Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW4404

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
805708 - HA VERZ 12-1074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:685 BW ontbinding arbeidsovereenkomst wegens dringende reden, bestaande uit herhaalde schending van het integriteitsbeleid van de werkgever, een vastgoedonderneming, door de werknemer, een senior vastgoedadviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0428

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 805708 \ HA VERZ 12-1074 \ 303/aep

uitspraak van 5 april 2012

beschikking

in de zaak van

de vennootschap onder firma DTZ Zadelhoff V.O.F.

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij

gemachtigde mr. A. Haan

tegen

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. B.L.G.M. van Gemert

Partijen worden hierna DTZ en [werknemer] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- het verweerschrift;

- de bij het verweerschrift behorende producties met begeleidend schrijven van 20 maart 2012;

- de per fax ontvangen brief van mr. Haan van 22 maart 2012, met producties;

- de per fax ontvangen brief van mr. Haan van 22 maart 2012, met een productie;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 23 maart 2012 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van DTZ en de gemachtigde van [werknemer].

2. De feiten

2.1. [werknemer] is geboren op [dag en maand] 1966.

2.2. DTZ richt zich op advisering bij en bemiddeling van commercieel vastgoed in brede zin, waaronder bedrijfspanden en winkels en woningportefeuilles.

2.3. [werknemer] is op 1 juli 2001 in dienst getreden bij DTZ en was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Vastgoed Adviseur. In deze functie treedt [werknemer] op als zelfstandig makelaar bij grote en complexe opdrachten en is hij tevens verantwoordelijk voor het begeleiden en coachen van trainees.

2.4. Het basissalaris van [werknemer] bedraagt € 4.251,00 exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Naast het basissalaris kunnen winstpunten worden vastgesteld.

2.5. DTZ maakt gebruik van een personeelshandboek dat op al haar werknemers van toepassing is. Onderdeel van dit handboek is de DTZ Zadelhoff Code waarin gedragsregels zijn opgenomen. In de thans geldende DTZ Zadelhoff Code (versie van 1 januari 2006) is onder meer vermeld:

“Iedere medewerker van DTZ Zadelhoff v.o.f. is verplicht om zich te confirmeren aan de DTZ Zadelhoff Code. Deze Code is een raamwerk met regels en richtlijnen welke iedere medewerker dient te volgen. (…)

Persoonlijk belang bij onroerend goed

Een werknemer van DTZ Zadelhoff heeft geen direct of indirect belang bij onroerend goed, tenzij dit dient tot huisvesting of belegging voor hemzelf of zijn onderneming. Hij handelt dan ook direct noch indirect in onroerend goed en onthoudt zich van risicodragende projectontwikkeling. Hij voorkomt betrokken te raken in een verstrengeling van belangen die zijn onafhankelijkheid in gevaar kan brengen.

Werknemer is verplicht eigen aankopen van onroerende zaken, dat niet dient tot huisvesting van hemzelf, schriftelijk aan het Dagelijks Bestuur van DTZ Zadelhoff v.o.f. alsmede aan de leiding van het kantoor van de werknemer te melden. Het Dagelijks Bestuur heeft recht op inzage in alle relevante gegevens met betrekking tot de aan- of verkoop. (…)”

2.6. In handboeken van DTZ daterend van voor 1 januari 2006 was een vergelijkbare regeling opgenomen.

2.7. [werknemer] was en is bekend met de inhoud van de DTZ Zadelhoff Code.

2.8. Eind 2008 heeft DTZ (het belang van) de gedragsregels zoals ze in het personeelshandboek staan nader onder de aandacht van de werknemers gebracht en wel door middel van een e-mail aan het personeel op 4 november 2008 en een presentatie. In die periode is ook een Compliance Officer aangesteld.

2.9. Op 3 augustus 2009 heeft DTZ het onderwerp “integriteit” nogmaals onder de aandacht van haar werknemers gebracht. In dat kader heeft ook [werknemer] een brief ontvangen waarin onder meer staat vermeld:

“Integriteit van ons handelen wordt in toenemende mate van belang in de beoordeling van onze dienstverlening en is een absoluut selectiecriterium geworden voor onze opdrachtgevers.

Als toonaangevende organisatie in het vastgoed, aan wie vaak grote belangen worden toevertrouwd, mag onze integriteit niet ter discussie staan. We willen krachtiger toezien op de naleving van onze gedragscode zoals die ook in het Personeelshandboek is opgenomen. Onderdeel van deze gedragscode, onder A.2, is het melden van het eventuele vastgoedbezit, behoudens de eigen woning, aan het Dagelijks Bestuur. Hieronder vallen ook deelnames in vastgoedmaatschappijen en vastgoedaandelen. (…) Voor de melding dien je gebruik te maken van de formulieren, die via intranet te downloaden zijn. (…) De meldingen dienen voor 1 oktober 2009 aanstaande te zijn ontvangen door onze Compliance Officer, [naam Compliance Officer]. Vanaf heden gaan we naar een systeem waarbij een aankoopvoornemen van beleggingsvastgoed gemeld moet worden aan onze Compliance Officer. Aankoop is dan slechts mogelijk na voorafgaande goedkeuring door de Compliance Officer die de aankoop op een aantal criteria zal toetsen, zoals ondermeer op eventuele conflicterende belangen met DTZ Zadelhoff, c.q. onze opdrachtgevers. Een aanvraagformulier is op te vragen bij de Compliance Officer. Deze regeling geldt voor zowel medewerkers als Partners. (…)”

2.10. In september 2009 had [werknemer] een gesprek met zijn leidinggevende [X] (hierna te noemen: [X]). Op de vraag van [X] of [werknemer] in privé vastgoed bezat heeft [werknemer] geantwoord dat hij twee “woninkjes” had. [X] heeft [werknemer] toen gezegd dat hij dat moest melden. [werknemer] heeft daarbij aangegeven dat hij van mening was dat zijn onroerend goed een privé zaak is. [werknemer] heeft geen schriftelijke melding aan het bestuur van DTZ over zijn vastgoedbezit gedaan, noch een schriftelijke mededeling gedaan bij de Compliance Officer.

2.11. In november 2011 is een Business Update op het intranet van DTZ geplaatst waarin onder meer staat vermeld:

“[naam Compliance Officer] schetst als Compliance Officer de ontwikkelingen op het gebied van integriteit. Eigen vastgoedbezit is bij DTZ Zadelhoff niet toegestaan, tenzij de compliance officer dit heeft goedgekeurd. (…) We gaan er wel 100% vanuit dat vastgoedbezit is gemeld aan de compliance officer en dat de procedure wordt gevolgd op straffe van ontslag. (…)”

2.12. Op 27 januari 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en de compliance officer [naam Compliance Officer], waarbij [compliance officer] [werknemer] vragen heeft gesteld over zijn vastgoedbezit.

In een verslag dat van dit gesprek is opgemaakt staat onder meer vermeld:

“[naam Compliance Officer] ([C.O.]) heeft in december een signaal gekregen dat [voornaam] [werknemer] ([werknemer]) mogelijk in het bezit zou zijn van vastgoedbeleggingen. [C.O.] geeft aan als compliance officer van DTZ Zadelhoff inzicht dient te hebben in het vastgoedbezit van medewerkers.

[werknemer] geeft aan al langer vastgoedbeleggingen te hebben en is zich ervan bewust dat je daar netjes mee moet omgaan.

[werknemer] geeft aan dat hij een jaar of twee geleden met [X] heeft besproken dat hij “een paar pandjes” had. [X] heeft hem toen gevraagd dit te melden, maar [voornaam] vond en vindt dat dit een privéaangelegenheid en heeft er derhalve voor gekozen dit niet te doen. “Mijn banksaldo maak ik ook niet openbaar”. Hij was toen ook al op de hoogte van de procedures van DTZ Zadelhoff inzake melding en aankoop van vastgoed. Reden van aankoop destijds was belegging ten behoeve van zijn pensioensvoorziening.

[voornaam] [werknemer] ([werknemer]) bevestigt dat hij inderdaad in het bezit is van een drietal kleine winkelpanden, te weten een pand aan de [adres 1], en twee panden aan het [adres 2]. Huisnummers zijn hem (even) niet bekend. Aankoop van de drie panden is omstreeks 2006/2007 geweest. (…) De panden vertegenwoordigen gezamenlijk een waarde van ca. EUR 500.000, -.

[C.O.] vraagt wanneer hij het vastgoedbezit van [werknemer] opzoekt in bijvoorbeeld het Kadaster, hij vervolgens uitsluitend de drie panden zal aantreffen, die hij in 2006/2007 gekocht heeft. [werknemer] bevestigt dit. [werknemer] bevestigt nogmaals dat hij op de hoogte is van de aankoop- en meldingsprocedure van DTZ Zadelhoff. Hij heeft er indertijd voor gekozen dit niet te doen en dit later ook aan [X] toegelicht.

[C.O.] vraagt [werknemer] of hij of zijn echtgenote andere vastgoedbeleggingen heeft. Hij geeft aan van niet. Ook verricht hij geen nevenactiviteiten buiten DTZ Zadelhoff. Hij benadrukt tevens geen ambities te hebben op het gebied van dergelijke bijverdiensten. Je moet als werknemer van een vastgoedmakelaar een goed gevoel hebben van wat wel en niet kan.

[C.O.] geeft aan dat hij signalen op het gebied van vastgoedbezit uiterst serieus neemt en hij het daarom altijd tot op de bodem uitzoekt. (…)”

2.13. Op 31 januari 2012 mailt [werknemer] ten aanzien van het verslag van het gesprek van 27 januari 2012 aan [compliance officer]: “ Het verslag is correct. Nog ter aanvulling: mijn vrouw herinnerde mij er nog aan dat zij met een vriendin samen een verhuurde woning in Arnhem heeft sinds +/- 1985. Zij is hiervan voor 50% eigenaar.”

2.14. [werknemer] is enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf A] [werknemer] is tevens aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B], welke B.V. in vastgoed handelt en in ieder geval drie objecten bevat. De heer [Z], een relatie van DTZ, is medebestuurder van [bedrijf B]

3. Het verzoek en het verweer

3.1. DTZ verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk behoort te eindigen, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.

3.2. DTZ onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt.

[werknemer] heeft ondanks de regels en ondanks verschillende oproepen daartoe geen melding gemaakt van vastgoedbezit in privé en [werknemer] bezit meer vastgoed in privé dan hij met [X] in augustus 2009 heeft besproken. [werknemer] is verder als bestuurder en aandeelhouder betrokken bij andere vastgoedondernemingen, waarmee hij het verbod tot het verrichten van nevenwerkzaamheden overtreedt. DTZ heeft er groot belang bij dat haar werknemers zich houden aan de gedragsregels en dat zij integer en transparant handelen. De handelwijze van [werknemer] is niet integer. [werknemer] heeft niet voldaan aan de bepalingen in het Personeelshandboek. Hij heeft niet voldaan aan de oproep in 2009 om vastgoedbezit te melden. Hij heeft niet de waarheid gesproken over de omvang van zijn vastgoedportefeuille en zijn betrokkenheid bij andere vastgoedondernemingen. Bovendien heeft [werknemer] onroerend goed gekocht van een relatie van DTZ. Er is schijn van belangenverstrengeling. Iedere handeling op zich en alle tezamen, vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet.

3.3. [werknemer] voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt primair de ontbinding af te wijzen en subsidiair bij toewijzing van het verzoek tot ontbinding verzoekt hij om een vergoeding ten laste van DTZ.

4. De beoordeling

4.1. Het verzoek houdt geen verband met een opzegverbod.

4.2. Vaststaat dat [werknemer] zijn privé vastgoedbezit niet heeft gemeld bij de Compliance Officer van DTZ. Hij heeft evenmin zijn betrokkenheid bij de vastgoedondernemingen [bedrijf A] en [bedrijf B] gemeld. Daarmee heeft [werknemer] niet gehandeld conform de binnen DTZ geldende regels.

Ook staat vast dat [werknemer] op de hoogte was van de geldende regels met betrekking tot het melden van (het voornemen tot aankoop van) privé vastgoed en deelnames in vastgoedmaatschappijen en vastgoedaandelen.

[werknemer] heeft meegedeeld dat hij niet aan de meldingsplicht heeft voldaan, omdat hij de mening is toegedaan dat persoonlijk vastgoedbezit een privézaak is, waarmee DTZ niets te maken heeft.

4.3. [werknemer] voert onder meer het volgende als verweer aan. [werknemer] stelt dat al zijn leidinggevenden op de hoogte waren van zijn vastgoedbezit en dat vastgoedbezit gewoon was toegestaan binnen DTZ.

Hij handelt niet in vastgoed, maar belegt daarin en dat is toegestaan, aldus [werknemer]. Zijn bezittingen vallen niet binnen de focus van DTZ (de top van de commerciële vastgoedmarkt). [bedrijf A] is een lege B.V. en in [bedrijf B] vervult hij geen actieve rol.

Het pand in Utrecht heeft hij gekocht in november 2009, dus voordat het nieuwe beleid van DTZ om vastgoedbezit te melden bij de Compliance Officer op 1 juli 2010 werd ingevoerd en het transport vond plaats in maart 2010. Het pand is via een verkoopmakelaar gekocht, aldus nog steeds [werknemer].

Volgens [werknemer] is ontbinding van de arbeidsovereenkomst een veel te zwaar middel en had DTZ met een waarschuwing of berisping kunnen volstaan.

4.4. De kantonrechter overweegt als volgt.

DTZ heeft [werknemer]s stelling dat zijn leidinggevenden op de hoogte waren van zijn vastgoedbezit gemotiveerd weersproken, zodat dit niet is komen vast te staan.

Nog afgezien van de vraag of de leidinggevenden van [werknemer] op de hoogte waren van zijn (gehele) vastgoedbezit staat vast dat [werknemer] dat bezit niet heeft gemeld bij het Dagelijks Bestuur of de Compliance Officer en evenmin het voornemen tot koop van vastgoed heeft gemeld. Daarmee heeft hij de geldende regels binnen DTZ overtreden. Voor zover zijn leidinggevenden al (volledig) op de hoogte waren, was dat dus niet voldoende en zeker niet bevrijdend.

Anders dan [werknemer] stelt, is niet gebleken dat het meldingsbeleid van DTZ pas op 1 juli 2010 werd ingevoerd. Uit de hiervoor weergegeven vaststaande feiten blijkt dat in ieder geval per 1 januari 2006 het meldingsbeleid bestond en dat [werknemer] daarvan op de hoogte was. Evenmin is gebleken dat alleen nieuwe aankopen moesten worden gemeld. Voor zover bestaand bezit al niet hoefde te worden gemeld, moest dit in ieder geval wel voor 1 oktober 2009 gemeld zijn, en vanaf 3 augustus 2009 moesten voorgenomen aankopen gemeld worden (zie vaststaande feiten onder 2.9).

4.5. [werknemer] erkent dat hij het pand aan de [straatnaam] in Utrecht, anders dan hij heeft gemeld in het gesprek van 27 januari 2012, niet in 2006/2007 maar in 2009 heeft gekocht, welk pand vervolgens werd geleverd in 2010, en dat verkoper [V] een relatie van DTZ is. Dat het pand via een makelaar werd aangeboden, zoals [werknemer] aanvoert, doet daaraan niet af. [V] was immers de verkoper. Evenmin doet daaraan af dat [werknemer], zoals hij stelt, iedereen in de vastgoedwereld kent. Juist dan is het van belang dat er wordt gewaakt voor belangenverstrengeling. Hetzelfde geldt voor de recente bieding door [werknemer] op een pand dat op naam staat van een relatie van DTZ ([naam relatie]). Niet in geschil is dat het in beide gevallen geen onroerende zaken betrof die tot huisvesting van [werknemer] zelf strekten, zodat hier de meldingsplicht gold.

Na het gesprek van 27 januari 2012 is DTZ gebleken dat [werknemer] onvolledig was geweest in zijn informatieverschaffing. Ook dit is door [werknemer] niet weersproken. Evenmin heeft [werknemer] in dat gesprek openheid van zaken gegeven over zijn belangen in de verschillende B.V.’s, hiervoor bij de vaststaande feiten onder 2.14 vermeld. [werknemer] is van mening dat hem hier geen verwijt treft, omdat het gesprek van 27 januari 2012 ging over vastgoedbezit en niet over andere onderwerpen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [werknemer] tijdens dat gesprek geen melding heeft gemaakt van zijn belangen in genoemde B.V.’s, waarvan in ieder geval [bedrijf B] vastgoed bezit. Het gesprek ging immers, zoals uit het verslag blijkt, om vastgoedbeleggingen van [werknemer]. Bovendien was dit gesprek een duidelijk signaal van DTZ naar [werknemer] om openheid van zaken te geven. Desgevraagd heeft [werknemer] in dat gesprek aangegeven geen andere vastgoedbeleggingen te hebben dan de door hem in dat gesprek genoemde drie winkelpanden. [bedrijf B] had echter ook vier panden en na recente verkoop van één pand thans nog drie.

4.6. Dat [werknemer], die aandeelhouder en bestuurder van deze B.V. is, geen actieve rol in deze B.V. zou spelen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onaannemelijk. Bovendien moeten dergelijke feiten worden gemeld ongeacht de invulling die de bestuurder in concreto aan zijn functie geeft. Ook hier geldt dat [werknemer] DTZ de mogelijkheid ontneemt om een en ander te toetsen. Na het gesprek van 27 januari 2012 is DTZ zelfs gebleken - en dat is door [werknemer] niet weersproken - dat [werknemer] net voor dat gesprek en wel op 24 januari 2012, een pand van een relatie van DTZ heeft bezichtigd en daarop voor privé doeleinden een bod heeft uitgebracht. Ook dit heeft hij in het gesprek drie dagen later onvermeld gelaten.

4.7. De juistheid van de stelling van [werknemer] dat privé vastgoedbezit als belegging was toegestaan binnen DTZ kan in het midden blijven omdat [werknemer] daarbij uit het oog verliest dat het niet aan hem is om te beoordelen of zijn privévastgoed binnen de toegestane normen van DTZ valt. Juist ter bewaking van de integriteit en ter bevordering van transparantie is de Compliance Officer als zodanig aangesteld, die dat beoordeelt. Door niet op de voorgeschreven wijze te melden, heeft [werknemer] zich welbewust aan die toetsing onttrokken en daarmee het doel van de integriteitsregels doorkruist. Daarmee miskent hij het grote belang van het integriteitsbeleid van zijn werkgever DTZ. Of aan [werknemer] uiteindelijk toestemming zou zijn gegeven voor bepaalde aankopen of deelnemingen doet niet terzake. Het gaat erom dat [werknemer] doelbewust geen openheid van zaken heeft gegeven, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht. Dit klemt temeer, nu [werknemer] in de functie van senior vastgoed adviseur werkzaam is en trainees opleidt. Van hem mag daarom worden verwacht dat hij zich terdege bewust is van het belang van het integriteitsbeleid, daarnaar ook handelt en daarmee het goede voorbeeld geeft aan de trainees.

4.8. De stelling van [werknemer] dat DTZ had kunnen volstaan met een waarschuwing bevestigt het oordeel dat [werknemer] kennelijk niet het belang van het integriteitsbeleid inziet. Gelet op de uitgebreide informatie die ook hij als werknemer van DTZ vanaf 2006 had gekregen over het belang van het integriteitsbeleid en de uitgebreide voorschriften voor melding, was volstrekt helder waaraan [werknemer] zich diende te houden. Het gesprek van 27 januari 2012 was bovendien een duidelijke waarschuwing richting [werknemer], waarin de Compliance Officer [werknemer] te kennen heeft gegeven signalen te hebben ontvangen over vastgoedbezit van [werknemer], hij deze signalen uiterst serieus neemt en altijd tot op de bodem uitzoekt en hij bovendien [werknemer] heeft gevraagd of hij, als hij het vastgoedbezit van [werknemer] uitzoekt in bijvoorbeeld het Kadaster, uitsluitend de door [werknemer] vermelde drie panden zal aantreffen. [werknemer] heeft daarop bevestigend beantwoord. Dat was voor [werknemer] in zekere zin de laatste kans om open kaart te spelen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Van DTZ kon niet verlangd worden dat zij [werknemer] nogmaals een kans had gegeven om volledige informatie te verschaffen.

4.9. Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn. De hiervoor overwogen daden en gedragingen van [werknemer] in onderling verband en samenhang bezien hebben tot gevolg dat van DTZ redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [werknemer] weigert aan redelijke bevelen of opdrachten van DTZ te voldoen, door gedurende een lange periode te volharden in het niet volledig openheid van zaken geven over zijn vastgoedbezit en door te volharden in zijn weigering om het voornemen tot aankoop van vastgoed en vastgoedbezit te melden bij de Compliance Officer.

De door [werknemer] aangevoerde omstandigheid dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen. [werknemer] heeft overigens geen andere persoonlijke omstandigheden aangevoerd.

4.10. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van heden.

Uit het voorgaande volgt dat geen plaats is voor een vergoeding.

4.11. [werknemer] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. ontbindt de tussen DTZ en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden met ingang van heden;

5.2. wijst het verzoek van [werknemer] om een vergoeding toe te kennen af;

5.3. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van DTZ begroot op € 109,00 aan griffierecht en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.J. Penning en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.