Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW4969

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/3364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingsbesluit. Verwijtbaarheid. Bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3364

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 juli 2011, verzonden 12 juli 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011, verzonden 18 mei 2011, is eiser meegedeeld dat door hem verbeurde dwangsommen, tot een bedrag van € 2.000, worden ingevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de invordering gehandhaafd.

Tegen dit besluit op bezwaar is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 februari 2012. Eiser is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door I. Bloemsma.

3. Overwegingen

Bij besluit van 18 oktober 2010 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met het overtreden van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (bouwen zonder omgevingsvergunning). Eiser is daarbij aangeschreven om per direct de bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [adres] te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden met een maximum van € 10.000.

Eiser heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt.

Bij schrijven van 11 februari 2011 heeft verweerder eiser bericht, dat bij een controle op 10 februari 2011 is gebleken dat er op twee dagen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Daarmee zijn volgens verweerder dwangsommen van in totaal € 2.000 verbeurd en is gesteld dat eiser een factuur wordt gezonden ter betaling van dit bedrag. Eiser heeft op 12 april 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 mei 2011 is eiser op de voet van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb meegedeeld dat de desbetreffende dwangsommen tot een bedrag van € 2000 ingevorderd zullen worden omdat twee dagen is gebouwd.

De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder zich, in navolging van zijn bezwaarschriftencommissie, op het standpunt stelt, dat het bezwaarschrift van 12 april 2011 weliswaar prematuur is ingediend, nu dat gericht moet worden geacht tegen het besluit van 10 mei 2011, maar dat niet-ontvankelijk verklaring, gelet op artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Awb, achterwege kan blijven omdat eiser ten tijde van het maken van bezwaar redelijkerwijs kon menen dat er al een invorderingsbesluit was genomen.

De rechtbank komt, mede gelet op een doelmatige afdoening van het geschil, tot hetzelfde oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook een ontvankelijk bezwaar en beroep.

Ten aanzien van de inhoud van het beroepschrift overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 18 oktober 2010, waarbij hem een last onder dwangsom is opgelegd. Deze last dient in deze procedure dan ook als een gegeven te worden aanvaard. Dat betekent ook dat vast staat dat eiser als overtreder van het aan de last ten grondslag gelegd wettelijk voorschrift (bouwen zonder omgevingsvergunning) mocht worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt verder dat volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 115) ter motivering van een daarop gebaseerde invorderingsbeslissing het bestuursorgaan allereerst zal moeten aangeven op welke gronden het van oordeel is dat de dwangsommen zijn verbeurd (dus: dat de last is overtreden), alsmede tot welk bedrag deze zijn verbeurd. Benadrukt zij dat de invorderingsbeschikking in zoverre een declaratoir karakter heeft. De dwangsommen worden van rechtswege verbeurd door de overtreding van de last. De vaststelling bij beschikking dat en tot welk bedrag dit is geschied, is nodig om de geldschuld te kunnen invorderen, maar doet haar niet ontstaan. Naast dit oordeel over de verbeurte dient het bestuursorgaan de beslissing om tot invordering over te gaan, te motiveren. Doorgaans zal daartoe echter kunnen worden volstaan met de overweging, dat er geen redenen zijn om van invordering af te zien. Een adequate handhaving vergt immers, dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen ook worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien; het ligt op de weg van de overtreder om dergelijke omstandigheden onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen, aldus de wetsgeschiedenis.

In aansluiting op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit beroep tegen het invorderingsbesluit derhalve aan de orde is of de last is overtreden door degene aan wie het invorderingsbesluit is gericht en zo ja in hoeverre en tot welke verbeuring van dwangsommen dat heeft geleid.

Verweerder heeft gesteld dat twee dagen is gebouwd, zodat de last in zoverre is overtreden en aldus tweemaal € 1000 aan dwangsommen is verbeurd. Nu eiser niet heeft bestreden dat op de betrokken dagen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, staat vast dat de last twee dagen is overtreden.

Uit de stellingen van eiser dat hij heeft vertrouwd op zijn aannemer en wegens werk veelvuldig afwezig was, zodat hij niet steeds toezicht kon uitoefenen, leidt de rechtbank af dat eiser betoogt dat hem niet kan worden verweten dat de last is overtreden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser de aannemer opdracht heeft gegeven zijn woning te verbouwen. Dat eiser wellicht niet steeds aanwezig was en ook niet expliciet opdracht heeft gegeven op de betrokken dagen te bouwen, betekent niet dat eiser de last niet heeft overtreden. Het was aan hem om naar aanleiding van de opgelegde last nader met de aannemer afspraken te maken om overtreding te voorkomen. Vergelijk een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2011, LJN: BU4553. Eiser heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs in zijn vermogen lag heeft gedaan om de aannemer ervan te weerhouden om toch te gaan bouwen. Dat betekent dat de rechtbank met verweerder tot het oordeel komt dat eiser kan worden verweten dat de last is overtreden.

In dat geval kan slechts in bijzondere omstandigheden van invordering van de last worden afgezien. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder terecht geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan hij niet heeft mogen overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.G.J. Litjens, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: