Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW4150

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
05/800830-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft vandaag een 21-jarige militair uit Breda, thans gestationeerd op Aruba, veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke militaire detentie van 7 weken voor het met kracht in het gezicht gooien/duwen van een glas. Het slachtoffer heeft hierbij snijwonden in zijn gezicht en een geperforeerd oog opgelopen. Mogelijk dat het slachtoffer hiervan blijvend verminderd zicht houdt.

De militaire kamer heeft de militair vrijgesproken van mishandeling van een meisje dat in de buurt van het slachtoffer stond omdat niet bewezen is dat de militair ook het opzet had (ook niet in voorwaardelijke vorm) om haar te verwonden. De officier van justitie had voor feit 1 en 2 een onvoorwaardelijke militaire detentie voor de duur van 4 maanden geëist. De militaire kamer heeft rekening gehouden met het feit dat de militair een first offender is, een uitstekend militair en dat het inmiddels een oud feit betreft.

De gevorderde schade zal deels aan de benadeelde moeten worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/800830-10

Data zittingen : 18 april 2011, 27 februari 2012 en 16 april 2012

Datum uitspraak : 27 april 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans ingeschreven te [standplaats]

Raadsman : mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage.

Officier van justitie : mr. H.G. Velders.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland, aan een persoon genaamd [slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oogletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een glas in het gezicht te duwen en/of gooien;

2.

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer1]), een glas in het gezicht heeft geduwd en/of gegooid, waardoor de zich in de nabijheid van die [slachtoffer1] zich bevindende [slachtoffer2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 16 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Mr. B.D.W. Martens, advocaat te ’s-Gravenhage, is verschenen als uitdrukkelijk gemachtigde van verdachte.

Als benadeelde partij zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen: [slachtoffer1].

De officier van justitie, mr. H.G. Velders, acht feit 1 en 2 wettig en overtuigend te bewijzen en hij heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van vier maanden.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] tot betaling van het bedrag van € 5461,20 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3a. Verweer schending artikel 359a Wetboek van Strafvordering

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, gelet op het feit dat er geen Oslo- of Foslo- confrontatie heeft plaatsgevonden, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Volgens de officier van justitie zijn in het voorbereidend onderzoek geen vormen verzuimd, reeds omdat de verklaringen van de getuigen die een signalement van de dader hebben gegeven, duidelijk waren.

Beoordeling door de militaire kamer

De raadsman heeft aan zijn verweer dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, niet genoemd welke consequentie daaraan zou moeten worden verbonden, zij het dat hij verwijst naar de gevolgen als genoemd in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.). De militaire kamer vat het verweer zo op dat de raadsman primair een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie doet.

De militaire kamer is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim, waaraan enig gevolg als bedoeld in artikel 359a Sv. zou moeten worden verbonden. De raadsman heeft weliswaar terecht opgemerkt dat het, met oog op het verkrijgen van (zoveel mogelijk) zekerheid naar de identiteit van de dader, te prefereren zou zijn geweest als een nadere confrontatie zou hebben plaatsgevonden, echter de omstandigheid dat dit niet is gebeurd, betekent niet dat er een geschreven of ongeschreven vormvoorschrift is geschonden. Het verweer wordt verworpen.

3b. De beslis¬sing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 juni 2010 vond in Club Four in Renesse, gemeente Schouwe-Duiveland, een mishandeling plaats. [slachtoffer1] (verder: aangever) kreeg hierbij een glas in het gezicht gedrukt of gegooid door een jongen die een pleister droeg in zijn gezicht. Aangever heeft als gevolg daarvan een perforatie van het linkeroog opgelopen en zijn gezicht is op twintig verschillende plaatsen gehecht.

Verdachte heeft in de avond/nacht van 26 op 27 juni 2010 een pleister op zijn gezicht gehad. Verdachte heeft op diezelfde avond/nacht zowel discotheek Pinky’s als Club Four in Renesse bezocht .

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan beide ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt. Gelet op de getuigenverklaringen kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die het glas met kracht in het gezicht van aangever heeft gegooid, als gevolg waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook is door zijn toedoen aangeefster [slachtoffer2] (hierna: [slachtoffer2]) gewond geraakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de persoon is die het glas in het gezicht van aangever heeft gegooid. Er liggen verklaringen van getuigen die elkaar tegenspreken en de ‘keten van zicht’ op de dader tot de arrestatie is doorbroken geweest. Verdachte had geen enkel motief.

Beoordeling door de militaire kamer

[slachtoffer2] heeft bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat in Club Four een jongen met een glas heeft gegooid, en dat een andere jongen het glas tegen zich aan kreeg en bloedde tussen de wenkbrauwen. Zij omschrijft de jongen die gooide, als volgt: +/- 18 tot 20 jaar, blank, normaal postuur en lengte, kort donker “millimeter haar” en hij droeg volgens haar een blauw T-shirt. De jongen had een pleister aan één zijkant van zijn neus zitten.

Ook getuige [getuige1] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat in Club Four een jongen een glas in het gezicht van een jongen, naast hem, drukte. Hij heeft de dader als volgt beschreven: een blauw shirt, een beetje getinte huid, zwart gemillimeterd haar en een pleister over de breedte over de neus. Deze pleister was volgens [getuige1] erg opvallend.

Getuige [getuige2] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat een jongen een glas dat hij vast had, in het gezicht van de man die naast hen stond, in het gezicht drukte of gooide. Zij kon de jongen als volgt beschrijven: zwart haar, blauw shirt met een print erop. Ze dacht dat hij rond de 180 cm lang was. Hij had een grote brede pleister op zijn neus.

Verbalisant [verbalisant] is de betreffende nacht omstreeks 02.00 uur aangesproken door [slachtoffer2] bij Club Four. [slachtoffer2] vertelde hem daar dat zij zojuist was geraakt door een glas dat was gegooid door een jongen en zij gaf het – hierboven bij haar verklaring aangehaalde – signalement van de dader. [verbalisant] heeft dit signalement meteen verspreid onder collega’s. Diezelfde nacht is verdachte aangehouden. Hij voldeed volgens [verbalisant] gedeeltelijk aan het signalement. Tijdens de insluiting zag [verbalisant] dat verdachte op de zijkant van zijn neus een wond had. Getuige M.L. [getuige3] heeft, ten slotte, verklaard dat hij met zijn collega’s, waaronder verdachte, op 26 juni naar Renesse is gegaan en dat zij omstreeks 01.00 uur die nacht eerst in Club Four zijn geweest en dat hij daarna met verdachte naar Pinky’s is gegaan.

Verdachte heeft bij de politie ontkend dat hij in Club Four is geweest. Hij heeft verklaard dat hij maar in één club is geweest, en dat dat de club was, waar hij uit is gehaald. Ook in zijn verklaringen van 28 en 29 juni 2010 bij de politie, heeft hij volgehouden dat hij maar in één club is geweest die avond.

Overwegingen en conclusie door de militaire kamer

Ten aanzien van feit 1

Op basis van de verklaringen van de getuigen [slachtoffer2], [getuige1] en [getuige2] stelt de militaire kamer vast dat de persoon die aangever een glas in het gezicht heeft gegooid of gedrukt, een man of jongen is geweest die een (opvallende) pleister in het gezicht had, (geheel of deels) aan de zijkant van de neus.

Op basis van de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie en van de door de raadsman van verdachte ter terechtzitting overgelegde foto van het letsel van verdachte, waarop te zien was dat verdachte een (litteken van een) verwonding had onder zijn oog en op de rechterzijkant van zijn neus , stelt de rechtbank vast dat verdachte die bewuste avond een snee onder zijn rechteroog had en een wond op de (rechter)zijkant van zijn neus. Verdachte heeft verklaard dat hij hiervoor een pleister bij zijn oog heeft gehad. Gelet op de plaats van de verwondingen in het gezicht van verdachte acht de militaire kamer niet onaannemelijk dat de getuigen vanuit hun oogpunt juist hebben waargenomen dat verdachte een pleister (deels) op de zijkant van zijn neus heeft gehad.

Alle getuigen verklaren dat de pleister een in het oog springend kenmerk was van de dader.

Er zijn, anders dan de raadsman betoogt, geen aanwijzingen dat die avond meer mannen hebben rondgelopen met een opvallende pleister in het gezicht. De portier van Pinky’s, waar verdachte is aangehouden om 02.30 uur, is dan ook direct ‘aangeslagen’ op het signalement van de dader, omdat het hem was opgevallen dat eerder één iemand bij hem was binnengegaan met een ‘opvallende pleister’ in het gezicht.

Voorts stelt de militaire kamer, op basis van verklaringen in het dossier en de melding bij [naam], vast dat het incident in Club Four heeft plaatsgevonden omstreeks 02.00 uur , terwijl [getuige3] heeft verklaard dat hij omstreeks 02.30 uur met verdachte naar Pinky’s is gelopen waar verdachte vervolgens om 02.40 uur is aangehouden.

Dit korte tijdsverloop tussen het incident in Club Four maakt dat nog eerder moet worden uitgesloten dat een andere persoon dan verdachte, eveneens voorzien van een (grote) pleister op het gezicht, de dader is geweest.

Het bovenstaande geldt temeer waar verdachte, zoals hiervoor overwogen, bij de politie heeft ontkend dat hij in meerdere clubs is geweest, terwijl zijn collega [getuige3] heeft verklaard dat zij eerst in Club Four zijn geweest en dat zij daarna naar Pinky’s zijn gegaan. Ook nadat hij met die verklaring van [getuige3] was geconfronteerd, heeft hij volhardt in die ontkenning.

Pas ter terechtzitting heeft verdachte, na doorvragen, toegegeven dat hij wel degelijk eerst in Club Four is geweest en daarna in de tweede club, zij het maar voor korte tijd. Daar is hij ook uitgehaald door de portier. De militaire kamer ziet niet in waarom verdachte zou liegen over zijn aanwezigheid in Club Four, als daar geen enkele reden voor zou zijn geweest. Gelet op de verklaring van [getuige3], staat vast dat verdachte kennelijk heeft gelogen over zijn aanwezigheid in Club Four, welke kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel tegen hem heeft te gelden.

Op grond van het voorgaande komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte de persoon is geweest die het glas in het gezicht van aangever heeft gegooid of gedrukt. De militaire kamer is daarbij van oordeel dat dit gelet op de uiterlijke verschijningsvorm zoals die uit de getuigenverklaringen blijkt, opzettelijk moet zijn gebeurd.

Gelet op de verwondingen van aangever is de militaire kamer van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Met het opzettelijke duwen of gooien van een glas in het gezicht van aangever, welke handeling met enige kracht moet zijn uitgevoerd, gelet op de aard en de ernst van de verwondingen in het gezicht van aangever, heeft verdachte tenminste het voorwaardelijk opzet gehad dat zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een geperforeerd oog zou ontstaan. Een glas is een breekbaar voorwerp en wanneer een glas versplintert, op welke wijze dan ook, is het ook een zeer scherp voorwerp. Het is een feit van algemene bekendheid dat de ogen een kwetsbaar onderdeel van het gezicht zijn. Het in het gezicht duwen of gooien met enige kracht levert dan ook een aanzienlijke risico op op het ontstaan van zwaar letsel. Door het glas opzettelijk in het gezicht te gooien/duwen heeft verdachte deze kans kennelijk welbewust voor liefgenomen.

De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad tot toebrenging van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, waarbij hij het glas als ‘wapen’ heeft ingezet.

Ten aanzien van feit 2

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

De militaire kamer is van oordeel dat onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is dat verdachte het opzet had, of dat hij hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat ook nog een ander dan de persoon die hij een glas in het gezicht duwde of gooide, (welke andere persoon [slachtoffer2] was), gewond zou raken als gevolg van zijn handelen. Het dossier bevat onvoldoende concrete informatie, zoals de afstand tussen [slachtoffer2], aangever [slachtoffer1] en verdachte, om dit te kunnen vaststellen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 27 juni 2010 te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland, aan een persoon genaamd [slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oogletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een glas in het gezicht te duwen en/of gooien;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Zware mishandeling

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wegens het bewezen verklaarde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van vier maanden. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de militaire kamer verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zoals hiervoor onder kopje 3a is overwogen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat gelet op het feit dat er geen Oslo- of Foslo- confrontatie heeft plaatsgevonden, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waaraan gevolgen moeten verbonden als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling door de militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 21 maart 2012.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling in een uitgaansgelegenheid in Renesse. Bij het slachtoffer [slachtoffer1] heeft de gedraging van verdachte tot gevolg gehad dat hij – het slachtoffer – een litteken in zijn gezicht heeft en mogelijk blijvend verminderd zicht aan zijn linkeroog heeft.

Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de maatschappij, het uitgaansleven in het algemeen en dat van het slachtoffer in het bijzonder. Onduidelijk is waarom verdachte een glas in het gezicht van het slachtoffer heeft gegooid. Dit maakt het voor het slachtoffer extra wrang.

Ten voordele van verdachte houdt de militaire kamer rekening met het feit dat verdachte een ‘first offender’ is en dat uit door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat verdachte een uitstekend functionerend militair is en verder dat het inmiddels een oud feit betreft.

Ten aanzien van het ontbreken van een Oslo- of Foslo-confrontatie is de militaire kamer zoals hiervoor onder 3a is overwogen, van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim, waaraan enig gevolg als bedoeld in artikel 359a Sv. zou moeten worden verbonden. De militaire kamer ziet geen reden strafvermindering toe te passen.

De militaire kamer zal een werkstraf van 240 uren opleggen, alsook een geheel voorwaardelijke militaire detentie van zeven weken. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie nu de militaire kamer verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde. De militaire kamer heeft rekening gehouden met hetgeen hierboven is overwogen, waarbij nog wordt opgemerkt dat verdachte na twee dagen inverzekeringstelling al op vrije voeten was gesteld, alsook met wat in vergelijkbare zaken is opgelegd.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5461,20.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer1] in haar geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging meent dat de vordering moet worden afgewezen omdat verdachte de schade niet heeft veroorzaakt.

Beoordeling door de militaire kamer

De verdachte heeft de vordering van [slachtoffer1] inhoudelijk niet weerspro¬ken. De militaire kamer acht de vordering - nu het tenlas¬te¬gelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar voor wat betreft de gevorderde materiële schade ten bedrage van € 1.452,34 en de gevorderde immateriële schade ten bedrage van € 2.000,-.

De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van de rechtsbijstandskosten die hij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding in de onderhavige strafprocedure. Deze kosten, die toewijsbaar zijn op de voet van artikel 592a Sv, worden naar maatstaven van billijkheid gesteld op één (1) punt (opstellen van de vordering) van het kantonliquidatietarief, en worden daarom begroot op € 150.

De vordering zal dan ook worden toegewe¬zen tot een bedrag van € 3602,34 en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 302 van het Wetboek van Straf¬recht en 6 en 11 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdenveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 4 (vier) uren, zijnde 2 (twee) dagen hechtenis.

En

een militaire detentie voor de duur van 7 (zeven) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer1], te betalen

€ 3602,34 (zegge drieduizend zeshonderdentwee euro en vierendertig eurocent).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 3602,34, subsidiair 46 dagen hechtenis.

Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], te betalen € 3602,34 (zegge drieduizend zeshonderdentwee euro en vierendertig eurocent) bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 46 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer (rechter) en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen (militair lid), in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 april 2012.