Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW3295

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
11/4974
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1911, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen invorderingsbesluiten naar aanleiding van verbeurde dwangsommen. Beoordeling of sprake was van een overtreding van de voorschriften van de in het verleden verleende milieuvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/4974

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 maart 2012.

inzake

[Eisers], eisers,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. B. de Haan,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 augustus 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2004 heeft verweerder een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het opslaan en bewerken van autowrakken aan [inrichting]. Bij besluit van 24 april 2009 zijn onder meer de voorschriften A1 en B1 van deze vergunning gewijzigd.

Bij besluiten van 7 december 2009 heeft verweerder aan [eisers], lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften van de milieuvergunning. Tegen de besluiten van 7 december 2009 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 12 augustus 2010 en 12 oktober 2010 heeft verweerder bij brieven aan eisers medegedeeld dat geconstateerd is dat niet is voldaan aan de opgelegde lasten en dat de opgelegde dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd.

Bij besluiten van 18 maart 2011 heeft verweerder, nadat geconstateerd is dat [eisers] niet aan de lasten hadden voldaan, ten aanzien van ieder van hen besloten tot invordering van € 7.650,00 aan verbeurde dwangsommen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de bezwaren van [eisers], tegen de besluiten van 18 maart 2011 ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 november 2011, met LJN: BU6523, geoordeeld dat niet zij maar de rechtbank bevoegd is tot het behandelen van het beroep. De Afdeling heeft vervolgens het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Naar aanleiding van het ingediende beroep is door verweerder een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 17 februari 2012. Namens eisers zijn aldaar verschenen mr. B. De Haan met K. Berghauser Pont. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.C.A. Hendriks en H.L. Blom.

3. Overwegingen

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Invoeringswet), voor zover hier van belang, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet blijft, indien voor het tijdstip waarop de Wabo in werking treedt met betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning is gegeven, het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.

Ingevolge het tweede lid wordt een beschikking als bedoeld in het eerste lid, nadat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een beschikking krachtens de Wabo.

De op 1 oktober 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning is sinds

1 oktober 2010 ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Invoeringswet gelijkgesteld met een omgevingsvergunning.

De besluiten van 7 december 2009 tot oplegging van de lasten onder dwangsom zijn, nu daartegen geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen zijn aangewend, sinds 1 oktober 2010 ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Invoeringswet gelijkgesteld met besluiten krachtens de Wabo. Nu de besluiten tot invordering na 30 september 2010 zijn genomen, staat tegen het besluit van 18 augustus 2011 beroep open bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Op 30 juni 2010, 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 is door de toezichthouder van verweerder geconstateerd dat niet is voldaan aan de in besluiten van 7 december 2009 opgelegde lasten, namelijk;

- de activiteit met betrekking tot het opslaan van autowrakken die nog niet zijn ontdaan van vloeistoffen of vloeistof bevattende onderdelen en het aftappen van vloeistoffen of het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen slechts uit te voeren of te laten uitvoeren op een vloeistofdichte vloer ofwel op een aangebrachte voorziening die bestand is tegen inwerking van de desbetreffende vloeistoffen en tegen krachten die op de desbetreffende vloer of voorziening worden uitgeoefend.

- Geen autowrakken te stapelen of te laten stapelen, die nog niet zijn ontdaan van de in vergunning voorschrift C.1 genoemde stoffen, preparaten of andere producten, zoals motorolie en remvloeistoffen.

Vaststaat dat nu door eisers niet is opgekomen tegen de bij besluiten van 7 december 2009 opgelegde lasten onder dwangsom, deze lasten onherroepelijk zijn geworden. Daarmee zijn de geconstateerde overtredingen en het overtrederschap van de 3 eisers een gegeven. De juistheid van de opgelegde lasten onder dwangsom en de inhoud en wijze van totstandkoming kunnen derhalve niet meer worden aangevochten. Daarnaast kan de hoogte van de dwangsom in deze procedure niet meer ter discussie gesteld worden. In de voorliggende procedure ligt alleen de vraag ter beoordeling voor of eisers wel of niet hebben voldaan aan de door verweerder opgelegde last.

Namens eisers is, kort samengevat, aangevoerd dat betwist wordt dat de vloer niet vloeistofdicht zou zijn. Het ontbreken van een certificaat is naar mening van eisers daarvoor niet voldoende. Verweerder heeft naar mening van eisers niet mogen concluderen dat de vloer nog steeds niet vloeistofdicht is omdat dat door verweerder niet is onderzocht. Eisers stellen dat pas sprake is van verbeurte van de opgelegde dwangsommen als geconstateerd is dat de lasten zijn overtreden. Eisers stellen tevens dat er nu wel een verklaring van Technoconsult is met betrekking tot de vloeistofdichtheid van de vloeren. Eisers stellen dat de vloeren in de tussentijd niet zijn aangepast zodat uit de later alsnog afgegeven verklaringen volgt dat geen sprake was van een overtreding van de voorschriften van de vergunning.

In het primaire invorderingsbesluit wordt verwezen naar overtreding van de artikelen A.1 en B.1 van de voorschriften van de milieuvergunning van 1 december 2004 in combinatie met de revisievergunning van 24 april 2009. Op grond van deze artikelen is voor bepaalde activiteiten een vloeistofdichte vloer vereist.

Uit de begrippenlijst die bij de milieuvergunning van 1 december 2004 hoort volgt dat onder het begrip vloeistofdichte vloer wordt verstaan: een vloer beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers gedurende de voorliggende procedure een aantal verklaringen vloeistofdichte voorzieningen van Technoconsult in geding hebben gebracht. Deze dateren voor wat betreft het buitenterrein echter van 20 juni 2011 en 4 juli 2011, zodat met deze verklaringen niet is aangetoond dat de vloer van het buitenterrein ten tijde van de controles op 30 juni 2010, 16 juli 2010 en 13 augustus 2010 was beoordeeld en goedgekeurd. Reeds hierom was ten tijde van die controles geen sprake van een vloeistofdichte vloer als bedoeld in de voorschriften van de milieuvergunning van 1 december 2004.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de overgelegde verklaringen ook niet kan worden afgeleid dat de vloer ten tijde van de controles goedgekeurd zou zijn als toen reeds een beoordeling conform CUR/PBV-aanbeveling 44 had plaatsgevonden. Eisers hebben immers de aan deze verklaringen ten grondslag liggende inspectierapporten niet overgelegd, terwijl verweerder terecht heeft gewezen op de constateringen van scheuren in de vloer bij de controles, de verklaring van [een van de eisers] op 30 juni 2010 dat voor de vloer geen goedkeuring kon worden verkregen in verband met de toestand daarvan en de ter zitting door eisers bevestigde omstandigheid dat in de periode tussen het opleggen van de lasten onder dwangsom en de desbetreffende controles, geen wijzigingen aan de vloer zijn aangebracht.

Voorts is gesteld noch gebleken dat er ten tijde van de controles een aangebrachte voorziening aanwezig was die bestand is tegen inwerking van de desbetreffende vloeistoffen en tegen krachten die op de desbetreffende vloer of voorziening worden uitgeoefend.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd en geconcludeerd dat de vloeren op dat moment niet als vloeistofdicht konden worden aangemerkt.

Verder acht de rechtbank met de controlerapporten voldoende aannemelijk gemaakt dat op die momenten sprake was van het stallen van natte wrakken op die vloer en van het stapelen van dergelijke natte wrakken. Dat, zoals door eisers is aangevoerd, verweerder niet heeft aangetoond dat sprake was van natte wrakken omdat veel van de op het terrein aanwezige auto’s handelsauto’s betreffen, volgt de rechtbank niet. De door eisers als handelsauto aangemerkte gestapelde auto waarover ter zitting nog nader is gesproken kan, gelet op de definitie van wrak zoals opgenomen in de milieuvergunning van 1 december 2004, niet anders dan als wrak worden aangemerkt. Dat eisers deze auto op dat moment naar zij stellen nog als handelauto hadden geregistreerd doet hieraan niet af. De overige gestapelde auto’s die op de desbetreffende foto’s zichtbaar zijn dienen eveneens als wrakken te worden aangemerkt. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de controlerapporten te twijfelen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat eisers niet aan de opgelegde lasten hebben voldaan en derhalve tot invordering van de verbeurde dwangsommen heeft kunnen overgaan. Daarbij heeft verweerder tevens geconcludeerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te zien van het innen van de verbeurde dwangsommen. In hetgeen door eisers is aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van de invordering had moeten afzien.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep is dan ook ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.J. de Gier, voorzitter, mr. H.J.M. Besselink en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 22 maart 2012.