Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW3268

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
AWB 06/345, 08/2518, 09/3115, 09/4671, 11/4121 t/m 11/4125, 11/4127 t/m 11/4136, 11/4138
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:8747, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak. Rechtbank vernietigt navorderingsaanslagen die met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd omdat verweerder niet voortvarend genoeg heeft gehandeld bij het verkrijgen van inlichtingen en het vaststellen van de navorderingsaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1582 met annotatie van Jansen
FutD 2012-1158
V-N Vandaag 2012/1065
V-N 2012/32.26.5

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 06/345, 08/2518, 09/3115, 09/4671, 11/4121, 11/4122, 11/4123, 11/4124, 11/4125, 11/4127, 11/4128, 11/4129, 11/4130, 11/4131, 11/4132, 11/4133, 11/4134, 11/4135, 11/4136, 11/4138

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 5 april 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. [A],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

• navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 1993

tot en met 2002;

• navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 2000;

• aanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2006.

Gelijktijdig met de vaststelling van de belastingaanslagen zijn aan eiser boeten opgelegd en is aan eiser heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2005 de voor de jaren 1993 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen en boetes alsmede de voor die jaren in rekening gebrachte heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 december 2005, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer 06/345.

Bij uitspraken op bezwaar van 21 februari 2008 heeft verweerder de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 met bijbehorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 mei 2008, ontvangen door de rechtbank op 26 mei 2008, beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer 08/2518.

Eiser heeft bij brief van 31 juli 2009, ontvangen door de rechtbank op 3 augustus 2009, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2006. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer 09/3115. Op 11 augustus 2009 heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 met bijbehorende boetebeschikking en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2009 heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 met bijbehorende boetebeschikking en beschikking heffingsrente gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 18 november 2009, ontvangen door de rechtbank op 19 november 2009, beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer 09/4671.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

In de zaak met nummer 06/345 heeft verweerder als bijlage bij het verweerschrift een geschoonde versie van het Draaiboek rekeningenproject (hierna: Het Draaiboek) en de Nieuwsbrieven overgelegd. Het betreft de versie die naar aanleiding van de tussenuitspraak van het Hof Den Bosch van 13 mei 2005, nr. 03/01592, LJN: AU3687, is verstrekt (de zogenaamde Bossche versie).

De zaak met nummer 06/345 is ter zitting van 7 december 2006 behandeld door de meervoudige belastingkamer.

Namens eiser is daar verschenen mr. [B], verbonden aan [C]. Namens verweerder zijn verschenen drs. [D], bijgestaan door mr. [E] en mr. [F].

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. In de pleitnota stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder de volgende op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen:

• De integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven;

• De ontbrekende gegevens met betrekking tot de identificatie van de rekeninghouders;

• De ontbrekende gegevens met betrekking tot de correcties;

• De belastingaangiften van eiser over de betreffende jaren;

• Stukken met betrekking tot het beleid voor de boeteoplegging in het rekeningenproject.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om te kunnen reageren op de pleitnota van eiser.

Bij brief van 8 maart 2007 heeft verweerder gereageerd op de pleitnota van eiser. Als bijlage bij deze brief heeft verweerder onder meer de systeemuitdraaien van de aangiftebiljetten IB/PVV/VB vanaf de jaren 1995 overgelegd.

In de deze brief schrijft verweerder onder meer:

• Dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht;

• Dat hij niet over meer gegevens beschikt met betrekking tot de identificatie van de

rekeninghouders;

• Dat geen sprake is van boetebeleid.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 8 juni 2007 gereageerd op verweerders brief van

8 maart 2007.

Bij brief van 27 april 2010 heeft de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:45 van de Awb verzocht om de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven te overleggen.

Bij brief van 25 mei 2010 heeft verweerder een integrale versie (met een rood voorloopblad) en een geschoonde versie (met een geel voorloopblad) van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven aan de rechtbank toegezonden. Voor de onleesbaar gemaakte passages (grijs gemarkeerd) en de geanonimiseerde namen van medewerkers van de Belastingdienst (aangeduid met de letters NN en een cijfer) in de geschoonde versie van het Draaiboek en Nieuwsbrieven stelt verweerder zich met een beroep op artikel 8:29 van de Awb op het standpunt dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen.

De geschoonde versie betreft de zogenaamde verbeterde Amsterdamse versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven (dus met inachtneming van de tussenuitspraak van het Hof Amsterdam van 19 april 2006, nr. 04/04923, LJN: AW2127 en de tussenuitspraak van Rechtbank Breda van 3 januari 2007, nr. 05/2586, LJN: AZ5534), aangevuld met de passages die nadien zijn vrijgegeven op grond van de tussenuitspraak van het Hof Arnhem van 16 maart 2010, nr. 04/01262, LJN: BL9025.

Een afschrift van de geschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven is door de rechtbank verstrekt aan eiser.

Bij brief van 2 juli 2010 heeft mr. [B] namens eiser gereageerd op verweerders brief van 25 mei 2010.

Het beroep van verweerder op artikel 8:29 van de Awb is behandeld ter zitting op 31 januari 2011 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [A], verbonden aan [G]. Namens verweerder is verschenen mr. [H].

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting de ongeschoonde versie van de twee pagina’s van de afdrukken van de microfiches waarop de naam van eiser staat vermeld aan de rechtbank overgelegd. Voor de namen van derden die staan vermeld op de betreffende pagina’s heeft verweerder zich met een beroep op artikel 8:29 van de Awb op het standpunt gesteld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen.

Bij beslissing van 3 februari 2011 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van het Draaiboek, de Nieuwsbrieven en de overgelegde pagina’s van de afdrukken van de microfiches toegewezen.

Desgevraagd heeft eiser bij brief van 21 februari 2011 medegedeeld dat hij de rechtbank geen toestemming geeft om de stukken waarvan de beperking van de kennisneming is gerechtvaardigd, bij de beoordeling van de beroepen te betrekken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. [A], alsmede [I], de vader van eiser, en [J]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [K] en mr. [H].

Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn aan de wederpartij overgelegd.

2. Feiten

Eiser, geboren op 16 augustus 1962, heeft als voornamen [voornamen X]. Hij is gehuwd met [X-Y]. Sinds december 2005/januari 2006 leven zij duurzaam gescheiden van elkaar.

Eiser heeft van februari 1984 tot april 1995 een café gedreven. Daarna is hij (vanaf 1997) onder meer directeur-grootaandeelhouder van twee uitzendbureaus geweest.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van microfiches verstrekt (hierna: de fotokopieën). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten in verband met rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject. De ontwikkelingen binnen dit project zijn intern door middel van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven verspreid.

De door verweerder overgelegde afdrukken van een microfiche vermelden onder meer de volgende gegevens:

“JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994” en

“[00] VVE [X] 15,11

[01] TER LDO [X] 250.441,19”.

Op basis van de in het Draaiboek opgenomen wijze van identificatie van de op de fotokopieën genoemde rekeninghouders heeft de Belastingdienst vastgesteld dat eiser als enige houder van de rekening met nummer [02] bij de KB-Lux in aanmerking komt.

Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van ambtshandeling van 14 april 2006 met betrekking tot het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening met nummer [02]. Hierin verklaart [L], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD-ECD, hoe de identificatie van eiser als rekeninghouder bij de KB-Lux in zijn werk is gegaan:

“Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB-Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

(…)

Het cliëntenbestand is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen. (…)

De gevonden sofinummers zijn gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertficatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is verkregen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

In een aantal gevallen zijn op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) uittreksels gevraagd uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) en is tegen betaling via internet informatie verkregen uit de openbare registers van het Kadaster.

(…)

1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam: [X].

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komen 8 hits voor met de

familienaam [achternaam X], van het mannelijk geslacht met als eerste voorletter de letter

[voorletter X].

3. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW bestand zie ik dat er 5 personen [achternaam X] met

een voornaam worden genoemd. Maar één persoon heet [X]. Ditr is [X], met geboortedatum 16-08-1962

en sofinummer [000].

4. Van drie personen zijn de voornamen opgevraagd bij verschillende gemeenten. Geen van deze personen heeft als voornaam [voornaam X].

Conclusie.

Uit de match van rekeninghouders, zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden komt voornoemde [X] als enige rekeninghouder van de KB Lux rekening [02] in aanmerking. (…)”

Bij brief van 8 februari 2005 heeft verweerder eiser een “Opgaaf Buitenlands Vermogen” toegezonden en hem gevraagd inlichtingen te verstrekken over in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. In de brief heeft verweerder erop gewezen dat eiser op grond van artikel 47, lid 1, van de AWR verplicht is de in deze opgaaf gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Bij brief van 21 februari 2005 heeft eiser op deze brief gereageerd.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht om de eerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken en de “Opgaaf Buitenlands Vermogen” in te vullen.

Bij brief van 28 februari 2005 is eiser uitgenodigd voor een gesprek met verweerder, waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om een nadere toelichting te geven. In deze brief heeft verweerder eiser wederom gewezen op de verplichting voortvloeiend uit artikel 47 van de AWR om de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Op 9 maart 2005 heeft verweerder een huisbezoek gebracht aan eiser en zijn vader [I]. Tijdens dit gesprek heeft eiser ontkend dat hij over een buitenlandse bankrekening beschikt.

Op 11 april 2005 heeft een gesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden op het belastingkantoor te Nijmegen. Eiser heeft in dit gesprek nogmaals ontkend dat hij een bankrekening heeft in Luxemburg.

Bij brief van 11 april 2005 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht om de eerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Bij brief van 24 mei 2005 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2002 en navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1993 tot en met 2000 op te leggen, alle met een bestuurlijke boete van 100%. Als bijlagen bij deze brief zijn overzichten gevoegd, waarin de bedragen van de correcties, boeten en heffingsrente zijn vermeld.

De aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2002 en VB voor de jaren 1994 tot en met 2000 zijn met dagtekening 29 juli 2005 overeenkomstig deze overzichten opgelegd.

De correcties zijn berekend volgens het voor het Rekeningenproject ontworpen model, met toepassing van de zogenoemde factor 1,5. De werking van dit model is uitgebreid beschreven in het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 09/0951592, LJN BN6350.

Voor het opleggen van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2006 heeft verweerder aan eiser gevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken aangaande de – volgens verweerder – door eiser bij de Kredietbank Luxemburg aangehouden bankrekening. Eiser heeft deze vragen ofwel ontkennend, ofwel niet beantwoord.

Bij brief van 8 februari 2006 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2003 en een boete op te leggen van 100%. De aanslag IB/PVV 2003 is opgelegd met dagtekening 16 december 2006.

Bij brief van 24 september 2007 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2004 en een boete op te leggen van 100%. De aanslag IB/PVV 2004 is opgelegd met dagtekening 30 november 2007.

Bij brief van 7 februari 2008 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2005 en een boete op te leggen van 100%. De aanslag IB/PVV 2005 is opgelegd met dagtekening 30 juni 2009.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft verweerder vragen gesteld over de aangifte IB/PVV 2006. Bij brief van 30 oktober 2008 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2006 en een boete op te leggen van 100%. De aanslag IB/PVV 2006 is opgelegd met dagtekening 27 maart 2009.

Bij brief van 24 april 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2006. Bij brief van 24 juni 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij behandeling van het bezwaar aanhoudt totdat is beslist op het beroep van eiser voor de jaren 1993 tot en met 2004. Indien eiser toch een uitspraak op bezwaar wenst te ontvangen wordt hij verzocht dit binnen een week schriftelijk kenbaar te maken. Eiser heeft op deze brief niet gereageerd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het beroep inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 ontvankelijk?

2. Zijn de aanslagen IB/PVV over de jaren 1993 tot en met 1999 en VB over de jaren 1994 tot en met

2000 tijdig opgelegd?

3. Is eiser terecht aangemerkt als rekeninghouder van de rekening bij de KB-Lux?

4. Is het bewijs rechtmatig verkregen?

5. Is sprake van omkering van de bewijslast?

6. Indien sprake is van omkering van de bewijslast: Is sprake van een redelijke schatting?

7. Is voor het jaar 2004 terecht een bedrag aan looninkomsten gecorrigeerd?

8. Zijn de boeten terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Niet meer in geschil is dat verweerder voor het jaar 2005 ten ontechte een bedrag van € 8.436 aan inkomsten uit de eigen woning heeft gecorrigeerd. Verweerder heeft deze correctie in het verweerschrift voor het jaar 2005 laten vallen. Dit betekent dat het beroep voor het jaar 2005 reeds daarom gegrond is.

Voorts is niet in geschil dat verweerder voor het jaar 2006 niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2003 en 2004

De rechtbank stelt voorop dat de ontvankelijkheid voor de belastingaanslagen en boeten afzonderlijk dient te worden beoordeeld.

De uitspraken op bezwaar voor de jaren 2003 en 2004 hebben als dagtekening 21 februari 2008. De beroepstermijn eindigt derhalve op 3 april 2008. De beroepen zijn op 26 mei 2008 bij de rechtbank binnengekomen en zijn dus te laat ingediend.

Eiser stelt en verweerder betwist dat zijn gemachtigde pas bij brief van de ontvanger aan eiser van 14 april 2008 op de hoogte is geraakt dat er uitspraak op bezwaar was gedaan voor de jaren 2003 en 2004.

Nog daargelaten of aannemelijk is dat eiser de uitspraak op bezwaar over de jaren 2003 en 2004 niet rond 21 februari 2008 heeft ontvangen, kan dit niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Reden hiervoor is dat voor artikel 6:11 van de Awb nodig is dat eiser na kennis te hebben genomen van de uitspraak op bezwaar zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan beroep moet instellen (vgl HR 22 januari 2010, BNB 2010/88, nr. 09/00526, LJN BL0078). Eiser is op 14 april 2008 op de hoogte geraakt van de uitspraak op bezwaar en heeft pas op 26 mei 2008, derhalve ongeveer zes weken later, beroep ingesteld. In dat geval is geen sprake meer van beroep instellen zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan. De beroepen tegen de aanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen over de jaren 2003 en 2004 moeten dus dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2006

Op grond van artikel 7:10, eerste en tweede lid, van de Awb (tekst tot 1 oktober 2009) beslist het bestuursorgaan binnen zes weken op het bezwaarschrift en kan het bestuursorgaan deze beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Op grond van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb is verder uitstel mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt.

Eiser heeft op 3 augustus 2009 beroep ingesteld. De reguliere beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Awb was toen verstreken.

Eiser heeft niet ingestemd met termijnverlenging. Daarom is sprake van niet tijdig beslissen op het bezwaar. Eiser heeft dus terecht beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Omdat in bezwaar om een proceskostenvergoeding is verzocht, is – ondanks dat verweerder inmiddels uitspraak heeft gedaan - procesbelang aanwezig, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van de verlengde navorderingstermijn (IB/PVV 1993 tot en met 1999 en VB 1994 tot en met 2000)

Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van alle in geschil zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV en VB in strijd is gehandeld met de vereiste voortvarendheid, zodat het gebruik maken van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd is met het communautaire recht.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010 (nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120) uit het arrest van Hof van Justitie van 1 juni 2009 C-155-08 en C-157-08, LJN: BI8987) de regels afgeleid die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de verlengde navorderingstermijn teneinde te voorkomen dat wordt gehandeld in strijd met de artikelen 49 en 56 EG (thans: artikelen 56 en 63 VWEU). Deze regels komen er op neer dat, indien een lidstaat beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag wordt opgelegd na afloop van de navorderingstermijn die zou gelden voor in de eigen staat aangehouden banktegoeden, de navorderingsaanslag dient te worden opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzigingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

De navorderingsaanslagen IB/PVV die betrekking hebben op de jaren 2000, 2001 en 2002 zijn met dagtekening 29 juli 2005 opgelegd. Toen was de vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR nog niet verstreken. Deze navorderingsaanslagen zijn dus in ieder geval tijdig opgelegd.

De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1993 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1992 tot en met 2000 zijn eveneens met dagtekening 29 juli 2005 opgelegd. Deze navorderingsaanslagen zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Ten aanzien van deze navorderingsaanslagen zal de rechtbank beoordelen of de termijn die is verlopen tussen de ontvangst van de informatie uit België en de data waarop de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, langer is geweest dan noodzakelijk was voor het verkrijgen van inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting en tevens of de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid is voorbereid en vastgesteld.

Tussen het moment dat de Belgische autoriteiten over bankrekeningen bij KB-Lux inlichtingen hebben verstrekt aan de belastingdienst op 27 oktober 2000 en het moment waarop aan eiser voor het eerst vragen zijn gesteld, namelijk op 8 februari 2005, is ongeveer 4 jaar en 4 maanden verstreken.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat vanuit België slechts summiere informatie over de rekeninghouders is ontvangen. Gelet op de omvang en de aard van de gegevens, alsmede met het oog op een gelijke rechtstoepassing is besloten tot een projectmatige aanpak. Hiervoor is een organisatie opgezet. Verder is gelet op de wijze van verkrijging van de informatie beoordeeld of de verkregen informatie wel gebruikt mocht worden ten behoeve van de belastingheffing in Nederland. Dit heeft geleid tot de tot de gedingstukken behorende Nota rechtmatigheid van 16 augustus 2001, waarin de gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord. Vervolgens dienden de op de microfiches voorkomende rekeninghouders te worden geïdentificeerd. De lijst van rekeninghouders is in eerste instantie aangehouden tegen het BVR-bestand van de Belastingdienst. Omdat dit in veel gevallen, ook in het geval van eiser, onvoldoende was om een unieke match te krijgen heeft de belastingdienst in augustus 2001 de beschikking gekregen over het RDW-bestand. Daarna is eind 2001 in een pilot de betrouwbaarheid van de verkregen gegevens getoetst. In de periode januari 2002 tot en met juli 2002 zijn drie tranches gegevens over geïdentificeerde belastingplichtigen aan de regionale belastingdiensteenheden gezonden. Eiser behoorde niet tot deze groepen. Verweerder heeft verder toegelicht dat de resterende groep, waartoe eiser behoort, handmatig moest worden geïdentificeerd. Van de acht treffers uit het BVR-bestand, zijn er vijf personen [achternaam X] gevonden in het RDW-bestand. Van de overige drie personen moesten de voornamen bij de gemeenten worden opgevraagd. Verweerder heeft verklaard dat deze namen op 30 augustus 2004 bij de gemeenten zijn opgevraagd. In september 2004 is van de laatste gemeente de informatie ontvangen. Verweerder heeft verklaard dat deze laatste groep lastig te identificeren was, dat dit een tijdrovende aangelegenheid was, en dat de beschikbare menskracht en zorgvuldigheid ertoe hebben geleid dat pas in september 2004 de identificatieprocedure van eiser was afgerond.

De door verweerder aangevoerde redenen zijn onvoldoende om het tijdsverloop tussen 27 oktober 2000 (ontvangst renseignement door Fiod) en 8 februari 2005 (eerste inlichtingenverzoek aan eiser) te rechtvaardigen. Met name is naar het oordeel van de rechtbank met de periode tussen medio 2002 en augustus 2004, het moment waarop de gemeenten werden aangeschreven, met het verkrijgen van inlichtingen en het vaststellen van de aanslagen een langere tijd gemoeid geweest dan op grond van de hiervoor genoemde rechtspraak kan worden aanvaard. Verweerder heeft geen verklaring gegeven waarom ruim twee jaar is gewacht met de handmatige voorzetting van het identificatieproces. Dit betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 2000 moeten worden vernietigd. Ditzelfde heeft dan te gelden voor de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, de genomen kwijtscheldingsbesluiten, de boetes en de in rekening gebrachte heffingsrente.

De (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2000 tot en met 2006 zijn tijdig opgelegd.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs

Eiser stelt dat de fotokopieën van de microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen en dat deze dus niet als bewijs mogen worden gebruikt. Hij heeft hiervoor verwezen naar een uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie van 31 mei 2011.

Het antwoord op de vraag of de microfiches als bewijs mogen worden gebruikt, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Ook als de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat de verkrijging van de microfiches door de Belgische autoriteiten op zodanige wijze heeft plaatsgevonden, dat deze bewijsmiddelen op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, dan bestaat er nog geen aanwijzing dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Eiser heeft niets aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse autoriteiten bij de verkrijging van de gegevens een fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. De rechtbank is daarom, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43050, LJN: BA8179, van oordeel dat de Belastingdienst de microfiches niet op een wijze heeft verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.

Ten aanzien van de enkelvoudige belasting (IB/PVV 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006)

Op verweerder rust de bewijslast ten aanzien van de stelling dat eiser houder is van een bankrekening bij KB-Lux. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

Eisers voornaam is [voornaam X], zijn achternaam is [achternaam X]. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van deze gegevens en de omstandigheid dat deze combinatie in de door verweerder geraadpleegde bestanden slechts eenmaal voorkomt, voldoende is om eiser aan te merken als de persoon die op de microfiches wordt bedoeld. De door verweerder gehanteerde identificatiemethode, zoals neergelegd in het proces-verbaal van ambtshandeling van 14 april 2006 met betrekking tot het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder, acht de rechtbank betrouwbaar. De door eiser overgelegde prints uit de elektronische telefoonboeken doen hier niet aan af, omdat daaruit niet blijkt dat er nog één of meer personen met achternaam [achternaam X] en voornaam [voornaam X] zijn.

Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank aannemelijk dat eiser op 31 januari 1994 houder was van de onderhavige bankrekening bij de KB-Lux en gerechtigd was tot de op de microfiches onder de naam [X] vermelde bedragen.

De rechtbank acht derhalve aannemelijk dat in de onderhavige jaren eiser beschikte over een vermogen dat hij op een bankrekening bij KB Lux aanhield. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder eiser op basis artikel 47 van de AWR om gegevens en inlichtingen betreffende de in het buitenland aangehouden bankrekening heeft gevraagd.

Eiser die heeft ontkend te beschikken over een buitenlandse bankrekening en vervolgens geen informatie heeft verstrekt over de door hem in het buitenland ter beschikking staande banktegoeden, heeft daarmee niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR rustende verplichting om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het betoog van eiser, dat hij niet aan de inlichtingenplicht hoeft te voldoen omdat dat zou neerkomen op zelfincriminatie, hetgeen is verboden door artikel 6 van het EVRM, kan aan dit oordeel niet afdoen. Het betreft hier immers een verplichting in het kader van het vaststellen van de belastingschuld en niet in het kader van een criminal charge (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43.050, LJN: BA8179, BNB 2008/159, en Hoge Raad 27 juni 2001, nr. 35.889, LJN: AB2314, BNB 2002/27).

Reeds vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard, als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onder b, en slot, van de AWR.

Eiser heeft noch in bezwaar noch in beroep openheid van zaken gegeven en ook overigens geen concrete stellingen betrokken op grond waarvan blijkt dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006 onjuist zijn. De blote ontkenning dat hij een buitenlandse bankrekening heeft aangehouden is daartoe onvoldoende.

Met betrekking tot de vraag of verweerder de in geschil zijnde belastbare inkomens op een redelijke wijze heeft vastgesteld, stelt de rechtbank allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de door hem in de berekeningen gehanteerde factor 1,5 dient te vervallen. Hij verzoekt de rechtbank om hem –indien de aanslagen (deels) in stand blijven- in de gelegenheid te stellen de belastbare inkomens opnieuw te berekenen.

Met inachtneming van de vermindering van de factor 1,5 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de belastbare inkomens in de onderhavige jaren op redelijke wijze vastgesteld. Eiser heeft de statistische onderbouwing van de schatting van verweerder gemotiveerd bestreden. Dit kan eiser echter niet baten. Uit r.o. 4.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, volgt immers dat de schatting een zekere ruwheid mag vertonen en dat een sluitende statistische onderbouwing niet vereist is. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat voor de jaren 2001 en 2002 is uitgegaan van hetzelfde vermogen als in het jaar 2000, zodat de schatting voor die jaren redelijk is. Vanaf het jaar 2003 is verweerder uitgegaan van een toename van saldo op de KB-Lux rekening. Verweerder heeft toegelicht dat is uitgegaan van een rendement tussen de 3 en 5%, welk rendement de rechtbank redelijk acht.

Eiser stelt nog dat hij als particulier had moeten worden aangemerkt in plaats van als ondernemer. De rechtbank verwerpt deze stelling omdat eiser op 31 december 1994 ondernemer was en het saldo op de bankrekening als uitgangspunt is gehanteerd.

De rechtbank berekent de vast te stellen inkomens zoals hierna in de tabel is aangegeven. Hierbij is de onjuist geachte en in alle jaren doorwerkende berekeningsfactor van 1,5 geëlimineerd door de toegepaste inkomenscorrectie telkens met 1/3 te verminderen. Voor het jaar 2000 is sprake van het belastbaar inkomen en voor de jaren 2001, 2002, 2005 en 2006 van belastbare inkomens uit sparen en beleggen.

2000 2001 2002 2005 2006

HFL HFL EUR EUR EUR

Belastbaar inkomen vlgs aanslag 81.367 44.514 20.146 17.749 18.732

Af: 1/3 inkomenscorrecties 16.422 12.067 5.476 6.056 6.244

Vast te stellen belastbaar inkomen 64.995 32.447 20.140 11.693 12.488

Ten aanzien van de heffingsrente (bij de aanslagen IB/PVV 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006)

Nu eiser(es) geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.

Ten aanzien van de boetes(IB/PVV 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006)

Verweerder heeft bij beschikking vergrijpboetes van 100% opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 en 2001 en de aanslagen IB/PVV 2002, 2005 en 2006. De bewijslast hiervoor ligt voor ieder jaar afzonderlijk, zowel wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, bij verweerder (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324, BNB 2011/206 en Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350, BNB 2011/207).

Voor zover eiser zich met betrekking tot de opgelegde boetes op het standpunt heeft gesteld dat oplegging daarvan vanwege de door verweerder verzonden vragenbrieven en de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR in strijd zou zijn met het verbod van zelfincriminatie zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM, kan de rechtbank dat niet volgen. In het onderhavige geval heeft eiser immers geen inlichtingen gegeven of gegevens overgelegd waarvan gebruik zou kunnen worden gemaakt bij de eventuele bewezenverklaring van de beboetbare feiten. Hieraan doet verder niet af dat het zwijgen van eiser niet zonder meer in zijn nadeel mag worden uitgelegd (zie de hiervoor aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 15 april 2011).

Ten aanzien van de bewezenverklaring van de opzet is de rechtbank van oordeel dat, indien en voor zover bewezen kan worden verklaard dat eiser in enig jaar tegoeden heeft aangehouden op een buitenlandse bankrekening in een land waar een wettelijk bankgeheim geldt zonder dat eiser deze tegoeden heeft aangegeven, daarmee ook de opzet op het niet-aangeven is bewezen, omdat aannemelijk mag worden geacht dat eiser wist dat ook tegoeden op een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus en dat de reden om gebruik te maken van een aparte bankrekening met bankgeheim juist is geweest om die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten te houden.

Uit het renseignement – waaraan naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van de boetes bewijskracht toekomt – blijkt dat eiser op 31 december 1994, beschikte over een tegoed op een bankrekening bij KB Lux. Blijkens het renseignement betrof deze rekening een termijndeposito.

Ten aanzien van de vraag of ook bewezen kan worden geacht dat eiser ook nog gedurende 2000 tot en met 2006 de bankrekening heeft aangehouden ontbreekt rechtstreeks bewijs. Aan het renseignement met betrekking tot 1994 kan evenwel een vermoeden worden ontleend dat eiser ook zes tot twaalf jaar later nog het beboetbare feit heeft gepleegd. Uit het renseignement blijkt immers dat eiser op 31 december 1994 over een groot tegoed beschikte, namelijk fl. 280.491. Als algemene ervaringsregel geldt dat een dergelijk groot bedrag in termijndeposito’s op een verzwegen bankrekening in een land met een wettelijk bankgeheim voor de lange termijn wordt aangehouden en dat onder lange termijn ook een periode van zes tot twaalf jaar moet worden begrepen. Dat wordt ondersteund door het door verweerder verstrekte overzicht van de mate waarin andere (meewerkende) rekeninghouders bankrekeningen in latere jaren dan 1994 hebben aangehouden. Daarbij komt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat in de aangiften IB/PVV over de jaren 1993 tot en met 2006 geen aanwijzingen kunnen worden gevonden dat eiser zijn – in ieder geval in 1994 aangehouden – buitenlands banktegoed heeft overgebracht naar Nederland of heeft omgezet in een ander wel aangegeven vermogensbestanddeel.

Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, aannemelijk gemaakt dat vermoeden te ontzenuwen. Veeleer is uit de omstandigheid dat eiser telkens heeft gezwegen over de bankrekening en ook telkens heeft geweigerd gegevens omtrent de rekening te verstrekken, een bevestiging van dat vermoeden te ontlenen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser met betrekking tot de jaren 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006 het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en vermogen niet in de aangiften te verantwoorden. Het kan dan niet anders dan dat het aan opzet van eiser is te wijten dat van hem te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft dan ook terecht boetes van 100% opgelegd.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41832, LJN BC 1962, beslist dat bij de beoordeling of de boete passend en geboden is, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat vaststaat dat eiser rechthebbende is op het tegoed bij KB-Lux. Dit betekent dat eiser niet in bewijsnood verkeert en de keuze heeft gemaakt de op dit tegoed betrekking hebbende gegevens voor zich te houden en geen openheid van zaken te geven. Eiser had kunnen voorkomen dat de hoogte van de verschuldigde belasting op basis van een schatting - waarvan hij vervolgens overtuigend de onjuistheid moet aantonen - werd vastgesteld. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de onderhavige (navorderings)aanslagen zijn vastgesteld met verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar eiser en zijn gebaseerd op een schatting, derhalve geen aanleiding voor matiging van de boetes. Dit geldt volgens de rechtbank ook voor de bezwaarfase, waarin eiser om hem moverende redenen heeft afgezien van inkeer. De rechtbank acht de opgelegde boetes passend en geboden.

De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de brief 24 mei 2005, waarin verweerder eiser op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de in geding zijnde boetes op te leggen. Deze termijn is geëindigd met de uitspraak van deze rechtbank. De totale behandelingsduur bedraagt dus 6 jaar en bijna 10 maanden, zodat de redelijke termijn in beginsel is overschreden met 4 jaar en 10 maanden. De rechtbank ziet echter aanleiding deze termijn te verlengen. De Hoge Raad heeft immers op 21 maart 2008 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR en op 26 februari 2010 de hiervoor onder de overwegingen genoemde arresten gewezen. Dit heeft tot gevolg dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM met 1 jaar en 11 maanden wordt verlengd. De redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en 11 maanden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te matigen met 30%.

5. Proceskosten

Nu de door de eiser ingestelde beroepen gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten dienen te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor de toepassing van deze bepaling worden ingevolge artikel 3 van het Besluit de onderhavige zaken beschouwd als samenhangende zaken. De kosten zijn op de voet van het Besluit voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.207,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 7 december 2006, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 20 oktober 2011, met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak en een factor 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken).

Voor een veroordeling van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt bestaat geen aanleiding nu gesteld noch gebleken is dat daarom is verzocht voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2003 en 2004 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 tot en met 2002, de aanslagen

IB/PVV 2005 en 2006 en de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 2000 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 tot en met 2002, de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 en de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 2000,

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 2000, alsmede de over die jaren vastgestelde boeten en heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 tot een aanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van f 64.995;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen

uit sparen en beleggen van € 32.447 met handhaving van de overige elementen;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen

uit sparen en beleggen van € 20.140 met handhaving van de overige elementen;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2005 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.844 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.693;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2006 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen

en beleggen van € 12.488 met handhaving van de overige elementen;

- vermindert de op de (navorderings)aanslagen betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente overeenkomstig de bovenstaande verminderingen van die aanslagen;

- vermindert de boetebeschikkingen aldus, dat de boete over het jaar 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006

wordt vastgesteld op 70% van de nagevorderde of meer verschuldigde belasting;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.207,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 119 (€ 37 + € 41 + € 41) aan deze

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en

mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 5 april 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.