Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW3262

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
05/901498-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Arnhem heeft een 51-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, voor een zeer brute verkrachting in 1998. Daarbij is bijzonder grof geweld gebruikt. Door dit geweld en de door verdachte geuite doodsbedreigingen, heeft aangeefster gevreesd voor haar leven. Het slachtoffer heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft te kennen gegeven ruim 13 jaar na dato nog altijd te kampen met gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid in het dagelijks leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/901498-11

Datum zitting : 5 april 2012

Datum uitspraak : 19 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats]

adres : zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in : PI Arnhem - De Berg te Arnhem-Noord.

Raadsman : mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. P.A. de Boer.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 september 1998 te Arnhem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten zijn, verdachtes, penis brengen in haar vagina en/of

met zijn, verdachtes, hand(en) betasten van haar borst(en) en/of bil(len) en/of zoenen van haar mond, welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens) opzettelijk die [slachtoffer]

(meermalen) tegen haar hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of tegen de grond heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of (met een plastic tas en/of een mouw van een trainingsjack) getracht heeft haar mond te snoeren en/of dreigend de woorden "dat hij haar straks dood ging maken", in elk woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking, heeft toegevoegd en/of dreigend de woorden "dat hij haar keel af zou snijden met zijn mes", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking, heeft toegevoegd en/of (daarbij) een voorwerp tegen haar keel heeft gehouden en/of met zijn, verdachtes, hand(en) haar keel heeft dicht gedrukt en/of haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 april 2012 ter terechtzitting onderzocht.

Daarbij is verdachte niet verschenen. Als uitdrukkelijk gemachtigd raadsman is mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem, verschenen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [slachtoffer]. Namens de benadeelde partij is mr. D.W. Jansen als uitdrukkelijk gemachtigde ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. De door aangeefster afgelegde verklaring is gedetailleerd en wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals bijvoorbeeld de medische verklaring en de foto’s van het letsel. De verklaring van verdachte is daarentegen op een aantal cruciale punten aantoonbaar onjuist en daarom ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. Verdachte ontkent niet seks met aangeefster te hebben gehad, maar dit zou met wederzijdse instemming zijn geweest. Dat blijkt uit diverse omstandigheden, zoals het feit dat aangeefster na de seks van verdachte een treinkaartje heeft gekregen met daarop een gsm-nummer. Voorts heeft aangeefster verklaard niet te hebben gegild en is zij niet weggerend, terwijl zij daartoe meerdere keren gelegenheid heeft gehad. Zo heeft verdachte voorafgaand aan de geslachtsgemeenschap op vier meter afstand van aangeefster gestaan en heeft hij zijn schoenen en sokken uitgetrokken. Dat was een moment dat aangeefster had kunnen vluchten. Het uittrekken van de sokken maakt dat er geen sprake is geweest van een haastige verkrachting van een zich heftig verzettend slachtoffer. Daarnaast is aangeefster een jong en fit persoon en betreft verdachte een persoon met een slechte conditie en een plastic knie, zodat aangeefster veel sneller zou zijn geweest. Voorts is een opmerkelijk detail dat aangeefster hoge veterschoenen droeg. Het moet tijd en moeite hebben gekost om deze uit te kunnen trekken. De raadsman houdt voor dat er rekening gehouden dient te worden met mogelijke afwijkende seksuele voorkeuren.

Het geweld dat zou zijn toegepast staat niet in verband tot de seksuele handelingen. Na de seks hebben verdachte en aangeefster ruzie gekregen over het geld en is er een handgemeen ontstaan, waarbij beiden hebben uitgehaald. Nu dit geweld niet in verband staat met de vrijwillige seks die heeft plaatsgehad en geen mishandeling ten laste is gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

1. Inleiding

Vooropgesteld wordt het volgende. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dit kan in geval van een ontkennende verdachte met zich brengen dat slechts de verklaringen van het (vermeende) slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in art. 342, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, is echter de enkele verklaring van één getuige – in zo’n geval het slachtoffer – in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer toch voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting moet de rechter dan onverminderd de overtuiging krijgen dat het aan een verdachte ten laste gelegde feit gepleegd is. Indien overige bewijsmiddelen schaars zijn behoort de rechter extra voorzichtig te zijn om op grond van hetgeen overigens blijkt, aan te nemen dat het feit gepleegd is.

2. Verklaring aangeefster [slachtoffer]

Aangeefster [slachtoffer] heeft – samengevat weergeven – het volgende verklaard. Op 3 september 1998 heeft zij vanuit Utrecht de trein genomen. Zij is in de trein in slaap gevallen. Hoewel zij al bij station Driebergen-Zeist had moeten uitstappen, werd zij pas in de buurt van Arnhem wakker. Bij haar in de coupé zat een man die zij later heeft aangewezen als de persoon die haar verkracht heeft (hierna: de dader). Aangeefster heeft de conducteur gevraagd hoe zij terug naar Zeist kon komen. Op station Arnhem is aangeefster uitgestapt en naar twee mannen op het perron gelopen. Eén van de mannen droeg een portofoon. De andere man was de dader. De dader vroeg waar aangeefster naar toe moest en vertelde een zus in Driebergen te hebben. Hij pakte daarop zijn gsm en, ondanks dat aangeefster geen piepjes van de toetsen hoorde, belde de dader met zijn zus om hen op te komen halen. Aangeefster liep met de dader mee omdat zij later met hem mee zou kunnen rijden. Ze is meegelopen naar een plek waar zij beiden opgehaald zouden worden. Dit was een afgelegen plek. Terwijl zij op de zus van de dader aan het wachten waren, belde de dader een paar keer met zijn gsm. Kort daarna kwam de dader voor aangeefster staan en deelde haar mee met haar te willen neuken. Toen aangeefster te kennen gaf dat niet te willen ontstond een gevecht tussen aangeefster en de dader. Op het moment dat aangeefster door de dader werd aangevallen, heeft zij hem tot bloedens toe in zijn gezicht gekrabd. Daarop is aangeefster door de dader tegen de linkerzijde van haar gezicht en linkeroog geslagen. Tijdens de worsteling is aangeefster meerdere malen tegen haar hoofd geslagen met zowel zijn vuist als vlakke hand. De dader probeerde met een plastic tas die hij bij zich droeg, de mond van aangeefster dicht te drukken. Hij had de zak gescheurd en probeerde haar mond te snoeren en aan de achterzijde dicht te binden. Op het moment dat de dader aangeefster bedreigde om haar dood te maken werd zij erg bang. De dader liep naar de rest van de plastic tas die inmiddels iets verder op lag en kwam weer snel naar aangeefster toe op het moment dat zij wilde opstaan. Daarop sloeg hij haar een paar keer dusdanig hard tegen haar hoofd dat zij sterretjes zag en zij bang was bewusteloos te raken. Aangeefster vocht echter terug waarop de dader probeerde haar mond te snoeren met de mouw van zijn trainingsjack. Aangeefster heeft op dat moment niet gegild, omdat zij het idee had dat niemand haar zou kunnen horen. Voorts was zij bang dat de dader haar dan nog harder zou gaan slaan. Elke keer als zij wat zei, sloeg de dader haar en zei dat hij haar keel af zou snijden met zijn mes. Om zijn woorden kracht bij te zetten pakte de dader een voorwerp uit zijn broekzak en hield dat tegen de keel van aangeefster. De dader zat op de buik van aangeefster en hield met zijn knieën haar armen tegen de grond gedrukt. Toen aangeefster weer iets wilde zeggen, begon de dader met zijn beide handen haar keel dicht te drukken, waardoor zij een poosje geen adem meer kreeg. Vervolgens heeft de dader aangeefster losgelaten om zichzelf en aangeefster uit te kleden. Aangeefster was op dat moment al zo vaak geslagen en bedreigd dat zij niets meer durfde te doen. De dader is daarna bovenop aangeefster gaan liggen, heeft met zijn ellebogen haar armen tegen de grond gedrukt en heeft zijn penis in haar vagina gebracht. Tijdens de verkrachting heeft de dader meerdere keren de billen en borsten van aangeefster vastgegrepen en haar gezoend. Weglopen lukte aangeefster niet, omdat haar benen het begaven, aldus nog steeds aangeefster.

3. Verklaring van verdachte

Verdachte heeft – samengevat weergegeven – het volgende verklaard. Hij was met een vriend met de auto naar Arnhem gekomen. Hij heeft aangeefster buiten bij het treinstation ontmoet. Zij hebben met elkaar afgesproken voor 50 gulden seks te hebben. Er is seksueel contact geweest en verdachte is daarna opgestapt en weggegaan. Verdachte zou aangeefster aan de kant hebben geduwd omdat zij meer geld wilde hebben. In een latere verklaring vertelt verdachte dat hij niet in het station is geweest, in ieder geval niet op het perron, maar dat hij aangeefster buiten heeft getroffen en dat zij geld nodig had om een taxi te kunnen betalen. In de omgeving van het station hebben zij ergens seks gehad en vroeg aangeefster uiteindelijk om meer geld dan zij hadden afgesproken. Toen verdachte niet bereid was extra te betalen begon aangeefster te schreeuwen. Daarop heeft hij haar bij haar mond gepakt en is verdachte door aangeefster in zijn gezicht gekrabd. Doordat aangeefster bleef schreeuwen, heeft verdachte haar een klap in haar gezicht gegeven en twee á drie minuten vastgehouden, om haar vervolgens te laten gaan. Daarna is verdachte weggevlucht. Hij was compleet in paniek. Tijdens zijn vlucht heeft verdachte een oude fiets gestolen waarop hij naar België is gereden. Verdachte heeft toen geen telefonisch contact gelegd met de personen die hem zouden ophalen. Hij heeft daar niet aan gedacht omdat hij zo in paniek was en ook omdat hij geen mobiele telefoon had. Verdachte heeft verklaard die dag geen trainingspak te hebben gedragen.

4. Beoordeling door de rechtbank

Direct na de aangifte zijn op een bij aangeefster gemaakt vaginaal uitstrijkje en in het kruis van haar onderbroek spermasporen aangetroffen. Het DNA-profiel hiervan matcht met het DNA-profiel van verdachte. Gelet op deze match en gelet op de hierboven samengevatte verklaringen van zowel aangeefster als verdachte , stelt de rechtbank vast dat verdachte op 3 september 1998 in Arnhem bij het lichaam van verdachte seksueel is binnengedrongen door zijn penis in haar vagina te brengen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte aangeefster door geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van deze seksuele handelingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De verklaringen van aangeefster zijn gedetailleerd, coherent en consistent en vinden op cruciale punten steun in andere bewijsmiddelen.

Zo is bij aangeefster het volgende letsel geconstateerd: blauwe verkleuringen aan de rechter bovenarm en binnenzijde rechterbeen, blauwe verkleuring rondom linkeroog met een klein huiddefect aan de zijkant van de linker oogkas, blauwe verkleuring voorhoofd links vanuit het midden tot aan de oorschelp, blauwe verkleuring linker schouderblad met daarbij een huiddefect ter hoogte van het linker schouderblad, rode streepvormige verkleuringen in de hals, meerdere kleine huiddefecten in het gelaat, bloedsporen verspreid over het lichaam. Dergelijk letsel past bij de verklaring van aangeefster dat zij meerdere keren in haar gezicht en op haar hoofd is geslagen, haar mond is gesnoerd en haar keel hard is dichtgeknepen.

De verklaring van aangeefster vindt daarnaast steun in het aantreffen op de plaats delict van een kapot getrokken plastic tas. Aangeefster heeft verklaard dat de dader een stuk van een plastic tas heeft afgescheurd om haar de mond te snoeren.

Ook ondersteunen andere bewijsmiddelen de door aangeefster gegeven lezing van de gebeurtenissen, in het bijzonder haar verklaringen over de ontmoeting tussen haar en de dader op station Arnhem CS. Aan de andere kant weerleggen deze andere bewijsmiddelen juist de verklaring van verdachte dat hij met vriend met de auto naar Arnhem was gekomen en niet op het perron van het station is geweest, en voorts dat hij die dag geen trainingspak droeg en nog niet beschikte over een mobiele telefoon.

Aangeefster heeft de dader op een aan haar getoonde print van een video-opname van de stationshal in Arnhem herkend als de man die haar heeft verkracht. Prints van video-opnames op Utrecht CS laten zien dat deze man - gekleed in een trainingspak - om 23:37 uur op perron 12 van het station loopt. Vanaf dat perron vertrok om 00:06 uur een trein naar Arnhem. Aangeefster zat in deze trein. De trein kwam om 00:51 uur aan in Arnhem. Op een print van video-opnames op Arnhem CS is te zien dat voornoemde man om 00:54 uur telefonerend op het perron staat. Vervolgens is te zien dat deze man samen met aangeefster door de stationshal loopt en dat zij samen deze hal verlaten in de richting van het Willemsplein. Op de plaats delict zijn voorts verschillende treinkaartjes met datum 2 september 1998 aangetroffen , die niet van aangeefster afkomstig waren omdat zij met een Ov-jaarkaart reisde . En tot slot: Getuige [getuige], die als storingsmonteur op het perron aanwezig was toen de laatste trein uit Utrecht het station van Arnhem was binnengereden, zag in een coupé een man, gekleed in een trainingspak, slapen en wekte hem door op het raam te tikken. Deze man kwam naar buiten en sprak de getuige in gebrekkig Engels aan. Terwijl de getuige met de man in gesprek was kwam een meisje aanlopen die vertelde dat zij naar Driebergen moest. De man met trainingspak pakte daarop een mobiele telefoon en voerde een gesprek.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor enige twijfel over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de aangifte. De rechtbank neemt in haar oordeelsvorming de verklaringen van aangeefster daarom tot uitgangspunt. Dit leidt tot het oordeel dat geen sprake was van vrijwillige seks maar dat aangeefster daarentegen juist zodanig is bedreigd en mishandeld door verdachte dat zij uit angst geen weerstand meer kon bieden aan verdachte. Zij heeft de seksuele handelingen zonder meer gedwongen ondergaan. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte aangeefster heeft verkracht.

5. Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 3 september 1998 te Arnhem, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten zijn, verdachtes, penis brengen in haar vagina en met zijn, verdachtes, handen betasten van haar borsten en billen en zoenen van haar mond, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin hebben bestaan dat verdachte telkens opzettelijk die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd heeft gestompt en geslagen en tegen de grond heeft gedrukt en gedrukt gehouden en met een plastic tas en een mouw van een trainingsjack getracht heeft haar mond te snoeren en dreigend de woorden "dat hij haar straks dood ging maken heeft toegevoegd en dreigend de woorden "dat hij haar keel af zou snijden met zijn mes", heeft toegevoegd en daarbij een voorwerp tegen haar keel heeft gehouden en met zijn, verdachtes, handen haar keel heeft dicht gedrukt en haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 maart 2012;

• een consultbrief van het N.I.F.P., gedateerd 23 januari 2012;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland adviesunit Arnhem-Nijmegen, gedateerd 15 maart 2012;

• de ter terechtzitting van 9 april 2012 voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer brute verkrachting waarbij hij bijzonder grof geweld heeft gebruikt. Door dit geweld en de door verdachte geuite doodsbedreigingen, heeft aangeefster gevreesd voor haar leven. Zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het slachtoffer is op ernstige en indringende wijze door verdachte aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat gedragingen zoals door verdachte gepleegd een enorme impact hebben op slachtoffers en in veel gevallen tot psychisch letsel leiden waar de slachtoffers nog jarenlang last van hebben. Dit wordt ondubbelzinnig bevestigd in de schriftelijke slachtofferverklaring. Daaruit blijkt dat de gewelddadige verkrachting voor het slachtoffer bijzonder ernstige en traumatische gevolgen heeft gehad en diep heeft ingegrepen in haar leven. Dat doet het nog steeds. Het slachtoffer heeft te kennen gegeven ruim 13 jaar na dato nog altijd te kampen met gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid in het dagelijks leven.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Voor de afdoening van de onderhavige zaak komt dan ook geen andere straf in aanmerking dan een gevangenisstraf van langere duur. De rechtbank zal verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordelen.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering worden gebracht.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is door mr. D.W. Jansen ter terechtzitting de vordering mondeling gewijzigd en is een bedrag van € 10.222,00 gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat op de materiële schade niet veel af te dingen valt en dat aan het oordeel van de rechtbank wordt gerefereerd voor wat betreft het toekennen van immateriële schade indien een veroordeling volgt.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering tot een bedrag van € 222,00 aan materiële schade toewij¬zen, nu de omvang van deze schade op basis van de overgelegde stukken voldoende is onderbouwd en aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank acht voorts voldoende bewezen dat door hetgeen aangeefster is aangedaan, zij immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet vaststellen wat de exacte omvang is van de geleden immateriële schade. De rechtbank is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 10.000,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag bij wijze van voorschot zal toewijzen aan het slachtoffer.

De rechtbank zal tevens de wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 september 1998.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen en dus verdachte de verplichting opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

8a. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 10.222,00 (zegge tienduizend tweehonderdtweeëntwintig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 1998.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 10.222,00, subsidiair 86 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 10.222,00 (zegge: tienduizend tweehonderdtweeëntwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 1998, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 86 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mr. J. Barrau als voorzitter, mr. D.R. Sonneveldt en mr. R.M. Maanicus, rechters, in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2012.