Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2448

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
219466
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7907, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging maatschap.

Bewijsopdracht.

De rechtbank draagt eiseres in conventie op te bewijzen dat zij en gedaagde in conventie hebben bedoeld in de maatschapsakte 1998 dezelfde waarderingsgrondslagen voor het geval van opzegging door de ene en voortzetting door de andere maat op te nemen als opgenomen waren in artikel 11 van de maatschapsakte 1996.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 219466 / HA ZA 11-1209

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[eiseres]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar,

tegen

[gedaagde]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.H. van Vliet te Wageningen.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 oktober 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie

- de akte vermeerdering van eis tevens verzoek om een voorlopige voorziening van [eiseres in conventie]

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2012 waaruit onder meer blijkt van de vermindering van eis in reconventie.

1.2. De datum voor vonnis is enige tijd uitgesteld in verband met onderhandelingen tussen partijen, in het bijzonder naar aanleiding van de incidentele vordering. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen en hun vader is op 28 juni 1996 een overeenkomst gesloten; daarvan is een notariële akte (hierna aangeduid als de maatschapsakte 1996) opgemaakt. Deze bevat in artikel 10 een regeling voor het einde van de maatschap, waarin onder meer de opzegging tegen het einde van het boekjaar voorkomt, en in artikel 11 een regeling voor vaststelling van de overnamesom. Dit artikel luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

1. Wanneer de maatschap eindigt wordt naast de balans, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 volgens de tot dat tijdstip bij de maatschap gebruikelijke richtlijnen wordt opgemaakt, een tweede balans opgemaakt waarop de activa en passiva worden opgevoerd naar hun in lid 2 van dit artikel bedoelde waarde.

2. De voor de tweede balans te verrichten waarderingen zullen door de vennoten (…) in onderling overleg geschieden.

Als grondslag voor de waardering gelden:

- de verpachte waarde voor de gronden;

- de vrije agrarische verkeerswaarde voor de bedrijfsgebouwen met inachtneming van voortgezet eigen gebruik;

- de boekwaarde voor roerende goederen;

- de waarde voor de vermogensbelasting voor het vee;

- de waarde in bewoonde staat voor het woonhuis;

- de boekwaarde voor de rechten op produktiequota.

Geen waarde wordt toegekend aan om niet verkregen produktiequota en evenmin aan afgeschreven productiequota.

3. De stille reserves ontstaan vanaf de aanvangsdatum van de maatschap (…).

4. De voortzettende vennoot is verplicht aan de uittredende vennoot (…) uit te keren diens kapitaal volgens de balans opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vermeerderd of verminderd met diens aandeel in de positieve of negatieve stille reserves, berekend overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel.

5. Is het saldo van de uittredende vennoot negatief (…).

6. Wanneer de vennoten binnen een maand niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de waarderingen bedoeld in lid 2 (…).

2.2. Artikel 12 van de maatschapsakte 1996 gaat over de uitkering bij voortzetting, artikel 13 over de verrekening van meerwaarde.

2.3. Partijen hebben met elkaar een overeenkomst van maatschap gesloten. De desbetreffende notariële maatschapsakte van 1 september 1998 (hierna aan te duiden als de maatschapsakte 1998) houdt in dat zij tot en met 31 december 1997 met hun vader in maatschapsverband een agrarische onderneming hebben geëxploiteerd en dat hun vader per 31 december 1997 uit de maatschap is getreden waarop deze maatschap is ontbonden. [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie], zo vervolgt de maatschapsakte 1998, hebben het bedrijf in maatschapsverband voortgezet en verklaren in de maatschapsakte 1998 dat deze is aangegaan onder de in de maatschapsakte 1998 opgenomen bepalingen en bedingen.

2.4. De maatschapsakte 1998 bevat in artikel 10 een regeling voor het einde van de maatschap, waarin onder meer de opzegging tegen het einde van het boekjaar voorkomt, en in artikel 11 een regeling voor ‘vaststelling overnamesom.’ Dit artikel luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

1. Wanneer de maatschap eindigt wordt naast de balans (…) een tweede balans opgemaakt waarop de activa en passiva worden opgevoerd naar hun in lid 2 van dit artikel bedoelde waarde.

2. De voor de tweede balans te verrichten waarderingen zullen door de vennoten of hun vertegenwoordiger(s) of rechtverkrijgenden in onderling overleg geschieden. Als grondslag voor de waardering gelden:

- de getaxeerde vrije verkoopwaarde voor de gronden;

- de vrije agrarische verkeerswaarde voor de bedrijfsgebouwen met inachtneming van voortgezet eigen gebruik;

- de boekwaarde voor roerende zaken;

- de waarde voor de vermogensbelasting voor het vee;

- de waarde in vrije staat voor het woonhuis;

- de boekwaarde voor (…) heffingvrije melk (469.906 kg) en de marktwaarde voor het aantal kilogrammen heffingsvrije melk boven voormeld aantal kilogrammen.

Geen waarde wordt toegekend aan om niet verkregen produktiequota.

3. De stille reserves ontstaan vanaf de aanvangsdatum van de maatschap komen uitsluitend toe aan vennoot A en vennote B gezamenlijk, waarin zij ieder voor vijftig procent (50%) zijn gerechtigd. De tijdens de maatschap op de investeringen te genieten investeringsfaciliteiten (…).

4. De voortzettende vennoot is verplicht aan de uittredende vennoot (…) uit te keren diens kapitaal volgens de balans opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vermeerderd of verminderd met diens aandeel in de positieve of negatieve stille reserves, berekend overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel.

5. Is het saldo van de uittredende vennoot negatief (…).

6. Wanneer de vennoten binnen een maand niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de waarderingen bedoeld in lid 2 (…).

2.5. Artikel 12 van de maatschapsakte 1998 gaat over de uitkering bij voortzetting, artikel 13 over de verrekening van meerwaarde.

2.6. [eiseres in conventie] heeft de maatschap per 31 december 2011 opgezegd en deze opzegging is aanvaard door [gedaagde in conventie]. Tevens bestaat er tussen partijen overeenstemming dat [eiseres in conventie] het bedrijf zal voortzetten.

3. Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

3.1. [eiseres in conventie] vordert kort samengevat

1. een verklaring voor recht

- dat zij bij brief van 30 juni 2011 de maatschap rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 augustus 2011 op grond van artikel 10 lid 1 sub b van de maatschapsakte 1998 onder gebruikmaking van haar recht van voortzetting als bedoeld in artikel 10 lid 2 van die akte,

- dat de peildatum voor vaststelling van de overnamesom in gevolge de op 1 augustus 2011 van kracht geworden beëindiging 1 augustus 2011 is,

- dat bij vaststelling van de overnamesom de waarderingsgrondslagen worden toegepast als beschreven in artikel 11 van de maatschapsakte 1996,

- dat de overnamesom conform artikel 11 lid 4 van de maatschapsakte 1998 in elf jaarlijkse termijnen moet worden voldaan,

2. veroordeling van [gedaagde in conventie]

- om mee te werken aan de toedeling aan [eiseres in conventie] en/of overname door haar van de goederen die de maten gezamenlijk toebehoren en van de goederen die in gebruik en genot of in economische eigendom zijn ingebracht, een en ander conform artikel 10 lid 3 van de maatschapsakte 1998 en om daartoe de nodige handelingen te verrichten zoals beschreven in artikel 10 lid 4 maatschapsakte 1998,

- tot betaling van de in artikel 10 lid 5 maatschapsakte 1998 beschreven boete van € 45.378,00 ineens en een boete van € 453,78 per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt indien [gedaagde in conventie] in strijd handelt met genoemd artikel na schriftelijk te zijn gemaand tot medewerking,

- tot medewerking aan het opstellen van de balansen per datum waarop de maatschap eindigt zoals bedoeld in artikel 11 van de maatschapsakte 1998 waarbij binnen het resultaat tot die datum alles wordt verrekend dat verband houdt met het eindigen van de maatschap behoudens de kosten van de eigen adviseurs, op verbeurte van een dwandsom,

3. – na vermeerdering van de eis – veroordeling tot ontruiming en vergoeding van woongenot indien en voor zover deze niet bij provisioneel vonnis wordt bevolen (zie hierna onder 4.1),

4. een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde in conventie] vordert, kort samengevat, na vermindering van de eis, een verklaring voor recht dat [eiseres in conventie] de zaken van de maatschap dient over te nemen tegen de waarde naar de maatstaven zoals bepaald in artikel 11 lid 2 van de maatschapsakte 1998, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. [eiseres in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4. Het geschil en de beoordeling in het incident

4.1. [eiseres in conventie] vordert samengevat dat de rechter – kennelijk: voor de duur van deze procedure – een voorlopige voorziening zal treffen inhoudend dat [gedaagde in conventie] de bedrijfswoning [adres] met de zijne ontruimt en ontruimd zal houden op verbeurte van een dwangsom en voorts inhoudend een veroordeling van [gedaagde in conventie] om ingaande 1 januari 2012 aan [eiseres in conventie] een vergoeding voor het woongenot te betalen met een aandeel voor de kosten van nutsvoorzieningen, zakelijke lasten en verzekeringspremie.

4.2. [gedaagde in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.3. [eiseres in conventie] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt.

4.4. Partijen zijn het erover eens dat [eiseres in conventie] het bedrijf zal voortzetten. Toewijzing van (een deel van) de provisionele vordering zou echter naar het oordeel van de rechtbank betekenen dat [gedaagde in conventie] terwijl de financiële situatie waarin hij na vereffening van de maatschap komt te verkeren nog ongewis is, wordt gedwongen een nieuwe woning voor zijn gezin te zoeken. Dit op zichzelf maakt al dat een belangenafweging tot afwijzing van de provisionele vordering moet leiden.

4.5. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de kosten van het incident gecompenseerd worden.

5. De beoordeling in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

5.1. Wat het eerste deel van de vordering in conventie betreft, de gevorderde verklaringen voor recht, betekent de inmiddels ontstane situatie het volgende.

De verklaring voor recht dat [eiseres in conventie] bij brief van 30 juni 2011 de maatschap rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 augustus 2011 kan niet worden gegeven nu vaststaat dat opzegging heeft plaatsgevonden tegen 31 december 2011. Vast staat tevens dat [eiseres in conventie] het bedrijf zal voortzetten. De peildatum voor vaststelling van de overnamesom zal in beginsel niet gesteld kunnen worden op 1 augustus 2011, maar zal, aansluitend bij wat vaststaat, op 31 december 2011 gesteld moeten worden.

5.2. Vervolgens vordert [eiseres in conventie] dat een verklaring voor recht wordt gegeven dat bij vaststelling van de overnamesom de waarderingsgrondslagen worden toegepast als beschreven in artikel 11 van de maatschapsakte 1996 en daarop spitst het geschil zich toe.

5.3. De maatschapsakte die tussen partijen geldt, is die van 1998. Deze verwijst niet naar de eerdere akte anders dan waar wordt aangegeven dat er tussen partijen en hun vader tot ultimo 1997 een maatschap heeft bestaan. Deze is ontbonden, zo vermeldt de maatschapsakte 1998 uitdrukkelijk, en de maatschap tussen [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] is vervolgens aangegaan onder de akte van 1998 (zie hierboven onder 2.3).

5.4. Anders dan [eiseres in conventie] betoogt is het niet logisch dat de maatschapsakte 1998 de waarderingsmaatstaf van de akte uit 1996 toegepast zou willen zien. Zoals [eiseres in conventie] terecht opmerkt is in de maatschapsakte 1996 voor de waarderingsmaatstaven in artikel 11 kennelijk rekening gehouden met de voortzettingsmogelijkheden voor de kinderen, [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie]. Haar stelling dat in 1998 min of meer een standaardcontract is overgenomen, strandt al direct op het verschil dat nu juist in artikel 11 voorkomt bij de vaststelling van de waarderingsmaatstaven. Naar de tekst geoordeeld is het waarschijnlijk dat de notaris maatwerk heeft willen leveren dat zo nauw mogelijk aansluit bij de maatschapsakte 1996. De rechtbank gaat hier onder 5.8 nader op in.

5.5. De stellingen van [eiseres in conventie] houden voorts in dat het voor de hand ligt dat bedoeld is dezelfde waarderingsmethode als in 1996 is gebruikt, ook te laten gelden in de maatschapsakte 1998 omdat daarbij de continuïteit van het bedrijf centraal staat. Dit zou volgens haar overeenkomstig de wens van partijen zijn. Vooralsnog staat dit niet vast en het is dan ook aan [eiseres in conventie] om overeenkomstig de hoofdregel van bewijsrecht de juistheid van deze stelling, waarop zij haar vordering grondt, te bewijzen.

5.6. Als [eiseres in conventie] in haar bewijs slaagt, zal de waardering met inachtneming van de desbetreffende regels van artikel 11 van de maatschapsakte 1996 moeten plaatsvinden.

5.7. Als zij niet in haar bewijs slaagt, komt haar beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid aan de orde. Deze zouden meebrengen dat, gelet op de eis van continuïteit van het bedrijf, de waarderingsmaatstaf uit de maatschapsakte 1996 moet worden gehanteerd; dit betoog van [eiseres in conventie] hangt samen met het onder 5.4 bedoelde. De rechtbank verwerpt dit betoog om de volgende redenen.

5.8. De verhouding tussen vader en kinderen, zoals speelde bij het opstellen van de maatschapsakte 1996, is, ook wanneer het om een agrarisch bedrijf gaat, een geheel andere dan die tussen broer en zus. Bij de maatschap met vader immers is de voor de hand liggende beëindigingsgrond het uittreden van vader op grond van zijn leeftijd gevolgd door voortzetting door een of meer van de kinderen. Tussen broer en zus ligt meer voor de hand dat beëindiging van de maatschap en voortzetting door de één betekent dat de ander een nieuw bestaan moet opbouwen. Het gemeenschappelijke belang van voortzetting door een volgende generatie zal daarbij geheel of ten dele moeten wijken voor het belang van de niet voortzettende partij die simpelweg geld nodig heeft dat in het bedrijf zit. Dat dit hier het geval is, is het standpunt van [gedaagde in conventie].

5.9. Het beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid houdt voorts in dat [gedaagde in conventie] het in redelijkheid niet tot liquidatie van het bedrijf mag laten komen als hij daardoor niet een significant hoger bedrag ontvangt dan de door [eiseres in conventie] aangeboden overnamesom. De beoordeling van dit beroep is zozeer afhankelijk van en verweven met de uitkomst van de bewijslevering en berekeningen die in het kader van de procedure nog niet vaststaan, dat de rechtbank hierover nog niet kan oordelen.

5.10. Slaagt [eiseres in conventie] niet in haar bewijsopdracht, dan komt ook haar beroep op dwaling aan de orde. De vraag of zij heeft gedwaald bij het tot stand komen van de maatschapsovereenkomst in 1998 valt in twee delen uiteen.

5.11. In de eerste plaats bedoelt [eiseres in conventie] kennelijk de vraag voor te leggen of zij er in 1998 niet van uit gegaan is dat de waarderingsmaatstaven uit de maatschapsakte 1996 zouden gelden. Deze vraag verliest echter door de bewijslevering zijn belang. De bewijsopdracht stelt immers aan de orde wat partijen zijn overeengekomen op dit punt. Wordt niet geoordeeld dat zij de waarderingsmaatstaven uit de maatschapsakte 1996 wilden hanteren, dan staat daarmee vast dat de mogelijk aanwezige, innerlijke wil van [eiseres in conventie] die niet kenbaar was voor [gedaagde in conventie] geen rol speelt.

5.12. De tweede vraag is of [eiseres in conventie] heeft gedwaald ten aanzien van het effect van de waarderingsregeling uit de maatschapsakte 1998. Ook de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank aanhouden tot na de bewijslevering, maar voorshands merkt zij het volgende op. De waarderingsmaatstaven in de maatschapsakte 1998 zijn op zichzelf duidelijk en gesteld noch gebleken is dat de notaris in afwijking van de voor hem geldende regels, niet bij partijen geverifieerd zou hebben of zij van de inhoud van de akte en haar betekenis op de hoogte waren en die begrepen. [eiseres in conventie] moet dus hebben geweten wat de akte naar de letter – dus los van de materie die nu in de bewijsopdracht aan de orde komt – betekende. Daarmee zijn de ontwikkelingen op het gebied van het bedrijf, de persoonlijke situatie van partijen en de markt, omstandigheden die [eiseres in conventie] aanvoert in dit verband, in beginsel omstandigheden die onder het recht van voor 1992 onder de term ‘teleurgestelde toekomstverwachting’ werden samengevat: dat zaken zich anders ontwikkelen dan partijen bij het sluiten van een overeenkomst hopen en verwachten of dan een van partijen hoopt en verwacht, levert nog geen beroep op dwaling op.

5.13. Het voorgaande betekent dat de rechtbank thans het onder 5.5 bedoelde bewijs zal opdragen aan [eiseres in conventie].

5.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Partijen zullen opnieuw hun verhinderdata kunnen opgeven voor de getuigenverhoren omdat het niet praktisch lijkt hen te houden aan de opgave in mr. van de Beetens brief van 19 maart 2012.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incident draagt,

in conventie en in reconventie

6.3. draagt [eiseres in conventie] op te bewijzen dat zij en [gedaagde in conventie] hebben bedoeld in de maatschapsakte 1998 dezelfde waarderingsgrondslagen voor het geval van opzegging door de ene en voortzetting door de andere maat op te nemen als opgenomen waren in artikel 11 van de maatschapsakte 1996,

6.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 april 2012 voor uitlating door [eiseres in conventie] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.5. bepaalt dat [eiseres in conventie], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.6. bepaalt dat [eiseres in conventie], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden mei tot en met juli 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.7. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

6.8. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.