk dat het idee om geld van mijn man en mij te lenen van mij is gekomen. Ik wist dat wij een overwaarde op de woning hadden en dat ik het op die manier vrij snel kon regelen. De rente was ook te overzien. U vraagt mij of er iets op papier is gezet over de lening. Ik was toen al aan een concept begonnen. Het vertrouwen was op dat moment dermate goed en het was een tijdelijke situatie. We dachten dat het misschien wel na een paar maanden terugbetaald zou worden. (…)

Ik wil nog opmerken over de gesprekken op zaterdagochtend dat we daar ook in de loop van het jaar over de lening hebben gesproken. Ik heb toen gezegd dat we op de liquiditeiten moesten letten, want ons geld zat erin en dat moest wel terugbetaald worden. In september heeft de heer [gedaagde] een lijstje gemaakt. Dat was een berekening van de omzet en kosten per maand en daar stonden de rentebedragen bij tussen de kosten. De heer [gedaagde] heeft dit op een kladpapiertje gemaakt en ik heb het in een Excelbestand overgenomen. Dat kladje is wellicht in het ongerede geraakt. U vraagt mij hoe het kan dat de heer [gedaagde] zegt dat er geen lening is. Ik denk dat hij beïnvloed is door zijn omgeving om vooral te zeggen dat het geen lening is.

Toen de deurwaarder kwam kreeg ik van hem een sms’je met daarin: “Vies, vuil kutwijf.” Ik heb hem toen opgebeld en gevraagd waarom het zover moest komen. Hij zei toen: “Het is jouw woord tegen het mijne. Ik blijf ontkennen dat het een lening is. Ik weet dat het geld geleend is, maar er is niets op papier dus bewijs het maar.” Hij heeft allerlei bedreigingen geuit en ik heb na dit gesprek de politie gebeld. U vraagt mij wat er is afgesproken over rente. Die € 180,- aan maandlasten in het lijstje dat de heer [gedaagde] heeft opgesteld, was de rente. Dat is precies die 7,2 procent. Aan het einde van het jaar is dat ook betaald. Wij betaalden zelf 6,1 procent. (…)

Tijdens de gesprekken op zaterdagochtend is gesproken over het rentepercentage van 7,2 procent. Dat was namelijk die € 180,- per maand. De heer [gedaagde] was daarmee akkoord.”

3.8. Bovengenoemde verklaringen tezamen, in onderling verband beschouwd én in combinatie met de vaststaande feiten, waaronder met name de door [gedaagde] zelf ondertekende leaseovereenkomst en de vaststaande betalingen voor de onderneming van [gedaagde] door [eiser] c.s, leiden tot de conclusie dat [eiser] c.s. het bewijs hebben geleverd dat het betaalde bedrag van € 30.000,- aan [gedaagde] is geleend. Daarbij is meegewogen dat de verklaring van de partijgetuigen slechts beperkte bewijskracht hebben (zie art. 164 lid 2 Rv.). Ook is meegewogen dat op grond van alle getuigenverklaringen aannemelijk is geworden dat het geld niet door [eiser] c.s. aan [gedaagde] is geschonken.

3.9. De verklaringen van [gedaagde] en de twee door hem voorgebrachte getuigen, M.J. [getuige 2] en N. [getuige 3], doen aan dit oordeel niet af. De verklaring van [gedaagde] is hiervoor onvoldoende geloofwaardig in het licht van de vaststaande feiten. De verklaringen van de andere twee getuigen bevestigen in feite dat er geld moest komen voor de bestelde vrachtwagen en dat [gedaagde] meende dat dit uiteindelijk was geregeld via een bankkrediet.

Mevrouw [getuige 2], de partner van [gedaagde], heeft immers verklaard: “Hij ([gedaagde], rb.) heeft geen contact gehad met de banken over de financiering. Hij dacht dat de financiering van de vrachtwagen was geregeld. Waar het geld vandaan kwam wist hij niet.” En “Vooral de lease van de vrachtwagen is heel erg duur. [gedaagde] wist niets van rente die betaald zou moeten worden over het bedrag dat mevrouw [eiser] in de onderneming had gestopt. [gedaagde] dacht dat de vrachtwagen gefinancierd was bij een bank. Maar later bleek dus dat het om een dure lease ging.” Getuige [getuige 3], een vriendin van [gedaagde], heeft verklaard: “[gedaagde] had de financiën niet zelf in beheer. De financiering zou rond zijn, maar ik weet niet hoe. Ik begreep van [gedaagde] dat ze met banken bezig waren maar dat er geen goedkeuring kwam. Toen was er ineens wel een bank en kwam het goed. Pas veel later heb ik gehoord dat er een leasecontract was afgesloten.”

3.10. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] brengen mee dat [gedaagde] ([gedaagde]) dus niet dacht dat [eiser] c.s. hem het geld hadden geschonken of dat zij een investering hadden gedaan die zij niet meer terugwilden (hetgeen dan ook een schenking zou zijn). Uit de verklaringen volgt immers dat hij dacht dat het geld van een bank kwam. Als dit het geval zou zijn geweest, dan ging het dus ook om een lening (maar dan van een bank), waarop rente en waarschijnlijk ook aflossing had moeten worden betaald.

3.11. Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat het bedrag beschikbaar is gesteld in de vorm van risicodragend kapitaal, valt dit met het voorgaande niet te rijmen. Die stelling wordt daarom verworpen. Overigens is de lening in zoverre risicodragend, dat er geen onderpand voor is gevraagd, zodat [eiser] c.s. het risico lopen dat [gedaagde] de lening niet zal kunnen terugbetalen. Dat risico doet er echter niet aan af dat het een lening is die moet worden terugbetaald als deze wordt opgeëist, zoals hier het geval is (zie artikel 7A:1797 BW).

3.12. De rechtbank acht op grond van de verklaringen aannemelijk dat is afgesproken dat rente moest worden betaald over het geleende bedrag, omdat ook bij een bankkrediet rente verschuldigd zou zijn geweest. De stelling dat een rente van 7,2% is overeengekomen acht de rechtbank echter niet bewezen. De verklaringen van de getuigen aan de zijde van [eiser] c.s. daarover zijn daarvoor onvoldoende overtuigend. Voorts is onzeker of de door mevrouw [eiser] opgemaakte schriftelijke overeenkomst de gemaakte afspraken correct weergeeft, aangezien [gedaagde] dit heeft betwist en de overeenkomst niet door hem is ondertekend. Voorts is er geen enkel ander schriftelijk stuk overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de gestelde renteafspraak is gemaakt. De berekening die door [gedaagde] zou zijn gemaakt in klad en die door mevrouw [eiser] zou zijn uitgewerkt in het excell-blad dat is overgelegd als productie 4 bij de brief van 1 augustus 2011, is gelet op de betwisting door [gedaagde] niet voldoende om aan te nemen dat [gedaagde] akkoord is gegaan met € 180,- rente per maand (=7,2%). Ook de rentebetalingen in 2009 zijn daarvoor niet voldoende, omdat [gedaagde] heeft gesteld dat hij hier niets vanaf wist en mevrouw [eiser] heeft erkend dat zij die betalingen zelf heeft gedaan, al stelt zij dat zij dit namens en in opdracht van [gedaagde] deed.

3.13. Een schriftelijk stuk is wel nodig voor toewijzing van de rente van 7,2%, omdat in artikel 7A:1804 BW is bepaald dat de omvang van de rente schriftelijk moet worden overeengekomen. Nu dit niet het geval blijkt te zijn, is artikel 7A:1805 BW van toepassing, dat bepaalt dat bij gebreke van een zodanig geschrift degene die ter leen ontvangen heeft de wettelijke rente verschuldigd is.

3.14. De rechtbank zal daarom [gedaagde] veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het beloop van het geleende bedrag met ingang van 1 januari 2010, zoals gevorderd. De primair gevorderde contractuele rente en de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente komen niet in aanmerking voor toewijzing: de contractuele rente niet op de hiervoor vermelde gronden en de wettelijke handelsrente niet op de grond dat [eiser] c.s. de leningovereenkomst niet heeft gesloten in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

3.15. Op het punt van de terugbetaling van het geleende bedrag is voor een geval als dit, waarin de leningovereenkomst hierover geen regeling bevat, in artikel 7A:1797 BW slechts bepaald, dat de rechter met het oog op de omstandigheden van het geval enig uitstel van de terugbetaling kan toestaan.

3.16. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat zijn onderneming in een precaire financiële situatie verkeert. Volgens hem is de omzet nauwelijks genoeg voor dekking van de kosten; voor brandstof stelt hij geld te moeten lenen van derden. Aflossing van de lening ineens zou tot zijn faillissement leiden, zo betoogt hij. Hij verzoekt te bepalen dat er niet hoeft te worden terugbetaald gedurende een afschrijvingsperiode van tien jaar. [eiser] c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.17. De rechtbank acht een uitstel van tien jaren vanaf heden onverenigbaar met de strekking van artikel 7A:1797 BW. Bij de zinsnede “eenig uitstel” in dat artikel moet aan een veel kortere termijn worden gedacht. Mevrouw [eiser] heeft verklaard dat zij dacht aan terugbetaling na één of twee jaar, namelijk het moment waarop herfinanciering mogelijk zou zijn. Duidelijk is echter dat zij er rekening mee heeft gehouden dat dit niet zo snel mogelijk zou zijn. Inmiddels zijn al drie jaren verstreken sinds het moment waarop [eiser] c.s. de gelden hebben uitgeleend. Gelet op de aanleiding voor de lening en gelet op de huidige crisis, is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] in een moeilijke financiële situatie verkeert. Daarom, maar ook gezien de overige omstandigheden van het geval, ziet de rechtbank aanleiding om [gedaagde] nog een extra jaar uitstel van terugbetaling toe te staan, ingaande op de datum van dit vonnis. Dit uitstel geldt echter niet voor de veroordeling om wettelijke rente over het geleende bedrag te vergoeden, omdat artikel 7A:1797 alleen ziet op terugbetaling van de hoofdsom.

3.18. Het beroep van [gedaagde] op artikel 3:68 BW wordt verworpen. Zelfs als zou worden aangenomen dat dit artikel van toepassing is ondanks het feit dat de inschrijving als procuratiehouder met terugwerkende kracht is gebeurd, dan nog kan dit [gedaagde] niet baten. De leningsovereenkomst was namelijk voldoende bepaald om tegenstrijdige belangen uit te sluiten. Duidelijk is bovendien dat mevrouw [eiser] in het belang van [gedaagde] heeft gehandeld door hem een lening te geven voor het nakomen van verplichtingen die hij al eerder zelf was aangegaan (de koopovereenkomst voor de vrachtwagen en de latere leaseovereenkomst) en voor het opstarten van de onderneming (vergunning en andere kosten). In haar eigen belang was dit niet, juist omdat zij veel risico nam door zonder onderpand of zekerheden een dergelijk groot bedrag uit te lenen aan een startende ondernemer zonder vermogen. Dit terwijl er kennelijk niets is afgesproken over een winstdeling en zij de boekhouding van de onderneming bovendien gratis deed. Het verschil tussen de door haar zelf voor het bedrag betaalde rente (6,1% volgens haar eigen verklaring) en de rente die zij stelt te hebben bedongen van [gedaagde] (7,2%) is – zeker gezien het grote risico - niet zo groot dat daarin een tegenstrijdig belang kan worden ontdekt.

Voorts zou [gedaagde] een aanzienlijke boete verschuldigd zijn geweest als mevrouw [eiser] geen lening zou hebben verstrekt. In dat geval had [gedaagde] namelijk niet kunnen voldoen aan zijn verplichting om de vrachtwagen af te nemen. Zonder de aanbetaling zou de financiering immers niet rond zijn geweest.

3.19. Overigens valt niet in te zien waarom [gedaagde] belang heeft bij het beroep op artikel 3:68 BW. Als de leningovereenkomst al op deze grond vernietigbaar zou zijn, dan zou [gedaagde] het bedrag namelijk met wettelijke rente moeten terugbetalen, maar dan op grond van onverschuldigde betaling (de subsidiaire grondslag van de vordering). Van enig uitstel van de terugbetaling zou dan geen sprake zijn.

3.20. [gedaagde] heeft verder een beroep gedaan op een wilsgebrek, omdat vader [gedaagde] hem het kopen van de vrachtwagen door de strot zou hebben geduwd, vooral met het verhaal dat moeder dit zo graag wilde. Volgens [gedaagde] wilde hij echter nog niet beginnen met het bedrijf, omdat het slecht met hem ging en omdat hij geen geld had. Ook wilde hij liever een tweedehands vrachtwagen vanwege de lagere kosten. Volgens [gedaagde] moet de overeenkomst daarom worden vernietigd. Dit beroep op een wilsgebrek faalt, omdat de stellingen daarover zien op het aangaan van de koopovereenkomst voor de vrachtwagen en niet op het aangaan van de leningsovereenkomst. Reeds daarom kan dit beroep niet tot vernietiging van de leningsovereenkomst leiden.

3.21. Voorts geldt ook hier dat [gedaagde] geen belang heeft bij een vernietiging van de leningsovereenkomst, omdat hij dan het ontvangen bedrag met wettelijke rente zou moeten terugbetalen wegens onverschuldigde betaling. Bovendien is op grond van alle getuigenverklaringen aannemelijk geworden dat [gedaagde] zich uiteindelijk heeft laten overhalen om de vrachtwagen te kopen, omdat hem gezegd werd dat zijn moeder dit zo graag wilde en zij de vrachtwagen dan nog kon zien voor zij zou sterven. Het feit dat hij het eigenlijk nog niet wilde en dat hij kennelijk minder stabiel was door de situatie van zijn op sterven liggende moeder en zijn cocaïneverslaving, maakt nog niet dat hij zijn wil niet heeft kunnen bepalen.

3.22. De stelling dat alles buiten hem om is gebeurd, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. [gedaagde] heeft immers zelf de vrachtwagen helpen samenstellen, hij heeft de koopovereenkomst zelf getekend en later ook de leaseovereenkomst. Ook heeft hij deelgenomen aan de zaterdagochtendbesprekingen over de onderneming. Verder blijkt uit de eigen verklaring van [gedaagde] dat hij wist dat er geld moest komen voor de vrachtwagen en voor de aanbetaling van de leaseovereenkomst, maar dat hij zich er niet over heeft bekommerd waar dit geld vandaan kwam. Hij heeft erop vertrouwd dat mevrouw [eiser] en zijn vader het zouden oplossen en dat hebben zij ook gedaan. Voor zover zij dit anders hebben gedaan dan hij (achteraf) had gewild, komt dit voor zijn risico. Hij heeft het allemaal laten gebeuren. Hij heeft toegelaten dat de vrachtwagen werd afgeleverd en hij is deze vrachtwagen vervolgens ook gaan exploiteren.

3.23. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat voor 14 maart 2010 nog andere betalingen aan [eiser] c.s. en/of vader [gedaagde] zijn gedaan en dat het hier mogelijk gaat om terugbetaling van delen van het geleende bedrag waar het in deze procedure om gaat.

Deze stelling wordt echter als onvoldoende gemotiveerd verworpen. De bij dagvaarding als productie 3 overgelegde rekeningoverzichten bevestigen weliswaar dat op 6 februari 2009 een bedrag van € 4.850,- aan [eiser] c.s. is betaald, maar uit dat overzicht is ook af te leiden dat het hier gaat om terugbetaling van bedragen van € 2.250,-, € 2.000,- en € 600,-, die in de dagen daarvoor door [eiser] c.s. op de rekening van R.G.J. de Gier Transport waren overgemaakt.

3.24. De vordering in (voorwaardelijke) reconventie komt niet voor toewijzing in aanmerking. Hetgeen [gedaagde] daaraan ten grondslag legt komt erop neer, dat hij door terugbetaling van de geleende bedragen schade lijdt ter grootte van - tenminste - de geleende bedragen. Terugbetaling van een lening valt evenwel per definitie niet als schade aan te merken. Het betoog van [gedaagde] komt erop neer dat hij door vader [gedaagde] in deze situatie is gedwongen en daardoor schade lijdt, omdat hij de vrachtwagen heeft gekocht terwijl hij daar niet aan toe was en omdat de vrachtwagen door de ongunstige omstandigheden te duur gefinancierd is. Dit betoog kan echter niet onderbouwen waarom [eiser] c.s. verplicht zouden zijn om schadevergoeding te betalen. Niet gesteld of gebleken is immers dat mevrouw [eiser] betrokken is geweest bij de gestelde beïnvloeding door vader [gedaagde]. Verder ziet het betoog van [gedaagde] eraan voorbij dat hij, zoals hiervoor op grond van de getuigenverklaring aannemelijk is geoordeeld, zelf de beslissing tot aanschaf van de vrachtwagen heeft genomen en vervolgens, toen de financiering problematisch bleek te zijn, niet heeft besloten om de koop te annuleren. Kennelijk vond ook hij de boete die dan verschuldigd zou zijn voldoende reden om door te gaan met de koop ondanks de moeizame en dure financiering.

3.25. Tot slot faalt ook het beroep op artikel 7A:1801 BW, omdat dit artikel niet ziet op het lenen van geld.

3.26. [gedaagde] zal als de in conventie in overwegende mate en in reconventie geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De aan de zijde van [eiser] c.s. gevallen kosten worden als volgt begroot:

in conventie:

voor de betekening van de dagvaarding € 94,77

voor griffierecht € 588,00

voor salaris advocaat: 4,5 punten à € 579,- (liquidatietarief) € 2.605,50 +

totaal € 3.288,27;

in reconventie:

Voor salaris advocaat: (4,5 x 0,5 =) 2,25 punten à € 579,- € 1.302,75.

BESLISSING

De rechtbank

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] om over het geleende bedrag van € 30.000,- de wettelijke rente te betalen met ingang van 1 januari 2010 tot de dag van terugbetaling van het geleende bedrag;

- veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 18 april 2013 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] c.s. het geleende bedrag van € 30.000,- terug te betalen;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding in conventie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 3.288,27;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding in reconventie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 1.302,75.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Smit en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.