Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2925

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
227478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De woonbootbewoners zijn bij vonnis van 5 oktober 2011 van de rechtbank Arnhem - kort gezegd- veroordeeld hun ligplaats in de haven en de daaromheen gelegen gronden te ontruimen en om die gronden in de oorspronkelijke staat te herstellen. In dit kort geding vorderen de woonbootbewoners schorsing van de executie van dat vonnis. Volgens de woonbootbewoners berust dat vonnis op een kennelijke juridische misslag, daaruit bestaande dat onduidelijk is wat bedoeld wordt met herstel in de oorspronkelijke staat. Dat standpunt wordt verworpen. Aangenomen moet worden dat de rechter die het vonnis van 5 oktober 2011 heeft gewezen zich rekenschap heeft gegeven van de implicaties van deze veroordeling, nu op dat punt verweer is gevoerd in die procedure. Dat brengt mee dat in dit executie kort geding, dat in verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet mag ontaarden in een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van 5 oktober 2011, geen plaats is voor een nieuwe juridische discussie hierover. Daarbij lijkt in redelijkheid ook niet getwijfeld te kunnen worden aan de betekenis van deze veroordeling tot herstel in de oorspronkelijke staat. Ook van nieuwe omstandigheden waarmee in het vonnis van 5 oktober 2011 geen rekening kon worden gehouden, is geen sprake. Van een concrete toezegging van de gemeente Arnhem dat zij zal zorgen voor alternatieve ligplaatsen op 1 juli 2012, is niet gebleken. Verder is het fluctueren van de waterstand in de haven en de aanwezigheid van een 'drempel' aldaar geen nieuw gegeven. Voorts hebben de woonbootbewoners niet aangetoond dat Phanos het vonnis voor een ander doel wil gebruiken dan waarvoor het is gewezen. Voor een oordeel over hetgeen de rechter in het vonnis van 5 oktober 2011 met betrekking tot een belangenafweging heeft overwogen is geen plaats. Dit kort geding mag immers niet verworden tot een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van 5 oktober 2011.

De voorzieningenrechter mag daarom niet treden in het oordeel van de bodemrechter dat het woonbelang van de woonbootbewoners niet zwaarder weegt dat het eigenaarsbelang van Phanos. Dat leidt ertoe dat in dit kort geding de woonbootbewoners onvoldoende hebben aangevoerd om te kunnen komen tot het vergaande oordeel dat Phanos geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis

van 5 oktober 2011, ook al kan Phanos op dit moment haar plannen met de gronden niet verwezenlijken. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van de woonbootbewoners worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 227478 / KG ZA 12-147

Vonnis in kort geding van 19 april 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. D.H. Woelinga te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHANOS NEDERRIJN B.V.,

gevestigd te Houten,

gedaagde,

advocaat mr. B.J.M. van Meer te Arnhem.

Partijen zullen hierna de woonbootbewoners en Phanos genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de woonbootbewoners

- de pleitnota van Phanos.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Phanos is sinds 2006 eigenaar van de [haven] en daaromheen gelegen gronden in het gebied [naam gebied] te Arnhem.

2.2. Vanaf 1978 hebben de woonbootbewoners en ook anderen met woonboten ligplaatsen ingenomen in de [haven].

2.3. De woonbootbewoners zijn bij vonnis van 5 oktober 2011 van de rechtbank Arnhem – kort gezegd – veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis hun ligplaats in de [haven] en de daaromheen gelegen gronden te ontruimen en ontruimd te houden, inhoudende dat de ligplaats en de daaromheen gelegen gronden leeg en ontruimd met al het hunne en al de hunnen, in oorspronkelijke staat hersteld is en de ligplaats en de daaromheen gelegen gronden ontruimd en verlaten wordt gehouden, zulks op straffe van een dwangsom en met machtiging voor Phanos om de ontruiming en de herstelwerkzaamheden desgewenst zelf te doen bewerkstelligen op kosten van de woonbootbewoners, al dan niet met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4. In het vonnis van 5 oktober 2011 is onder meer overwogen:

‘4.1. De gedaagden voeren ten verwere aan dat Phanos niet hen maar de gemeente in rechte had behoren aan te spreken, dat sprake is van een niet door Phanos opgezegde stilzwijgende bruikleenovereenkomst om niet en dat Phanos onvoldoende belang heeft bij ontruiming.

4.2. Het eerstbedoelde verweer kan niet slagen. De door de gemeente verleende ligplaatsvergunningen leveren geen beperking op van het eigendomsrecht van Phanos. Nu Phanos de vrije beschikking over haar eigendom wenst te verkrijgen spreekt zij terecht degenen aan die volgens haar inbreuk op dat recht maken.

4.3. Of er met betrekking tot de ligplaatsen van de woonboten in de [haven] sprake is van stilzwijgende bruikleenovereenkomsten om niet, kan in het midden blijven omdat voor zover het bestaan van zodanige overeenkomsten al moet worden aangenomen, de brief van 29 december 2009 van Phanos aan gedaagden, waarin Phanos onder meer schrijft dat zij over haar eigendom wenst te kunnen beschikken, als een opzegging heeft te gelden.

4.4. Voor afweging van de belangen van degenen die de eigendom van een ander zonder recht of titel gebruiken en de belangen van de eigenaar is geen plaats. Anders dan gedaagden menen weegt het woonbelang van de bewoners in de onderhavige zaak niet zwaarder dan het eigenaarbelang van Phanos. De verwijzing naar het arrest van het Amsterdamse hof van 8 november 2007 kan gedaagde niet helpen omdat het in de in dat arrest aan de orde zijnde zaak, anders dan in de onderhavige, om een huurovereenkomst gaat. Indien gedaagden voorts beogen aan te voeren dat Phanos haar bevoegdheid om ontruiming te vorderen misbruikt, is van belang dat Phanos onvoldoende weersproken stelt dat zij met betrekking tot de haven en omliggende gronden plannen heeft voor onder meer de aanleg van een parkeerplaats en een evenemententerrein en voor de bouw van bedrijfs- en opslaghallen en dat zij voor verwezenlijking van die plannen op 7 januari 2011, omgevingsvergunningen heeft aangevraagd. Van de vordering tot ontruiming bestaan daarom goede gronden.’

2.5. De woonbootbewoners zijn op 3 januari 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 oktober 2011. Die procedure loopt nog.

2.6. Het vonnis van 5 oktober 2011 is op 9 maart 2012 aan de woonbootbewoners betekend, met sommatie om aan het vonnis te voldoen.

3. Het geschil

3.1. De woonbootbewoners vorderen – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Phanos in de proceskosten, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 oktober 2011 en Phanos te gelasten de executie te staken tot 14 dagen na de uitspraak in het hoger beroep, althans tot het moment waarop de woonbootbewoners alternatieve ligplaatsen aangeboden hebben gekregen van de gemeente Arnhem en de woonbootbewoners met hun woonboten de [haven], gelet op de dan geldende waterstand, ook daadwerkelijk zullen kunnen hebben verlaten.

3.2. Phanos voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Als eerste verweer heeft Phanos ten aanzien van een aantal eisers aangevoerd dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat zij inmiddels elders wonen en daarom geen belang meer hebben bij de vorderingen. Dat verweer slaagt niet. Ook als eisers inmiddels elders wonen en zelfs als zij hun woonboot hebben verkocht, kunnen zij belang hebben bij het onderhavige kort geding. Het gaat immers om schorsing van het vonnis

van 5 oktober 2011. Niet in geschil is dat ook de eisers die inmiddels zijn vertrokken bij vonnis van 5 oktober 2011 (onder meer) veroordeeld zijn tot verwijdering van de woonboten. Vast staat dat in ieder geval de woonboten nog in de [haven] liggen, in zoverre hebben zij dus nog niet voldaan aan het vonnis van 5 oktober 2011 en kan dat vonnis (op onderdelen) ook nog tegen hen werken, waardoor ook zij belang kunnen hebben bij dit kort geding tot schorsing van dat vonnis.

4.2. Het spoedeisend belang bij de vorderingen is met de aard van dit kort geding gegeven. Het gaat hier immers om een executiegeschil. De vorderingen zullen daarom hierna verder inhoudelijk worden beoordeeld.

4.3. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen indien hij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad

– geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4. Volgens de woonbootbewoners berust het vonnis van 5 oktober 2011 op een kennelijke juridische misslag, daaruit bestaande dat het volstrekt onduidelijk is wat bedoeld wordt met het herstel van de gronden in de oorspronkelijke staat. Dat standpunt wordt verworpen. Aangenomen moet worden dat de bodemrechter die het vonnis van 5 oktober 2011 heeft gewezen zich rekenschap heeft gegeven van de implicaties van de veroordeling tot herstel in de oorspronkelijke staat en dat van een kennelijke misslag derhalve geen sprake is, nu uit de overgelegde stukken blijkt dat in de bodemprocedure tegen die bij inleidende dagvaarding van 18 oktober 2010 ingestelde subvordering bij conclusie van antwoord van 23 maart 2011 verweer is gevoerd en dit punt voorts aan de orde is gekomen tijdens de comparitie op 13 september 2011. Dat brengt met zich mee dat in dit executie kort geding, dat in verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet mag ontaarden in een verkapt hoger beroep, geen plaats is voor een nieuwe juridische discussie op dit punt.

Dat debat zal dan ook gevoerd moeten worden in de appel procedure tegen het vonnis

van 5 oktober 2011. Daarbij lijkt in redelijkheid niet getwijfeld te kunnen worden aan de betekenis van de veroordeling tot herstel in de oorspronkelijke staat, omdat het voor de hand ligt dat de veroordeling inhoudt, zoals Phanos heeft verklaard, dat de woonbootbewoners de woonboten uit de haven moeten verwijderen en verder alle opstallen, caravans, boten, gastanks en dergelijke van de omliggende gronden, evenals al het afval.

4.5. Voor hun vorderingen voeren de woonbootbewoners verder aan dat er sprake is van nieuwe omstandigheden, waarmee in het vonnis van 5 oktober 2011 geen rekening kon worden gehouden. In dat kader stellen zij dat wethouder [.....] van de gemeente Arnhem de woonbootbewoners heeft toegezegd dat zij op 1 juli 2012 met alternatieve locaties voor de woonboten zal komen. De woonbootbewoners wijzen daarvoor naar het verslag van de informatieve vergadering van 31 oktober 2011 (inspreken voor burgers & rondvraag raads-/commissieleden), waarin staat:

‘Toezeggingen

Wethouder [.....] meldt dat het college besloten heeft, conform mogelijke interpretaties van de onderliggende stukken, in de zomer van 2012 ligplaatsen beschikbaar te stellen voor de 14 woonboten die in de [haven] liggen’.

4.6. In het vorenstaande kan op zichzelf echter geen concrete toezegging gelezen worden dat de gemeente ervoor zorgt dat de woonbootbewoners op 1 juli 2012 een andere ligplaats hebben. Ter zitting is dat door de woonbootbewoners ook min of meer erkend. Volgens hen is de toezegging wel gedaan, maar waakt de gemeente ervoor om dat concreet vast te leggen. Wat uit de overgelegde stukken wel blijkt, is dat het vinden van andere ligplaatsen voor de woonboten een kwestie is waar de gemeente al jaren mee bezig is,

maar zonder dat dat in een concrete oplossing resulteert. Dit alles heeft tot gevolg dat er thans niet vanuit kan worden gegaan dat de gemeente vóór 1 juli 2012 met alternatieve ligplaatsen zal komen voor de woonboten. Hierin kan dus geen argument gevonden worden voor de stelling van de woonbootbewoners dat Phanos misbruik maakt van haar bevoegdheid als zij met de executie van het vonnis van 5 oktober 2011 niet wil wachten tot (kort na) 1 juli 2012.

4.7. Als nieuw feit dat een noodsituatie doet ontstaan aan hun zijde als het vonnis

van 5 oktober 2011 onverwijld ten uitvoer wordt gelegd, doen de woonbootbewoners verder een beroep op de waterstand in de [haven]. Volgens hen moet een bepaald waterpeil zijn bereikt, willen ook de paar woonboten met een diepte van 130 cm, evenals de sleepboten die de woonboten zullen moeten wegslepen die zelf geen motor hebben, over de drempel kunnen varen aan het begin van de haven. Gesteld noch gebleken is echter dat het fluctueren van de waterstand in de haven en de aanwezigheid van een drempel aldaar, nieuwe omstandigheden zijn. Deze aspecten hadden dan ook aan de orde gesteld kunnen en moeten worden in de bodemzaak. In dit kort geding kunnen ze niet als nieuw feit worden opgevoerd.

4.8. Op zichzelf kan overigens wel het standpunt worden ingenomen dat het niet mogelijk is om te voldoen aan het vonnis van 5 oktober 2011. Op grond van art. 611d Rv kan dan bij de rechter die de hoofdveroordeling versterkt met een dwangsom heeft gegeven, gevorderd worden om de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten of om de dwangsom te verminderen. Vooruitlopend daarop kan bij de voorzieningenrechter schorsing van de executie gevorderd worden van het vonnis waarin de dwangsom is opgelegd, maar dan zal in ieder geval aannemelijk moeten zijn dat niet voldaan kan worden aan (een deel van) de hoofdveroordeling. Hier is dat onvoldoende duidelijk geworden. Tegenover de betwisting van Phanos hebben de woonbootbewoners de diepgang van de woonboten en de in te zetten sleepboten op geen enkele manier onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken met concrete gegevens aannemelijk gemaakt. Datzelfde geldt ook voor de hoogte van de ‘drempel’ bij de haveningang. Op deze grond is dus voor schorsing van de executie geen plaats.

4.9. De woonbootbewoners stellen voorts dat Phanos het vonnis van 5 oktober 2011 voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is gewezen. Volgens de woonbootbewoners gaat het Phanos namelijk niet zozeer om het vertrek van de woonboten, maar gebruikt zij het vonnis als pressiemiddel, om de gemeente ertoe te bewegen een bestemming aan de onderhavige gronden te geven die passen bij de exploitatiewensen van Phanos.

De woonbootbewoners hebben tegenover de betwisting van Phanos echter geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Ook niet de (geluid)band waarop zij een beroep doen,

op welke band te horen zou zijn dat de directeur van Phanos op de inspraakavond

van 12 maart 2012 zegt dat hij tot ontruiming van de woonboten zal overgaan als de gemeenteraad de Gebiedsvisie [naam gebied] aanneemt, in welk plan een bestemming aan de onderhavige gronden gegeven wordt die niet strookt met de wensen van Phanos. Ook in dit opzicht is dus niet voldoende aangetoond dat Phanos misbruik maakt van haar bevoegdheid als zij het vonnis van 5 oktober 2011 ten uitvoer legt.

4.10. Dan nemen de woonbootbewoners nog het standpunt in dat executie van het vonnis op dit moment onevenredige gevolgen heeft voor hen omdat zij op dit moment nergens heen kunnen met de boten, terwijl Phanos, ook als de woonboten weg zijn, nog niets met de haven en de omliggende gronden kan aanvangen.

4.11. Vooropgesteld wordt dat in dit kort geding geen plaats is voor een oordeel over hetgeen de bodemrechter heeft overwogen met betrekking tot een belangenafweging.

Het betreft hier immers een executiegeschil en dat mag, zoals gezegd, niet ontaarden in een verkapt hoger beroep. De voorzieningenrechter kan daarom niet treden in het oordeel van de bodemrechter dat het woonbelang niet zwaarder weegt dan het eigenaarsbelang van Phanos. Nu daarbij bedacht moet worden dat ook destijds een alternatieve locatie voor de woonboten niet voor handen was en Phanos ook toen haar plannen met de gronden niet aanstonds kon uitvoeren omdat daarvoor een (gewijzigd) bestemmingplan nodig is, hebben de woonbootbewoners dan ook onvoldoende aangevoerd voor een zo vergaand oordeel dat Phanos geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 oktober 2011. Dat geldt te meer omdat de woonbootbewoners onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken dat Phanos diverse vergunningen heeft aangevraagd die maken dat als het terrein de door Phanos gewenste bestemming krijgt, zij haar beoogde (bouw)activiteiten kan gaan ontplooien en gesteld noch gebleken is dat er niet op relatief korte termijn zicht is op het toekennen door de gemeente van een bestemming aan het onderhavige gebied. Verder heeft Phanos verklaard dat ook als het gebied een andere bestemming krijgt dan die welke zij voor ogen heeft, zij het terrein zal gaan exploiteren. Zij zal haar plannen dan aanpassen aan de bestemming van het terrein.

4.12. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van de woonbootbewoners afgewezen zullen worden en dat zij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zullen worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Phanos worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt de woonbootbewoners in de proceskosten, aan de zijde van Phanos tot op heden begroot op € 1.391,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken

op 19 april 2012.

Coll: MJD