Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW4188

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
05/700021-12 en 700433-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 25-jarige man uit Tiel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft zich tijdens de oudejaarsnacht bewust bezig gehouden met het afsteken van illegaal zwaar vuurwerk. Zo heeft hij een mortiergranaat afgestoken zonder dat hij daartoe deskundig was en zonder voldoende veiligheidsmaatregelen te nemen. De mortiergranaat is ontploft. De man heeft onaanvaardbaar grote veiligheidsrisico’s genomen.Hij heeft daardoor een grote onverschilligheid met betrekking tot de gezondheid van andere mensen aan de dag gelegd. Door zijn handelen is een slachtoffer gewond geraakt, die niet alleen ernstig verminkt is geraakt, maar voor de rest van zijn leven zijn oog moet missen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte illegaal vuurwerk voorhanden heeft gehad en een brand heeft veroorzaakt door een gevonden fosforgranaat in een bedrijfsruimte schoon te spuiten.

De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van een ernstig verwijtbare naïviteit doordat hij te weinig rekening heeft gehouden met de veiligheid van andere personen en goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummers : 05/700021-12 en 05/700433-12

Datum zitting : 13 april 2012

Datum uitspraak : 27 april 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Overijssel, HvB Karelskamp, te Almelo.

raadsvrouw : mr. H.J.R.M. Boersma, advocaat te Wadenoijen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/700021-12 ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 01 januari 2012 te Tiel (te weten in de [adres]), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door opzettelijk een (ijzeren) pijp, welke was aangebracht in/op/aan een houten constructie en/of vervolgens een zogenaamde mortiergranaat, althans illegaal (zwaar) vuurwerk (deels) in die (ijzeren) pijp te laten zakken en/of te stoppen en/of vervolgens (met een aansteker) de lont van die mortiergranaat/dat illegale vuurwerk aan te steken, waarna deze mortiergranaat/dat illegale vuurwerk en/of die (ijzeren) pijp en/of die houten constructie tot ontploffing is/zijn gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die directe nabijheid aanwezige auto('s) en/of woning(en) en/of overige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of andere in de directe nabijheid aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2. hij op of omstreeks 01 januari 2012 te Tiel, in elk geval in Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl verdachte geen persoon is met gespecialiseerde kennis als bedoeld in artikel 1.1.2a van het vuurwerkbesluit en/of (derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden en/of kennis om professioneel vuurwerk op een veilig en/of verantwoorde wijze tot ontbranding te brengen, professioneel en/of illegaal vuurwerk (een zgn. mortiergranaat) in een (ijzeren) pijp heeft laten zakken en/of gestopt, welke ijzeren pijp was aangebracht op een houten constructie, en/of (vervolgens) in strijd met artikel 1.2.2 lid 3 van het vuurwerkbesluit dat professioneel en/of illegaal vuurwerk tot ontbranding heeft gebracht, ten gevolge waarvan die mortiergranaat/dat vuurwerk en/of die (ijzeren) pijp en/of die houten constructie tot ontploffing is/zijn gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken in zijn aangezicht en/of verlies van (het zicht met) zijn linker oog en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken/verbrijzelde neus, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

3. hij op of omstreeks 01 januari 2012 te Tiel, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (te weten: een of meerdere strijker(s) en/of mortiergranaten en/of een flowerbed) voorhanden heeft gehad en/of tot ontploffing heeft gebracht, terwijl verdachte geen persoon is met gespecialiseerde kennis als bedoeld in artikel 1.1.2a van het Vuurwerkbesluit;

art 1a ahf/ond 1 Wet op de Economische Delicten art 9.2.2.1 Wet Milieubeheer;

4. hij op of omstreeks 01 januari 2012, te Tiel, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid van meer dan 10 kilogram (consumenten)vuurwerk, te weten een of meerdere kanonslagen en/of Top Spinners en/of grondbloemen en/of wondertollen en/of vuurpijlen, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad;

art 1a ahf/ond 1 Wet op de Economische Delicten art 9.2.2.1 Wet Milieubeheer art 1.2.4 lid 2 Vuurwerkbesluit.

Aan verdachte is onder parketnummer 05/700433-12 ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 11 tot en met 13 mei 2011 te Tiel (te weten: op het terrein van Struyk Verwo, perceel [adres]), in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, terwijl verdachte geen, althans onvoldoende kennis heeft op het gebied van wapens en/of munitie en/of explosieven, terwijl voornoemd terrein niet was uitgerust en/of bestemd voor het schoonmaken van wapens en/of munitie en/of explosieven, een fosforgranaat heeft schoongespoten op de afspuitplaats van voornoemd perceel, en/of (daarbij) zich voorafgaand niet (voldoende) heeft vergewist van de inhoud en/of staat die fosforgranaat, ten gevolge waarvan op een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) fosfor op die afspuitplaats terecht is/zijn gekomen, welke hoeveelhe(i)d(en) fosfor (vervolgens) in aanraking zijn gekomen met open lucht/zuurstof, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval, dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor een of meerdere op die afspuitplaats aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond;

2. hij in of omstreeks de periode van 11 tot en met 16 mei 2011 te Tiel, in elk geval in Nederland, -zakelijk weergegeven-: - een antitankbrisantgranaatraket zonder motor (zgn. Pantzerschreck), en/of - een Bodembuis, no 13, en/of - een of meerdere slagpijpje(s), en/of - een of meerdere schokbuis/schokbuizen, en/of - een brisantgranaat, en/of - (ongeveer) 130 gram, in elk geval een hoeveelheid kruid, (elk) zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. 2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.J.R.M. Boersma, advocaat te Wadenoijen.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen: de heer [slachtoffer1], die zich heeft laten bijstaan door mr. N.V.M. Heezen.

Als deskundige is voorts aanwezig: mevrouw W. Kroeze, reclasseringswerker.

De officier van justitie, mr. M. ten Velde, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/700021-12 tenlastegelegde

Het incident tijdens de nacht van oud en nieuw 2011-2012 (feiten 1 en 2)

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 januari 2012 heeft verdachte in de Beusichemstraat te Tiel, ter hoogte van perceel nr. 15, vuurwerk afgestoken, waarbij door verdachte gebruik werd gemaakt van een door hem zelf gemaakte houten constructie, welke was voorzien van tenminste één ijzeren pijp. Deze stellage bevond zich midden op straat en er bevonden zich op dat moment ongeveer 40 personen op die straat. Verdachte heeft in die nacht in deze constructie een mortiergranaat aangestoken met gebruik van een lont. Deze mortiergranaat, die valt aan te merken als illegaal zwaar vuurwerk, is ìn de ijzeren pijp tot ontploffing gekomen. Door de hierop volgende explosie zijn de ijzeren pijp en overige materialen van de constructie gelanceerd. Een deel van de houten constructie heeft de heer [slachtoffer1] in het gezicht geraakt waardoor hij onder meer een houtsplinter in zijn linkeroog heeft gekregen. Overige materialen hebben een omstander en een kind , een auto en een woning geraakt. Door dit incident heeft de heer [slachtoffer1] zijn linkeroog verloren, was zijn neus gebroken/verbrijzeld, was zijn oogkas gebroken en is een litteken in zijn aangezicht ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten was. Tevens acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen, waardoor de heer [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van letsel bij de heer [slachtoffer1]. Verdachte heeft het vuurwerk in Duitsland legaal gekocht. Hij ging er vanuit - en mocht er ook vanuit gaan - dat dit vuurwerk kon worden afgestoken zonder vrees voor een ontploffing zoals deze heeft plaatsgevonden. Verdachte hoefde geen rekening te houden met de mogelijkheid dat dergelijk vuurwerk zo veel kracht kon hebben dat het een dikke stalen lanceerpijp kon vervormen en daarvan zelfs een stuk kon afscheuren. Verdachte steekt immers al jaren vuurwerk af en gaat hierbij altijd zeer zorgvuldig te werk. Er is geen enkele aanwijzing in het dossier dat het tegendeel doet vermoeden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte zich de kwade kans van een ontploffing in de pijp met als gevolg het scheuren van die pijp bewust is geweest en dat hij dus de kans daarop op de koop toe heeft genomen. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Verdachte kan zich verenigen met hetgeen hem onder feit 2 is ten laste gelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het teweeg brengen van een ontploffing (feit 1). Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Verdachte heeft immers willens en wetens een mortiergranaat in een constructie aangestoken met als doel deze tot ontploffing te brengen. Dat zijn opzet niet gericht was op het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is bij de beoordeling van het tenlastegelegde in feit 1 niet van belang. Immers, voor een bewezenverklaring van het misdrijf zoals omschreven in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht behoeft het opzet slechts te zijn gericht op het (in dit geval) teweegbrengen van een ontploffing en niet op de door die ontploffing ontstane gevolgen. Onder sub 1 en 2 van dat artikel geldt weliswaar dat sprake is van bijkomende voorwaarden voor strafbaarheid. Om te voldoen aan deze bijkomende voorwaarden voor strafbaarheid hoeft er echter geen sprake te zijn van opzet. Het uit de gedraging voortvloeiende gevaar moet naar objectieve maatstaven wel algemeen voorzienbaar zijn geweest op het moment van het verrichten van die gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat door de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt door het toegebrachte letsel bij de heer [slachtoffer1], dat de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel aanmerkt, en door de beschadiging aan de auto en de woning. Alleen reeds door de verwezenlijking van het gevaar is de rechtbank van oordeel dat dit naar objectieve maatstaven algemeen voorzienbaar was. Daarenboven geldt dat het afsteken van illegaal, zwaar vuurwerk door een niet daartoe opgeleid persoon in een door verdachte zelf gefabriceerde constructie en zonder dat hij veiligheidmaatregelen had getroffen, eveneens de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een naar objectieve maatstaven voorzienbaar gevaar.

Uit de omstandigheden van het geval kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat er door de ontploffing levensgevaar te duchten was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Met betrekking tot de mate van schuld aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de heer [slachtoffer1] (feit 2) overweegt de rechtbank als volgt.

De strafbaarstelling van het afsteken van zwaar vuurwerk, zoals door verdachte verklaard te zijn gedaan, is mede ingegeven door de gevaren die daarmee gepaard gaan. Ook van overheidswege wordt (onder meer door middel van voorlichtingscampagnes) op de gevaren van vuurwerk gewezen. De enkele omstandigheid dat het vuurwerk (mogelijk) in Duitsland legaal gekocht kan worden, doet aan het gevaarzettend karakter niet af. Het moest voor verdachte die een fascinatie heeft voor vuurwerk en al jaren vuurwerk afsteekt , reeds gelet op de Nederlandse wetgeving en voorlichtingscampagnes, bekend zijn dat dergelijk vuurwerk in Nederland als gevaarlijk wordt beschouwd.

Verdachte wist ook dat het door hem gekochte vuurwerk illegaal was in Nederland. Voorts had hij niet de deskundigheid tot het afsteken van professioneel vuurwerk, dan wel tot het bouwen van constructies voor het afsteken daarvan. Ondanks dit alles heeft verdachte een mortiergranaat in een zelfgemaakte houten constructie tot ontploffing gebracht. Dit heeft hij gedaan in een woonwijk terwijl aldaar diverse omstanders waren. Deze handelingen van verdachte kunnen, naar het oordeel van de rechtbank en in onderlinge samenhang bezien, niet anders dan als roekeloos worden aangemerkt. Dat verdachte al vele malen eerder dergelijk vuurwerk zonder problemen heeft afgestoken, doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen onder de feiten 1 en 2 is ten laste gelegd. De rechtbank zal de tenlastelegging voor zover nodig gecorrigeerd lezen en bewezen verklaren dat:

1. hij op 01 januari 2012 te Tiel (te weten in de [adres]), alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door opzettelijk in een pijp, welke was aangebracht op een houten constructie, een zogenaamde mortiergranaat te stoppen en vervolgens de lont van die mortiergranaat aan te steken, waarna deze mortiergranaat en die pijp en die houten constructie tot ontploffing zijn gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die directe nabijheid aanwezige auto's en woningen en overige goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer1] en [slachtoffer2] en andere in de directe nabijheid aanwezige personen, te duchten was;

2. hij op 01 januari 2012 te Tiel, in elk geval in Nederland, roekeloos, terwijl verdachte geen persoon is met gespecialiseerde kennis als bedoeld in artikel 1.1.2a van het vuurwerkbesluit en (derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden en kennis om professioneel vuurwerk op een veilig en verantwoorde wijze tot ontbranding te brengen, illegaal vuurwerk (een zgn. mortiergranaat) in een pijp heeft gestopt, welke pijp was aangebracht op een houten constructie, en vervolgens in strijd met artikel 1.2.2 lid 3 van het vuurwerkbesluit dat illegale vuurwerk tot ontbranding heeft gebracht, ten gevolge waarvan die mortiergranaat en die pijp en die houten constructie tot ontploffing zijn gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken in zijn aangezicht en verlies van zijn linker oog en een gebroken oogkas en een gebroken/verbrijzelde neus, heeft bekomen.

Het aangetroffen illegale vuurwerk (feit 3)

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat,

vastgesteld.

Verdachte heeft op of omstreeks 1 januari 2012 te Tiel meerdere strijkers, meerdere mortiergranaten en een flowerbed voorhanden gehad en heeft ook dergelijk vuurwerk afgestoken. Verdachte had geen gespecialiseerde kennis met betrekking tot dit soort vuurwerk.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte erkent meerdere strijkers, mortiergranaten en een flowerbed in zijn bezit te hebben gehad en op 1 januari 2012 te Tiel te hebben afgestoken .

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte geen opzet had op het ondeskundig voorhanden hebben en tot ontploffing brengen van professioneel vuurwerk of van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Het vuurwerk is in Duitsland immers als legaal consumentenvuurwerk gekocht.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft genoemd vuurwerk gekocht in Duitsland. Ter zitting is aangegeven dat verdachte wist dat het vuurwerk in Nederland illegaal was. Tevens heeft verdachte aangegeven dat hij voor dit vuurwerk geen speciale deskundigheid heeft. Door desalniettemin dit vuurwerk aan te schaffen, naar Nederland te brengen, aldaar voorhanden te hebben en af te steken, had verdachte naar het oordeel van de rechtbank opzet op het voorhanden hebben en het tot ontploffing brengen van dat vuurwerk.

De strijkers en het flowerbed zijn aangemerkt als professioneel vuurwerk. Deze conclusie is niet betwist door de verdediging. Verdachte heeft verklaard dat hij op 31 december 2011 en na 00.00 uur op 1 januari 2012 illegaal vuurwerk heeft afgestoken, waarbij hij heeft aangegeven dat de bollen, waarvan foto’s op zijn telefoon zijn aangetroffen, mortieren betroffen. De bewuste ontploffing die nacht, is veroorzaakt omdat er iets fout is gegaan met het afsteken van zo’n mortier. Hij heeft verklaard dat hij toen in totaal 6 mortieren heeft gehad.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3. hij omstreeks 01 januari 2012 te Tiel, opzettelijk professioneel vuurwerk (te weten: meerdere strijkers en mortiergranaten en een flowerbed) voorhanden heeft gehad en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl verdachte geen persoon is met gespecialiseerde kennis als bedoeld in artikel 1.1.2a van het Vuurwerkbesluit.

Het aangetroffen consumentenvuurwerk (feit 4)

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van onderzoek aan in beslaggenomen vuurwerk, pg. 43 tot 46;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2012.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4. hij omstreeks 01 januari 2012, te Tiel, opzettelijk een hoeveelheid van meer dan 10 kilogram (consumenten)vuurwerk, te weten meerdere kanonslagen en Top Spinners en grondbloemen en wondertollen en vuurpijlen, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/700433-12 tenlastegelegde

De op 12 mei 2011 ontstane brand (feit 1)

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 mei 2011 bevond verdachte zich op de afspuitplaats van het terrein van Struyk Verwo, perceel [adres] te Tiel, welk terrein niet uitgerust was voor het schoonmaken van wapens, munitie of explosieven. Aldaar heeft verdachte een fosforgranaat schoongespoten, zonder daaraan voorafgaand zich voldoende van de inhoud van die fosforgranaat te hebben vergewist. Uit die fosforgranaat is een hoeveelheid fosfor op die afspuitplaats terecht gekomen. Dat fosfor is in aanraking gekomen met open lucht en daarmee met zuurstof en is op 12 mei 2011 tot ontbranding gekomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er was sprake van culpoze brandstichting doordat verdachte, terwijl hij niet deskundig is, een fosforgranaat heeft schoongespoten op een plaats waar dat niet verantwoord was.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft erkend dat hij onvoorzichtig, onoplettend dan wel onachtzaam is geweest en dat hij kennelijk onvoldoende kennis had van de risico’s van fosforgranaten. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Van een ieder mag worden verwacht dat hij zeer voorzichtig omgaat met gevonden oorlogsmateriaal. Zulks klemt te meer voor verdachte, nu hij immers heeft aangegeven geruime tijd een verzamelaar en liefhebber te zijn van oorlogstuig uit de tweede wereldoorlog. Hij had dan ook moeten weten dat de door hem aangetroffen granaten oorspronkelijk bedoeld waren om grote schade aan te brengen bij ontploffing en rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het door hem gevonden materiaal nog steeds gevaarlijk was.

Verdachte is er evenwel vanuit gegaan dat de granaat geen explosief dan wel brandbaar materiaal meer zou bevatten. Ter staving van dit uitgangspunt heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest. Het is dan ook aan zijn schuld te wijten dat er brand is ontstaan.

Nadat de brand is ontdekt, is de hele fabriek op last van de brandweer ontruimd en bleek dat de brandende substantie zo ontvlambaar was dat de Explosieve Opruimingsdienst (EOD) is ingeschakeld. Hieruit concludeert de rechtbank dat door de brand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. hij in de periode van 11 tot en met 13 mei 2011 te Tiel (te weten: op het terrein van Struyk Verwo, perceel [adres]), aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam, terwijl verdachte onvoldoende kennis heeft op het gebied van wapens en munitie en explosieven, en terwijl voornoemd terrein niet was uitgerust en bestemd voor het schoonmaken van wapens en munitie en explosieven, een fosforgranaat heeft schoongespoten op de afspuitplaats van voornoemd perceel, en daarbij zich voorafgaand niet voldoende heeft vergewist van de inhoud en staat van die fosforgranaat, ten gevolge waarvan een hoeveelheid fosfor op die afspuitplaats terecht is gekomen, welke hoeveelheid fosfor vervolgens in aanraking is gekomen met open lucht/zuurstof, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen, ontstond.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bij verdachte in beslag genomen munitie en overig oorlogstuig (feit 2)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe is verwezen naar een aanvullend proces-verbaal van bevindingen gedateerd 20 maart 2012, waaruit volgt dat een deel van de in beslag genomen goederen springstofkristallen bevatte en gevaarzettend was.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling van de rechtbank

Bij verdachte is diverse munitie en overig oorlogsmateriaal in beslag genomen. Van het naar deze goederen verrichte onderzoek is een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende in beslag genomen goederen. Deze zijn naar mate van hun gevaarzettendheid ingedeeld in drie categorieën. “Categorie 3” omvat munitie-artikelen waarvan tijdens de controle en identificatie is gebleken, dat ze gevaar kunnen opleveren tijdens opslag en vervoer, vanwege de aanwezigheid van mogelijke springstofkristallen of de aanwezigheid van vermoede gevaarlijke en/of gevoelige componenten.

Aan verdachte wordt ten laste gelegd het voorhanden hebben van de onder deze “categorie 3” genoemde goederen (waarbij de rechtbank “kruit” leest in plaats van “kruid”).

In het proces-verbaal van bevindingen, waarnaar de officier van justitie verwijst, wordt niet meer vastgesteld dan dat de in “categorie 3” genoemde goederen ‘mogelijk springstofkristallen’ of ‘vermoede gevaarlijke componenten’ bevatten. Daarmee wordt in het onzekere gelaten of er springstofkristallen en/of gevaarlijke componenten zijn aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat sprake is van (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/700021-12:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

en

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 2:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid.

Ten aanzien van feiten 3 en 4, telkens:

Overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van parketnummer 05/700433-12:

Ten aanzien van feit 1:

Aan zijn schuld te wijten zijn van ontploffing, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder beide parketnummers ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de periode van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, volstaan zou kunnen worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode van het voorarrest. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat dit dient te leiden tot de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte, welk verzoek zij dan ook heeft gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 maart 2012; en

• reclasseringsadviezen van W. Kroeze, reclasseringswerker, gedateerd 24 februari 2012 en 23 maart 2012

• de verklaring van de deskundige W. Kroeze ter terechtzitting van 13 april 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Tijdens de oudejaarsnacht heeft verdachte zich bewust bezig gehouden met het afsteken van vuurwerk waarvan hij wist dat het illegaal was. Onder meer heeft hij zogenaamde mortier-granaten afgestoken, zonder dat hij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen en zonder dat hij beschikte over de daarvoor benodigde deskundigheid. Door aldus te handelen heeft verdachte onaanvaardbaar grote veiligheidsrisico’s genomen met betrekking tot personen en materiële goederen.

Daar komt in het bijzonder bij dat verdachte deze veiligheidsrisico’s heeft genomen op de openbare weg en in bijzijn van verschillende omstanders, waarvan sommigen op korte afstand stonden. Desondanks is verdachte doorgegaan met het afsteken van dergelijk vuurwerk. Door zich aldus niet te bekommeren om de veiligheid van deze omstanders, heeft verdachte een grote onverschilligheid met betrekking tot de gezondheid van andere mensen aan de dag gelegd.

Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk, temeer nu hij in mei 2011 al heeft moeten ervaren hoezeer hij de gevaren van zijn hobby’s (toen oorlogsmunitie, later vuurwerk) heeft onderschat.

De zeer ernstige gevolgen die het handelen van verdachte hebben gehad, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de heer [slachtoffer1], die niet alleen ernstig verminkt is, maar voor de rest van zijn leven zijn oog moet missen, rekent de rechtbank verdachte dan ook in hoge mate aan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook uit de overige bewezenverklaarde feiten kan worden afgeleid dat bij verdachte sprake is geweest van een ernstig verwijtbare naïviteit doordat hij te weinig rekening heeft gehouden met de veiligheid van andere personen en goederen. Immers, niet alleen heeft hij illegaal zwaar vuurwerk aanwezig gehad in zijn woning midden in een woonwijk, maar ook heeft hij in mei 2011 het bedrijf waar hij destijds werkte, blootgesteld aan de gevolgen van gevaarlijke oorlogsmunitie.

De rechtbank is van oordeel dat enerzijds de onverschilligheid, zoals verdachte heeft betoond jegens de veiligheid van andere mensen en goederen, en anderzijds de zeer ernstige gevolgen van het handelen van verdachte, een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigen.

Daar staat tegenover dat de rechtbank zich ervan bewust is dat verdachte de gevolgen van de ontploffing op 1 januari 2012 en die van het schoonspuiten van de fosforgranaat in mei 2011 niet heeft gewild. Uit de houding en verklaringen van verdachte ter terechtzitting blijkt een grote mate van schuldbesef. Dit wordt ook bevestigd door de reclassering.

De rechtbank heeft hierdoor het vertrouwen gekregen dat verdachte dergelijke feiten niet meer zal begaan en dat hij in de toekomst meer rekening zal houden met de belangen van andere mensen en goederen, en dat hij verre zal blijven van gevaarlijke zaken als oorlogsmunitie en zwaar vuurwerk.

Om die reden zal de rechtbank van de op te leggen gevangenisstraf de helft in voorwaardelijke zin opleggen.

Verzoek onmiddellijke invrijheidstelling

In de omstandigheid dat aan verdachte een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd die langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis, ziet de rechtbank reden het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling af te wijzen.

Beslag

Bij verdachte zijn op 17 mei 2011 en op 1 januari 2012 diverse goederen in beslag genomen. Deze goederen zijn reeds van overheidswege vernietigd. Gelet op bovenstaande bewezenverklaring en omdat het ongecontroleerd bezit van deze goederen naar het oordeel van de rechtbank in strijd is met de wet en het algemeen belang, dienen deze goederen te worden onttrok¬ken aan het verkeer.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 05/700021-12 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 16.665,05.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel tot betaling van het bedrag van € 16.665,05 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 118 dagen hechte¬nis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering redelijk en niet bovenmatig is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de vordering - nu het desbetreffende tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering tot schadevergoeding, alsmede de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zal dan ook worden toegewezen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

- 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 91, 157, 158, 308, Wetboek van Straf¬recht;

- 2, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, en

- 1.2.2 en 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van feit 2 onder parketnummer 05/700433-12.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 15 (vijftien) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verzoek invrijheidstelling

Wijst af het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling.

Beslag

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld in de bijlage welke aan dit vonnis is gehecht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer1], te betalen € 16.665,05 (zestienduizend zeshonderd vijfenzestig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], te betalen € 16.665,05 (zestienduizend zeshonderd vijfenzestig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 118 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. R.M. Maanicus en mr. L.M. Moerings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 april 2012.