Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2433

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/4090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitschrijving van eisers briefadres uit de gemeentelijke basisadministratie inschrijving eiser van ‘adres onbekend’ naar een inschrijving op een zogeheten puntadres.

Uit de gedingstukken en de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder sinds 10 april 2008 het beleid voert dat bij het ontbreken van een woonadres tijdelijk een briefadres moet worden gekozen. Volgens dit beleid geldt een briefadres in beginsel slechts voor drie maanden, met een verlengingsmogelijkheid tot maximaal één jaar. Indien een betrokkene na de termijn van een jaar nog geen woonadres heeft maar wel in de gemeente verblijft, wordt de inschrijving gewijzigd in een puntadres.

De Rb. is van oordeel dat de Wet GBA geen ruimte biedt voor het door verweerder gevoerde beleid. In art. 66 van de Wet GBA is een verplichting voor een ingezetene opgenomen om bij het ontbreken van een woonadres een briefadres op te geven. Art. 49 van de Wet GBA schept de verplichting voor verweerder om, wanneer een woonadres ontbreekt, een briefadres op te nemen, indien daarvan aangifte wordt gedaan. Een ingezetene moet bij gebrek aan een woonadres dus een briefadres kiezen en verweerder neemt dit briefadres na aangifte op in de gemeentelijke basisadministratie. In deze bepalingen is geen beperking opgenomen voor de tijdsduur van een inschrijving op een briefadres. De overige artikelen van de Wet GBA voorzien hierin evenmin, noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien. De Rb. ziet dan ook geen ruimte voor het door verweerder gevoerde, de Wet GBA beperkende, beleid. Dat verweerder met het beleid beoogt onjuistheden en/of onduidelijkheden in de gemeentelijke basisadministratie te voorkomen maakt dit niet anders. Het voorgaande betekent dat het beleid in strijd is met de Wet GBA.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het in strijd met de wet gevoerde beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/4090 RECTIFICATIE

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Willems, advocaat te Malden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 augustus 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2011 heeft verweerder eisers briefadres [adres] te [woonplaats] per 24 maart 2011 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie en eiser ingeschreven onder ‘adres onbekend’.

Bij het bestreden besluit van 26 augustus 2011 heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd met dien verstande dat de inschrijving van eiser wordt gewijzigd van ‘adres onbekend’ naar een inschrijving op een zogeheten puntadres.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 januari 2012. Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Willems, voornoemd, en door zijn vader [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.A.W. Toren en P.M.H. Severijn, beiden werkzaam voor verweerders gemeente. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Op 30 januari 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA), voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

- woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

- briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

- adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres;

In artikel 49, eerste lid, van de Wet GBA is bepaald dat indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 67 van toepassing is, op aangifte een briefadres wordt opgenomen.

In het eerste lid van artikel 66 van de Wet GBA is voor zover van belang bepaald dat een ingezetene indien hij geen woonadres heeft, een briefadres dient te kiezen.

In artikel 70, tweede lid, van de Wet GBA is bepaald dat in de aangifte van een briefadres de redenen voor de aangifte van een briefadres dienen te worden medegedeeld. Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat degene bij wie het briefadres wordt gehouden, verplicht is om op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desverlangd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisadministratie.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het aanhouden van een briefadres op grond van gemeentelijk beleid slechts mogelijk is gedurende één jaar. De meest verstrekkende grondslag van verweerders besluit is dat het briefadres [adres] niet langer kan worden gehandhaafd, omdat de maximale termijn van een jaar ruimschoots is verstreken. Aanvullend hierop heeft verweerder nog gesteld dat eiser niet heeft gereageerd op een brief van verweerder en aldus geen verklaring heeft verstrekt over de noodzaak een briefadres aan te houden. Ook om deze reden kan het briefadres niet worden verlengd, aldus verweerder. Wel heeft eiser aangetoond in de gemeente [woonplaats] te verblijven, zodat het adres van inschrijving van eiser in de gemeentelijke basisadministratie wordt gewijzigd in een puntadres.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij nimmer afstand heeft gedaan van het briefadres aan de [adres] te [woonplaats], hetgeen ook schriftelijk aan verweerder is bevestigd door de bewoner van het adres. Er is dus geen grond voor uitschrijving van het briefadres. Daarbij stelt eiser dat verweerder op grond van de Wet GBA geen beleidsvrijheid heeft ten aanzien van het gebruik van een briefadres, zodat de door verweerder in het gemeentelijk beleid aangebrachte beperking in strijd is met de wet.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Uit de gedingstukken en de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder sinds 10 april 2008 het beleid voert dat bij het ontbreken van een woonadres tijdelijk een briefadres moet worden gekozen. Volgens dit beleid geldt een briefadres in beginsel slechts voor drie maanden, met een verlengingsmogelijkheid tot maximaal één jaar. Indien een betrokkene na de termijn van een jaar nog geen woonadres heeft maar wel in de gemeente verblijft, wordt de inschrijving gewijzigd in een puntadres.

De rechtbank is van oordeel dat de Wet GBA geen ruimte biedt voor het door verweerder gevoerde beleid. In artikel 66 van de Wet GBA is een verplichting voor een ingezetene opgenomen om bij het ontbreken van een woonadres een briefadres op te geven. Artikel 49 van de Wet GBA schept de verplichting voor verweerder om, wanneer een woonadres ontbreekt, een briefadres op te nemen, indien daarvan aangifte wordt gedaan. Een ingezetene moet bij gebrek aan een woonadres dus een briefadres kiezen en verweerder neemt dit briefadres na aangifte op in de gemeentelijke basisadministratie. In deze bepalingen is geen beperking opgenomen voor de tijdsduur van een inschrijving op een briefadres. De overige artikelen van de Wet GBA voorzien hierin evenmin, noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte voor het door verweerder gevoerde, de Wet GBA beperkende, beleid. Dat verweerder met het beleid beoogt onjuistheden en/of onduidelijkheden in de gemeentelijke basisadministratie te voorkomen maakt dit niet anders. Het voorgaande betekent dat het beleid in strijd is met de Wet GBA.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het in strijd met de wet gevoerde beleid. De rechtbank zal het beroep gelet op vorenstaande gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 22 april 2011 te herroepen, omdat aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar. De rechtbank begroot deze kosten op € 874 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, wegingsfactor 1). De kosten in beroep zijn begroot op € 892,98, waarvan € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand door

mr. Willems en € 8,78 aan reiskosten van [naam]. Laatst genoemde kosten worden op grond de overgelegde stukken en op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten van € 0,19 x 46,2 kilometer. De door eiser gemaakte kosten van een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie € 10,20 komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Deze kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

i. verklaart het beroep gegrond;

ii. vernietigt het bestreden besluit;

iii. herroept het besluit van 22 april 2011;

iv. veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van € 874;

v. veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten van

€ 892,98;

vi. bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

vii. bepaalt voorts dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. W.R.H. Lutjes, voorzitter, H.J. Klein Egelink en

D.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: