Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW4166

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
05/900544-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 28-jarige korporaal wegens het veroorzaken van een dodelijk ongeval door (roekeloos) onder invloed van alcohol een ruk te geven aan het stuur van een rijdende auto en vervolgens de plaats van het ongeval te verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900544-11

Data zittingen : 28 november 2011 en 16 april 2012

Datum uitspraak : 27 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. J.E. Kremer, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 april 2011, te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vossenlaan,

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank), en/of

terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

terwijl de rijbaan werd versmald door aldaar geparkeerd staande (personen)auto's, en/of

terwijl hij als passagier linksachter in die personenauto zat, en/of

terwijl die personenauto op dat moment werd bestuurd door een ander, te weten [medeverdachte],

tussen de stoelen van de bestuurder en de bijrijder door naar voren is gekomen, waarbij hij, verdachte, met zijn linker hand op de rugleuning van de bestuurdersstoel heeft geleund, en/of

(vervolgens) met zijn rechter hand het stuur van die personenauto heeft vastgepakt (zijnde een essentieel onderdeel van de stuurinrichting van die personenauto en/of waarbij verdachte zich heeft gedragen als zijnde de bestuurder van die personenauto), en/of

(vervolgens) een ruk (naar rechts) aan dat stuur heeft gegeven, althans naar rechts heeft gestuurd, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg (de Vossenlaan) en/of het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om aan dat stuur te rukken/trekken, althans (naar rechts) te sturen,

waardoor die personenauto tegen de achterzijde van een fiets(er) ([slachtoffer]) is gebotst en/of aangereden, ten gevolge waarvan die fietser over dat motorrijtuig (personenauto) is gevlogen en/of ten val is gekomen (en/of (ongeveer) 19 meter van de plaats van de botsing is weggeworpen),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander werd gedood en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994,

aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder een zodanige invloed van een stof, te weten alcohol, dat hij niet tot het behoorlijk besturen van dat motorrijtuig in staat moest worden geacht en terwijl hij wist, althans redelijker wijs moest vermoeden dat het gebruik van die stof de rijvaardigheid kan verminderen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 april 2011 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,

terwijl hij als passagier linksachter in een personenauto zat, en/of

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank), en/of

terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

terwijl de rijbaan werd versmald door aldaar geparkeerd staande (personen)auto's, en/of

terwijl die personenauto op dat moment werd bestuurd door een ander, te weten [medeverdachte],

tussen de stoelen van de bestuurder en de bijrijder door naar voren is gekomen, waarbij hij, verdachte, met zijn linker hand op de rugleuning van de bestuurdersstoel heeft geleund, en/of

(vervolgens) met zijn rechter hand het stuur van die personenauto heeft vastgepakt, en/of

(vervolgens) dat stuur (met kracht) naar rechts heeft getrokken/gerukt, althans naar rechts heeft gestuurd, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg (de Vossenlaan) en/of de door hem waargenomen fietser, en/of het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om aan dat stuur te rukken/trekken, althans naar rechts te sturen,

waardoor die personenauto tegen de achterzijde van een fiets(er) ([slachtoffer]) is gebotst en/of aangereden, ten gevolge waarvan die fietser over dat motorrijtuig (personenauto) is gevlogen en/of ten val is gekomen (en/of (ongeveer) 19 meter van de plaats van de botsing is weggeworpen),

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of nekletsel, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

meer subsidiair:

Hij op of omstreeks 03 april 2011 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Vossenlaan,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcohol(houdende drank), en/of

terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of

terwijl de rijbaan werd versmald door aldaar geparkeerd staande (personen)auto's, en/of

terwijl hij als passagier linksachter in die personenauto zat, en/of

terwijl die personenauto op dat moment werd bestuurd door een ander, te weten [medeverdachte],

tussen de stoelen van de bestuurder en de bijrijder door naar voren is gekomen, waarbij hij, verdachte, met zijn linker hand op de rugleuning van de bestuurdersstoel heeft geleund, en/of

(vervolgens) met zijn rechter hand het stuur van die personenauto heeft vastgepakt, en/of

(vervolgens) een ruk (naar rechts) aan dat stuur heeft gegeven, althans naar rechts heeft gestuurd, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg (de Vossenlaan) en/of de door hem waargenomen fietser, en/of het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om aan dat stuur te rukken/trekken, althans naar rechts te sturen,

waardoor die personenauto tegen de achterzijde van een fiets(er) ([slachtoffer]) is gebotst en/of aangereden, ten gevolge waarvan die fietser over dat motorrijtuig (personenauto) is gevlogen en/of ten val is gekomen (en/of (ongeveer) 19 meter van de plaats van de botsing is weggeworpen),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

en/of

hij op of omstreeks 03 april 2011 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij op of omstreeks 03 april 2011, te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken is geweest bij een verkeersongeval op de Vossenlaan, althans nadat door een gedraging van hem, verdachte, een verkeersongeval was veroorzaakt,

de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht, zonder dat de verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en/of de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 16 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.E. Kremer voornoemd.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 april 2011 zat verdachte als passagier links achterin een personenauto die, bestuurd door [medeverdachte], over de Vossenlaan te Nijmegen reed. De Vossenlaan betreft een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Het zicht ter plaatse werd niet belemmerd, beperkt of gehinderd , maar er was wel sprake van een versmalling van de – vanuit de rijrichting bezien, linkerzijde van de – rijbaan door geparkeerde (personen)auto’s . De personenauto heeft een fietser, [slachtoffer] , van achteren aangereden . De fietser is vervolgens over de auto geslagen , verderop op de grond terecht gekomen en ten gevolge van het daardoor opgelopen letsel overleden .

Verdachte voelde zich ten tijde van het ongeval dronken en verkeerde onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Volgens de officier van justitie kan op basis van de verklaringen van de eveneens als verdachte aangemerkte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) en de getuige [getuige1] (hierna: [getuige1]) bewezen worden geacht dat verdachte een ruk aan het stuur heeft gegeven, hetgeen naar zijn mening, mede gezien de verkeerssituatie ter plaatse en het feit dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, als roekeloos dient te worden aangemerkt.

Voorts acht de officier van justitie ook feit 2 van de tenlastelegging wettig en overtuigend te bewijzen, nu verdachte van de plaats van het ongeval is weggelopen terwijl het trekken aan het stuur op grond van het arrest van de Hoge Raad 30 augustus 2005 (LJN: AT7292) en het vonnis van de Rechtbank

’s-Hertogenbosch 1 december 2008 (LJN: BG5408) moet worden aangemerkt als een handeling van de bestuurder. Indien uit de verklaring van [getuige1] kan worden afgeleid dat verdachte in de buurt van het ongeval is gebleven, doet dit er naar de mening van de officier van justitie niet aan af dat artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 is geschonden, omdat deze strafbaarstelling verband houdt met de mogelijkheid van identiteitsvaststelling.

Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de raadsvrouw van verdachte dienen de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de videoreconstructie(s) van het bewijs te worden uitgesloten, omdat geen sprake is van een woordelijke uitwerking en volgens de verdediging aldus sprake is van ‘interpretatie’. De raads-vrouw verzoekt de door haar uitgewerkte teksten voor deze processen-verbaal in de plaats te stellen.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van zowel het primair, subsidiair als het meer subsidiair ten laste gelegde onder 1. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de stelling dat verdachte aan het stuur van de auto heeft getrokken ten gevolge waarvan het ongeval zou hebben plaatsgevonden, nu slechts [medeverdachte] en [getuige1] hierover verklaren en deze verklaringen in onderling verband niet eensluidend zijn en naar de mening van de raadsvrouw van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2 heeft de raadsvrouw van verdachte opgemerkt dat niet vaststaat dat verdachte de plaats van het ongeval daadwerkelijk heeft verlaten, aangezien [getuige1] heeft verklaard dat verdachte met zijn vrouw op de hoek van de straat in de auto heeft gewacht zodat [getuige1] mee kon rijden. Nu verdachte naar de mening van zijn raadsvrouw bovendien niet als bestuurder van de bij het ongeval betrokken personenauto kan worden aangemerkt, dient hij volgens de raadsvrouw ook van het ten laste gelegde onder 2 te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat geen aanleiding bestaat de processen-verbaal van de reconstructies van het bewijs uit te sluiten. De enkele stelling dat ten aanzien van de reconstructies mogelijk een interpretatie¬verschil kan ontstaan, omdat de door de raadsvrouw van verdachte letterlijk uitgewerkte versie van hetgeen tijdens de reconstructies gezegd is, niet overeenkomt met de bedoelde processen-verbaal, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De raadsvrouw van verdachte miskent dat processen-verbaal veelal een zakelijke weergave zijn van hetgeen wordt verklaard. Indien zij van mening is dat (een of meer delen van) de, in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakte, processen-verbaal onbetrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs behoren te worden gebruikt, ligt het op haar weg concreet aan te duiden welke passages zij betwist en te onderbouwen wat er aan schort.

Feit 1

De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte verschillen van mening over de vraag of bewezen kan worden geacht dat het ongeval is ontstaan doordat verdachte een ruk aan het stuur heeft gegeven en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of dit een handeling is van een verkeers-deelnemer in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

[getuige1], die ten tijde van het ongeluk rechts naast de bestuurder in de auto zat, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte op enig moment in de auto van de achterbank naar voren is gekomen en dat hij een ruk aan het stuur heeft gegeven en dat de auto toen naar rechts afboog, waarna de aanrijding met de fietser plaatsvond. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Er is geen reden om aan te nemen dat [getuige1] bewust of onbewust op dit punt, ten koste van verdachte, die destijds een vriend van hem was , niet de waarheid heeft verklaard. De rechtbank acht deze verklaring, die de getuige ter terechtzitting van 28 november 2011 onder ede heeft herhaald , dan ook betrouwbaar.

De verklaring van [getuige1] wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte]. Ook hij heeft verklaard dat verdachte op enig moment naar voren is gekomen en een ruk aan het stuur heeft gegeven en dat de door [medeverdachte] bestuurde auto daardoor tegen de fietser is aangereden .

Verdachte en [getuige2] hebben deze verklaringen niet weersproken. [getuige2], die ten tijde van het ongeluk rechts achterin de auto zat, heeft verklaard dat hij niet heeft gezien of verdachte aan het stuur heeft getrokken, omdat hij dronken was en tijdens de rit (rechts) naar buiten heeft gekeken . Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet wat er is gebeurd, dat hij niet denkt dat hij zodanig dronken was dat hij het zich niet kan herinneren maar dat het mogelijk is, dat het zou kunnen dat hij sigaretten bij het dashboard wilde pakken, dat hij niet gelooft dat hij aan het stuur zou hebben getrokken omdat hij zoiets niet zou doen, maar dat als [getuige2] ter terechtzitting zou verklaren dat [verdachte] aan het stuur heeft getrokken het dan volgens verdachte wel zo zal zijn geweest.

Evenmin worden de verklaringen van [getuige1] en [medeverdachte] weerlegd door andere bewijsmiddelen.

Het betoog van de raadsvrouw dat de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige1] van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu zij op details niet geheel hetzelfde zijn, wordt door de rechtbank niet gevolgd.

De verklaringen van [getuige1] en [medeverdachte] komen op hoofdlijnen in sterke mate overeen en een verschil in herinnering/waarneming van een bepaalde situatie maakt een verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet direct ongeloofwaardig.

Aan de geloofwaardigheid van de verklaring van getuige [getuige1] draagt naar het oordeel van de rechtbank voorts in belangrijke mate bij dat zowel [getuige1] als [getuige2] heeft verklaard dat zij op de dag van het ongeval ‘s avonds bij elkaar zijn gekomen in de woning van verdachte en dat reeds op dat moment is besproken dat [verdachte] een ruk aan het stuur zou hebben gegeven. [getuige1] heeft verklaard dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd dat ze [medeverdachte] niet voor het ongeval konden laten opdraaien en dat de waarheid boven water moest komen, te weten dat [verdachte] aan het stuur had getrokken en dat als gevolg daarvan het ongeluk was gebeurd.

[getuige2] heeft verklaard dat hij niet meer weet wie op die avond heeft gezegd dat het [verdachte] was die aan het stuur heeft getrokken en evenmin hoe [verdachte] daarop heeft gereageerd.

Ook verdachte zelf bevestigt dat [getuige1] kort na het ongeval, toen [medeverdachte] nog vast zat, bij hem is geweest om te zeggen dat hij had gezien dat verdachte aan het stuur had getrokken en dat hij een verklaring bij de politie zou moeten afleggen .

Het vorenstaande ondergraaft de stelling van de raadsvrouw van verdachte dat [getuige1] en [medeverdachte] hun verklaringen hebben afgestemd. Nu [medeverdachte] op het moment dat [getuige1] [verdachte] opzocht was aangehouden en aansluitend in verzekering gesteld, kan er op dat moment redelijkerwijs van afstemming geen sprake zijn geweest. Ter terechtzitting heeft [getuige1] verklaard dat hij inderdaad pas ná de heenzending van [medeverdachte] (drie dagen later) met [medeverdachte] heeft gesproken .

Dat [medeverdachte], die eerder die middag is aangehouden en later is voorgeleid en in verzekering is gesteld, aanvankelijk niet heeft verklaard over de ruk aan het stuur, doet niet af aan de geloofwaardigheid van zijn latere verklaringen, dan wel de (eveneens niet direct afgelegde) verklaring van [getuige1] daaromtrent. [medeverdachte] heeft immers verklaard dat hij [verdachte] in het begin wilde beschermen vanwege het feit dat [verdachte] een gezin heeft . [getuige1] heeft verklaard dat hij niet eerder over de ruk aan het stuur heeft gesproken omdat [medeverdachte] er op dat moment evenmin over had verklaard en hij [verdachte] wilde beschermen: op deze manier zou het een ongeluk lijken aangezien [medeverdachte] die dag geen alcohol had gedronken en [verdachte] wel .

De verklaringen van [getuige1] en [medeverdachte] dat zij [verdachte] aanvankelijk wilden beschermen, acht de rechtbank, mede gelet op de verklaringen van [getuige1] en [getuige2] kort na het ongeval, niet onaannemelijk. Verbalisant (naam) heeft ter plaatse van het ongeval naast [medeverdachte] twee andere inzittenden gesproken. De man met het groene shirt, naar later bleek [getuige2] , heeft volgens de verbalisant desgevraagd gezegd dat een derde passagier in de auto aanwezig was, [verdachte], waarvan hij de achternaam niet wist , terwijl [getuige2] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij al zo’n vijftien jaar bevriend is met [verdachte], dat zij elkaar eens in de week of twee weken zien, dat ze vijf deuren bij elkaar vandaan wonen en ook hun vrouwen met elkaar bevriend zijn en dus uitgesloten kan worden dat hij diens achternaam daadwerkelijk niet wist . In de verklaring die vervolgens van [getuige2] is opgenomen, heeft [getuige2] bovendien slechts [medeverdachte] en [getuige1] als inzittenden genoemd , waarmee hij aldus de aanwezigheid van [verdachte] heeft verzwegen. Daarnaast heeft verbalisant Wakelkamp ter plaatse van het ongeval de inzittende met het grijze shirt gesproken, waarvan op basis van de verklaring van [medeverdachte] kan worden aangenomen dat het [getuige1] betrof , die desgevraagd heeft verklaard dat er geen sprake was van een derde passagier met de naam ‘[verdachte]’ . Dit past bij zijn verklaring dat hij in eerste instantie geen openheid wilde geven over de toedracht ter bescherming van verdachte.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte tussen de voorstoelen door naar voren boog door met zijn linkerhand op de bovenzijde van de bestuurdersstoel te leunen , tussen [medeverdachte] en [getuige1] in kwam, met zijn rechterhand het stuur vast heeft gepakt en daar vervolgens aan heeft gerukt/getrokken , waarna de auto naar rechts afboog , hetgeen naar het oordeel van de rechtbank betekent dat het een ruk naar rechts moet zijn geweest. [getuige1] heeft verklaard dat hij (nog steeds) niet weet waarom verdachte aan het stuur heeft getrokken en hij toen het gebeurde tegen verdachte heeft geroepen: “Wat doe jij nou?”. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niet weet of verdachte bewust aan het stuur heeft getrokken of dat hij de sigaretten op het dashboard wilde pakken en het stuur vast heeft gepakt om niet te vallen.

Er is dus niet gebleken van enige te rechtvaardigen aanleiding of reden voor verdachte om aan het stuur te trekken.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat een causaal verband tussen het rukken aan het stuur en het ongeval. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat [medeverdachte] heeft verklaard dat de auto een manoeuvre maakte doordat verdachte aan het stuur trok en dat verdachte heeft geprobeerd deze te corrigeren, maar dat het ongeval toen al was gebeurd omdat het secondewerk was voordat de fietser geraakt werd. [getuige1] heeft verklaard dat als de auto rechtdoor was gereden ze de fietser waren gepasseerd maar dat verdachte aan het stuur trok waardoor de auto richting de fietser ging, dat [medeverdachte] heeft geremd en terugstuurde maar dat het al te laat was omdat de aanrijding gelijk had plaatsgevonden.

Er van uitgaande dat verdachte een ruk aan het stuur heeft gegeven en daarmee de aanrijding heeft veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat eveneens bewezen kan worden geacht dat verdachte niet heeft gelet op de weg, de verkeerssituatie en overige verkeersdeelnemers en daar (kennelijk) zijn aandacht niet bij heeft gehad.

Het stuur maakt een essentieel onderdeel van de bediening van een personenauto uit en de rijrichting van een auto wordt daardoor beïnvloed. Door aan het stuur te trekken terwijl de auto in beweging was, heeft verdachte dit stuur een moment gehanteerd, waarmee verdachte naar het oordeel van de rechtbank op dat moment als ‘bestuurder’ van de personenauto kon worden aangemerkt.

Gelet op de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en ook de verkeerssituatie ter plaatse van het ongeval (waaronder een versmalling van de weg door geparkeerde auto’s), is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte roekeloos heeft gehandeld.

Feit 2

De stelling van de raadsvrouw dat niet vaststaat dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten (terwijl hij wist dat een ander schade en/of letsel was toegebracht), wordt door de rechtbank niet gevolgd. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij is weggelopen van de plaats van het ongeval nadat hij de fietser in een plas met bloed zag liggen. Hij heeft verklaard dat hij is gaan rennen en net zo lang heeft gelopen tot hij iets bekends zag, De Goffert, en daar heeft gewacht tot zijn vrouw hem heeft opgehaald. Getuige [getuige3] heeft verklaard dat zij van de plaats van het ongeval een man zag wegrennen over het pad dat uitkomt op de Alligatorstraat en dat zij niet heeft gezien waar hij is daarna is gebleven. Ze heeft verklaard dat het een man met een zwart shirt was die ze even daarvoor heeft zien plassen bij de bosjes , terwijl uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de dag van het ongeval een zwart shirt droeg en uit de verklaring van [getuige1] dat hij verdachte na het ongeval heeft zien plassen . Getuige [getuige2] heeft eveneens verklaard dat verdachte na de aanrijding is weg gelopen . Dat, zoals de raadsvrouw van verdachte heeft betoogd, [getuige1] heeft verklaard dat verdachte nabij de plaats van het ongeval heeft gewacht, doet aan het vorenstaande niet af. De officier van justitie heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat uit artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 voortvloeit dat verdachte de gelegenheid had moeten bieden zijn identiteit vast te stellen door zich te melden bij de ter plaatse verschenen verbalisanten, hetgeen hij - zoals uit de hiervoor genoemde verklaringen kan worden afgeleid - niet heeft gedaan.

Voorts is van belang dat de rechtbank reeds, in het kader van feit 1, heeft vastgesteld dat verdachte kan worden aangemerkt als ‘bestuurder’ van de bij het ongeval betrokken personenauto en derhalve als zodanig bij het ongeval betrokken is.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, primair, en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 03 april 2011, te Nijmegen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vossenlaan, roekeloos, terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, en

terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en werd gehinderd, en

terwijl de rijbaan werd versmald door aldaar geparkeerd staande (personen)auto's, en terwijl hij als passagier linksachter in die personenauto zat, en terwijl die personenauto op dat moment werd bestuurd door een ander, te weten [medeverdachte],

tussen de stoelen van de bestuurder en de bijrijder door naar voren is gekomen, waarbij hij, verdachte, met zijn linker hand op de rugleuning van de bestuurdersstoel heeft geleund, en (vervolgens) met zijn rechter hand het stuur van die personenauto heeft vastgepakt (zijnde een essentieel onderdeel van de stuurinrichting van die personenauto en waarbij verdachte zich heeft gedragen als zijnde de bestuurder van die personenauto), en (vervolgens) een ruk (naar rechts) aan dat stuur heeft gegeven, en (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg (de Vossenlaan) en het overige verkeer en de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gelet en is blijven letten, en (daarbij) zijn aandacht niet op of bij het overige verkeer en de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en gehad, en zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om aan dat stuur te rukken/trekken,

waardoor die personenauto tegen de achterzijde van een fiets(er) ([slachtoffer]) is aangereden, ten gevolge waarvan die fietser over dat motorrijtuig (personenauto) is gevlogen en ten val is gekomen (en van de plaats van de botsing is weggeworpen),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander werd gedood en

verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder een zodanige invloed van een stof, te weten alcohol, dat hij niet tot het behoorlijk besturen van dat motorrijtuig in staat moest worden geacht en terwijl hij wist dat het gebruik van die stof de rijvaardigheid kan verminderen;

2.

hij op 03 april 2011, te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken is geweest bij een verkeersongeval op de Vossenlaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht, zonder dat de verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 een beroep gedaan op psychische overmacht. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten, omdat hij kennelijk in shock verkeerde doordat hij de dodelijk verongelukte fietser, met het hoofd in een plas bloed, had zien liggen. Verdachte heeft van schrik zijn broek bevuild en kon geen weerstand bieden aan de drang weg te rennen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat slechts is gesteld en niet is gebleken dat verdachte in shock was en daarom de plaats van het ongeval zou hebben verlaten. Dat verdachte voordat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, eerst nog bij een boom zou hebben staan plassen, zoals getuigen hebben verklaard, staat naar zijn mening haaks op de stelling dat sprake is van psychische overmacht en het zichzelf bevuilen. Daarnaast heeft de officier van justitie erop gewezen dat verbalisanten de vrouw van verdachte wilden horen over de staat waarin verdachte thuis kwam, maar dat zij ervoor heeft gekozen zich te beroepen op het verschoningsrecht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat voor een succesvol beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een zodanige druk dat kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van verdachte is aangetast en dat in redelijkerwijs ook niet van verdachte gevergd kon worden weerstand te bieden aan de deze druk. Het is de rechtbank niet duidelijk waar de ‘druk’ om weg te rennen voor verdachte precies uit heeft bestaan.

De stelling is ook niet concreet onderbouwd.

Indien moet worden aangenomen, zoals de rechtbank uit het betoog van de raadsvrouw van verdachte begrijpt, dat het gaat om ‘schrik’, is dit onvoldoende voor om aan te kunnen nemen dat het om meer zou gaan dan de veelal optredende heftige emotie die bij een ieder die plotseling met een dergelijk fataal ongeval wordt geconfronteerd kan ontstaan en dat van verdachte, anders dan van de gemiddelde mens, niet gevergd kon worden weerstand te bieden aan de drang de plaats van het omgeval te verlaten. Het verweer van de raadsvrouw van verdachte treft naar het oordeel van de rechtbank om deze reden dan ook geen doel.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 3 maart 2012;

• een memo van adjudant [naam] van de Koninklijke Luchtmacht betreffende het functioneren van verdachte bij defensie, gedateerd 12 oktober 2011;

• een e-mail van adjudant [naam] van de Koninklijke Luchtmacht aan [naam] over de beloningen (en redenen daarvoor) van verdachte bij defensie, gedateerd 14 oktober 2011; en

• een verslag van het gesprek dat op 10 oktober 2011 tussen kolonel [naam] en verdachte heeft plaatsgevonden, gedateerd 12 oktober 2011.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden (met aftrek van één dag), waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. Hij heeft hierbij rekening gehouden met de aard en ernst van de gedraging, de proceshouding van verdachte, het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, dat hij zwaar zal zijn getroffen door deze vervolging en de gevolgen van zijn handelen en dat voor hem verlies van baan en inkomen dreigt. Bij het formuleren van de strafeis is de officier van justitie ten gunste van verdachte afgeweken van de landelijke oriëntatiepunten. Daarbij heeft hij evenwel opgemerkt dat indien niet een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, dit niet valt uit te leggen aan de maatschappij.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft geen opmerkingen geplaatst in het kader van een eventuele strafoplegging, nu zij heeft bepleit dat verdachte ter zake van feit 1 vrijgesproken dient te worden en voor feit 2 vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door onder invloed van alcohol een ruk te geven aan het stuur van een rijdende auto. [slachtoffer] is ten gevolge van dit ongeval overleden. Verdachte heeft met zijn roekeloze handeling het leven van een medemens beëindigd en onherstelbaar leed veroorzaakt voor diens nabestaanden. De rechtbank rekent verdachte zijn roekeloze verkeersgedrag zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte ook nog eens de plaats van het ongeval verlaten zonder de verbalisanten die ter plaatse waren gekomen te woord te staan.

De rechtbank overweegt dat verdachte voor een kort moment, onder invloed van alcohol, als bestuurder van de personenauto is opgetreden en daardoor een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt. De landelijke oriëntatiepunten geven in een dergelijk geval voor de strafmaat als uitgangspunt een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van drie jaren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren. In het geval er geen alcohol in het spel zou zijn geweest, zou een gevangenisstraf van acht maanden en een rijontzegging voor de duur van drie jaren het uitgangspunt zijn.

Bij de eerstgenoemde strafmaat uit de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van de situatie dat een persoon onder invloed van alcohol achter het stuur is gestapt, is gaan rijden en vervolgens een ongeval heeft veroorzaakt. In het onderhavige geval ligt de situatie genuanceerder, nu verdachte bewust niet plaats heeft genomen op de bestuurdersstoel en zich heeft laten rijden door een ander.

De rechtbank gaat daarom niet zonder meer van het eerste genoemde oriëntatiepunt uit en komt daarmee tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat uit het uittreksel van het justitieel documentatieregister is gebleken dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Uit de memo van adjudant [naam] leidt de rechtbank voorts af dat verdachte bij defensie werd geprezen vanwege zijn verantwoordelijkheidsgevoel, hetgeen de rechtbank de hoop geeft dat het roekeloze gedrag van verdachte beperkt blijft tot dit eenmalige incident.

Vanwege de ongehoordheid van de gedraging - het aan het stuur trekken van een met forse snelheid door een smalle straat in een woonwijk rijdende en door een ander bestuurde auto -, de ernst van de gevolgen en het feit dat verdachte niet alleen een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt maar ook de plaats van het ongeval heeft verlaten, is de rechtbank evenwel van oordeel dat een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van acht maanden geen recht doet aan de ernst van de situatie. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Een rijontzegging voor de duur van drie jaren acht de rechtbank, gezien het voorgaande, niet geboden, omdat verdachte slechts een kort moment als bestuurder is opgetreden. Een rijontzegging voor de duur van één jaar acht de rechtbank gepast.

6a. De beoordeling van de civiele vordering

[naam] en haar kinderen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering een voegingsformulier ingediend maar daarin geen opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, nu geen schadebedrag op het voegingsformulier is vermeld. De rechtbank zal het voegingsformulier derhalve buiten beschouwing laten.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde daarnaast tot

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 1 (één) jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. C. van Linschoten, rechter,

mr. E. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 april 2012.