Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW3348

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
12-218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen.

De wrakingskamer heeft het verzoek toegewezen, nu de rechtbank een beslissing heeft gebaseerd op stukken die bij de verdediging niet bekend waren en waar wel al meermalen door de verdediging om was verzocht. Bovendien heeft de rechtbank op basis van deze stukken een conclusie getrokken die maakt dat de wrakingskamer de vrees van de verdediging dat de rechtbank op dit punt haar oordeel al heeft gevormd objectief gerechtvaardigd acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

zaaknummer / parketnummer: 12-218 / 05-900169-08

Beschikking van 19 april 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

mr. B.Th. Nooitgedagt te Amsterdam,

tegen

mrs. P.C. Quak, M.F. Gielissen en J.M. Klep, in hun hoedanigheid van rechters in de zaak met parketnummer 05/900169-08 van het openbaar ministerie tegen verzoeker als verdachte.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 februari 2012

- het schriftelijke verweer van mrs. P.C. Quak, M.F. Gielissen en J.M. Klep van 5 maart 2012.

Bij de mondelinge behandeling op 5 april 2012 is de raadsman van verzoeker verschenen, die het woord heeft gevoerd aan de hand van een pleitnota. Mrs. Quak, Gielissen en Klep (hierna: de rechtbank) hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

Dit wrakingsverzoek is gelijktijdig behandeld met het wrakingsverzoek in de zaak van

[medeverzoeker], zaaknummer / parketnummer: 12-217 / 05-900345-07.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechtbank de schijn van partijdigheid heeft gewekt door:

a) – ad fundum en in weerwil van de standaardjurisprudentie van het EHRM – te overwegen dat het Nederlandse strafrecht niet wordt gerekend tot de “adversarial” rechtssystemen,

b) verweren en/of verzoeken van verzoeker te verwerpen op grond van door de rechtbank gedaan onderzoek naar de feitelijke grondslag van die verweren en verzoeken buiten het onderzoek ter terechtzitting om en zonder verzoeker in de gelegenheid te stellen zich over (de resultaten van) dat onderzoek uit te laten alvorens te beslissen zoals zij heeft gedaan,

c) de reputatie van de rechter-commissaris te laten prevaleren boven de waarheidsvinding en/of belangen van de verzoeker,

d) (in strijd met het recht) te overwogen dat verzoeker niet alle kansen heeft benut, hetgeen de officier van justitie of de Nederlandse Staat niet valt aan te rekenen, en

e) verzoeken tot het horen van getuigen en het (doen) voegen van stukken af te wijzen op onjuiste, althans onbegrijpelijke maatstaven dan wel gronden.

2.2. Mrs. P.C. Quak, M.F. Gielissen en J.M. Klep hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3. De beoordeling

Tijdigheid van het verzoek

3.1. Volgens artikel 513, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.2. Vastgesteld moet worden dat de kantoorgenoot van de advocaat van verzoeker, mr. Slijters, ter terechtzitting van 18 januari 2012 een aantal formele verweren heeft gevoerd en een aantal aanvullende verzoeken heeft gedaan. Op 20 januari 2012 heeft de rechtbank hierop haar beslissingen gegeven. Verzoeker noch zijn advocaat of een kantoorgenoot waren hierbij aanwezig. Kort na de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting is mr. Slijters de zittingszaal binnengekomen met de mededeling dat zij vertraging had ondervonden in het treinverkeer, waarna mr. Quak haar de korte inhoud van de genomen beslissingen heeft medegedeeld. Het proces-verbaal van de zittingen van 19, 20 en 26 januari 2012 is vervolgens per faxbericht van 15 februari 2012 verzonden naar de advocaat van verzoeker, die hierna op 20 februari 2012 het wrakingsverzoek per faxbericht heeft ingediend.

3.3. De wrakingskamer constateert dat de advocaat van verzoeker pas ten tijde van het ontvangen van het volledige proces-verbaal op 15 februari 2012 met de motivering van de beslissingen van de rechtbank bekend is geworden. Ter terechtzitting van 20 januari 2012 zijn de beslissingen slechts kort medegedeeld aan mr. Slijters, zo blijkt uit het proces-verbaal. De advocaat van verzoeker heeft vervolgens enkele dagen nadat hij het proces-verbaal had ontvangen het wrakingsverzoek ingediend. Voldoende aannemelijk is dat de raadsman deze dagen nodig heeft gehad om het proces-verbaal te bespreken met zijn cliënt, verzoeker (die in Marokko verblijft), en vervolgens het (26 pagina’s tellende) verzoekschrift op te stellen. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tijdig is gedaan.

Inhoudelijke beoordeling

3.4. Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechtbank verweren c.q. verzoeken van de verdediging (verzoeker) heeft verworpen op grond van door de rechtbank gedaan onderzoek naar de feitelijke grondslag van die verweren c.q. verzoeken buiten het onderzoek ter terechtzitting om en – voorts – zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen zich over (de resultaten van) dat onderzoek uit te laten alvorens te beslissen zoals zij heeft gedaan. Daarbij heeft verzoeker aangevoerd dat de rechtbank de reputatie van de rechter-commissaris heeft laten prevaleren boven de waarheidsvinding en/of de belangen van de verdediging. Door deze feiten kan de rechterlijke onpartijdigheid schade lijden, aldus verzoeker.

3.5. Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 512 en 513 Sv en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.

3.6. Vastgesteld kan worden dat verzoeker in zijn strafzaak meermalen heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van de correspondentie tussen de rechter-commissaris en de Marokkaanse autoriteiten, de zogenoemde Marokko-correspondentie. De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van 18 januari 2012 op de zitting van 11 en 12 oktober 2011 aangegeven dat van het belang van de verstrekking van de correspondentie tussen de rechter-commissaris en de Liason Officer niet is gebleken.

3.7. Op 18 januari 2012 is door verzoeker een verweer gevoerd betreffende de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarbij is onder andere naar voren gebracht dat, nu door verzoeker niet gecontroleerd kan worden of de rechter-commissaris zich voldoende heeft ingespannen om te bewerkstelligen bij de Marokkaanse overheid dat de advocaten bij de getuigenverhoren aanwezig konden zijn, het er voor gehouden moet worden dat er sprake is van “negligence”, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

3.8. De rechtbank heeft op 20 januari 2012 dit verweer verworpen. Bij de motivering heeft de rechtbank aangegeven dat om de stelling van de verdediging te kunnen onderzoeken zij de desbetreffende correspondentie heeft opgevraagd. De rechtbank schetst vervolgens een beeld van de inhoud van deze correspondentie en komt dan tot het oordeel dat de rechter-commissaris ruim voldoende heeft gedaan om de advocaten bij de verhoren in Marokko aanwezig te laten zijn. Vervolgens overweegt de rechtbank het navolgende:

“Ofschoon de rechtbank van oordeel is dat de rechter-commissaris terecht heeft geweigerd om de eigen correspondentie – met allerlei (adres)gegevens die in deze procedure er niet toe doen – af te staan, zal de rechtbank de genoemde correspondentie laten anonimiseren en te zijner tijd in het dossier voegen. De reden hiervoor is dat de rechtbank de beschuldiging van ‘neglicence’ aan het adres van de rechter-commissaris dusdanig ernstig acht en dezer tegelijkertijd zó onterecht is gebleken (de rechter-commissaris blijkt juist te hebben gevochten voor de aanwezigheid van advocaten) dat de rehabilitatie van de rechter-commissaris noodzaakt tot de exceptionele beslissing om de relevante delen van de correspondentie in deze strafzaak toch te verstrekken, zij het geanonimiseerd.”

3.9. De wrakingskamer stelt vast dat de rechtbank haar beslissing bij de beoordeling van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mede heeft gebaseerd op de Marokko-correspondentie. De rechtbank heeft deze correspondentie, ondanks herhaalde verzoeken van verzoeker tot op dat moment niet aan het dossier willen toevoegen, omdat deze correspondentie blijkens het proces-verbaal van 18 januari 2012 op de zitting van 11 en 12 oktober 2011 door de rechtbank niet van belang werd geacht. Zowel de verdediging als de officier van justitie had dus niet de beschikking over deze correspondentie, waardoor hun de mogelijkheid is ontnomen zich over de betreffende correspondentie uit te laten, alvorens door de rechtbank op het verweer werd beslist. Daarmee heeft de rechtbank een wezenlijke beslissing genomen zonder hoor en wederhoor toe te passen.

3.10. Daar komt bij dat de rechtbank in de motivering van haar beslissing een kwalificatie aan het handelen van de rechter-commissaris heeft verbonden door te overwegen dat de rechter-commissaris “heeft gevochten” bij de Marokkaanse overheid om te bewerkstelligen dat de advocaten bij de getuigenverhoren aanwezig konden zijn.

Gezien deze (zeer) stellige bewoordingen waarin de rechtbank haar conclusie heeft verwoord, gaat het verweer van de rechtbank dat in het verdere vervolg van het onderzoek ter terechtzitting nog “volop” de gelegenheid bestaat voor verzoeker om te reageren op zowel de correspondentie als de conclusies die de rechtbank daaraan heeft verbonden naar het oordeel van de wrakingskamer niet op. De door de rechtbank in het proces-verbaal gegeven motivering voor haar handelwijze, te weten: rehabilitatie van de rechter-commissaris, bevestigt dat in wezen. De wrakingskamer acht de vrees van de verdediging, dat de rechtbank op dit punt haar oordeel al heeft gevormd dan ook objectief gerechtvaardigd.

3.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wraking gegrond is en toegewezen zal worden. Gelet hierop behoeven de overige door verzoeker aangevoerde punten geen bespreking meer.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Vierveijzer, G.H.W. Bodt en A.E.B. ter Heide in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst en in openbaar uitgesproken op 19 april 2012.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.