Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2325

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
217427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217427 / HA ZA 11-996

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

[eiseressen]

beiden wonende te [woonplaats]

eiseressen in conventie

verweersters in reconventie

advocaat mr. S. Schuurman te Tiel

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

advocaat mr. Ch.G.A. van Rijckevorsel te Nijmegen

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] respectievelijk [gedaagde in conventie] worden genoemd.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 15 februari 2012.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] hebben op 17 maart 2005 van wijlen R.A. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) gekocht de vrijstaande woning met tuin, erf, ondergrond en verdere aan- en toebehoren, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie N nummers 71, 75 en 596 (alle gedeeltelijk). De levering heeft plaatsgevonden op 8 juli 2005. [betrokkene] is toen eigenaar gebleven van het overgrote resterende deel van de genoemde percelen. Na zijn overlijden is zijn echtgenote, [gedaagde in conventie], hem in zijn rechten en verplichtingen opgevolgd.

2.2 Na de levering is tussen partijen, ten behoeve van de kadastrale uitmeting, gesproken over de exacte ligging van de grenzen van het geleverde. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een door [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] bij deze rechtbank onder zaak-/rolnummer 179115/HA ZA 08-2212 aanhangig gemaakte procedure, waarin op 17 augustus 2009 een comparitie van partijen is gehouden. Bij die comparitie zijn partijen ter beëindiging van die procedure onder meer het volgende overeengekomen (hierna: de vaststellingsovereenkomst):

"1. Partijen zijn overeengekomen dat de grens van de door [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] van wijlen [betrokkene] gekochte perceel loopt volgens de heden in het bijzijn van hun advocaten geconstateerde markeringen. Wanneer dat niet met het met de transportakte ingeschreven kaartje overeenstemt, zal voor zover nodig, een transportakte opgemaakt worden om een en ander met elkaar in overeenstemming te brengen of zal dat geschieden op een andere in overleg met de notaris te bepalen wijze. De kosten van die akte worden door beide partijen in gelijke delen gedragen.

(..)

3. In de transportakte zal een verplichting voor [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] worden opgenomen die strekt tot het in stand houden en onderhouden van de bestaande houtwal op zodanig wijze dat deze op de tenminste voor de fruitteelt gebruikkelijke hoogte blijft aan de zijde van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] van de overeenkomstig sub 1 hierboven bedoelde door het kadaster in te meten kadastrale grens tussen perceelsnummer 72 en 75. [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] houden bij de aanplant en het onderhoud van de door hen voorgenomen realisering van een houtwal in het verlengde van de bestaande houwal tot perceel 596 het burenrecht in acht.

(..)"

2.3 Op 15 september 2009 is ter plaatse een kadastrale meting uitgevoerd conform de ter comparitie gemaakte grensafspraken. Partijen hebben daarna langdurig overleg gevoerd over de inhoud van een notariële rectificatieakte maar zijn het over een deel van die inhoud niet eens geworden.

3 Het geschil

3.1 Volgens [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] hebben zij zich ter comparitie, wat de onder 3 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting betreft, tot niet méér verplicht dan dat zij zelf, zolang zij eigenaars zijn van het gekochte, de houtwal in stand moeten houden en onderhouden en dat die verplichting (dus) niet op hun eventuele rechtsopvolgers komt te rusten. Hun opvatting is onder meer neergelegd in een door de notaris opgestelde vijfde (en laatste) concept-rectificatieakte van 24 januari 2011, waarin de bepaling uit de vaststellingsovereenkomst wordt herhaald (productie 8 bij dagvaarding).

Volgens [gedaagde in conventie] kan die verplichting echter niet anders worden begrepen dan dat zij ertoe strekt dat ook rechtsopvolgers van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] eraan worden gebonden en wel door een door een boete versterkt kettingbeding. Die opvatting is neergelegd in een eerdere (vierde) door de notaris opgestelde concept-rectificatieakte van 30 maart 2010 (productie 7 bij conclusie van antwoord).

3.2 [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] vorderen, kort gezegd:

primair

[gedaagde in conventie] te veroordelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, medewerking te verlenen aan uitvoering van de vaststellingsovereenkomst door ondertekening van de rectificatieakte conform de vijfde concept-rectificatieakte,

subsidiair

voor recht te verklaren dat de grens tussen de erven van partijen loopt zoals in het genoemde concept is omschreven en zoals ingemeten door het Kadaster op 15 september 2009 en dat het aldus te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking tot ondertekening van de rectificatieakte door [gedaagde in conventie].

3.3 [gedaagde in conventie] voert gemotiveerd verweer. In lijn met dat verweer vordert zij in reconventie de veroordeling, op straffe van verbeurte van een dwangsom, van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] tot, kort gezegd, medewerking aan het verlijden van de rectificatieakte conform het vierde concept, primair met een boete van € 50.000,- (althans van die grootte zoals de rechtbank juist acht) op het niet doorgeven van de instandhoudings- en onderhoudsverplichting aan rechtsopvolgers, subsidiair zonder zulk een boete.

4 De beoordeling

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de verplichting tot handhaving en onderhoud van de houtwal onmiddellijk samenhangt met hun eerdere conflict over de eigendom van de strook grond daaronder, welk conflict tijdens de comparitie in de procedure met zaak-/rolnummer 179115/HA ZA 08-2212 ten gunste van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] is opgelost. Daartegenover dienden zij de houtwal in stand te houden en te onderhouden. Dat is volgens [gedaagde in conventie] in het belang van haar achterliggende fruitboomgaard, die tegen windinvloeden moet worden beschermd. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank niet dat een dergelijke verplichting alleen rust op [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] en niet op hun eventuele rechtsopvolgers. Dit geldt te meer nu [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] zich in de vaststellingsovereenkomst niet op een bepaalde - lange - duur van die verplichting hebben vastgelegd.

4.2 Met [gedaagde in conventie] beroepen ook [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] zich bij de uitleg van de desbetreffende bepaling uit de vaststellingsovereenkomst (hierna: de bepaling) op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 inzake Ermes/Haviltex), zij het subsidiair. Hierboven heeft de rechtbank zich al over die zin uitgesproken.

4.3 Primair voeren [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] echter louter tekstuele en/of systematische argumenten aan voor de betekenis die zij in dit opzicht aan de bepaling mochten toekennen (zij hebben gesteld dat dit punt tijdens de comparitie niet ter sprake is gekomen). Zo staat er in de vaststellingsovereenkomst inderdaad niet dat rechtsopvolgers ook aan de bepaling gebonden moeten worden, maar gelet op de betekenis van het bovengenoemde 'ruilelement' is dat niet overeenkomstig de redelijkerwijs in dit opzicht aan de bepaling te hechten zin als bedoeld in de vorige overweging.

4.4 Verder stellen zij in dit verband dat dit punt in de overeenkomst niet aan nadere uitwerking door de notaris wordt overgelaten. Dat moge zo zijn, maar dat laat onverlet dat het onderhavige volgens [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] niet tijdens het onderhandelingsproces expliciet ter sprake gebrachte punt van de derdenwerking zich later als onderwerp van nadere regeling kan openbaren, om een oplossing vraagt en overeenkomstig de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling mochten toekennen (enz.) moet worden ingevuld. Daarbij verdient aantekening dat een ter comparitie onder zekere tijdsdruk en ad hoc opgemaakte overeenkomst niet zelden onder systematische mankementen gebukt gaat. Zo gaat de onderhavige vaststellingsovereenkomst er bijvoorbeeld onder 1 vanuit dat voor zover nodig een notariële akte zal worden opgemaakt, terwijl dat onder 3 kennelijk een gegeven is.

4.5 Ook het argument dat er in de leveringsakte (van 8 juli 2005) ook uitsluitend de partijen bindende verplichtingen zijn opgenomen (en dat dat hier dus ook het geval kan/moet zijn) is niet doorslaggevend. [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] noemen hier de verplichting voor [gedaagde in conventie] zorg te dragen voor een zelfstandige aansluiting op het waterleidingnet. Dat sluit evenwel niet uit dat over het onderhavige geschilpunt anders moet worden gedacht. Overigens is de door [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] genoemde verplichting, anders dan de onderhavige (waarvan de inhoud haast de aard bepaalt), aflopend en strekkend tot een doen. Daarop wordt hierna bij de beoordeling in reconventie nog teruggekomen.

4.6 Uitlegging van de bepaling brengt dus mee dat een zodanige uitwerking daarvan dient plaats te vinden dat ook de rechtsopvolgers van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] daaraan gebonden zijn. De primaire vordering in conventie, die de strekking heeft dat de bepaling enkel tussen partijen werkt, zal daarom worden afgewezen.

4.7 Die afwijzing brengt niet mee dat de vordering in reconventie nu moet worden toegewezen. [gedaagde in conventie] heeft immers onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat partijen omtrent de figuur van het kettingbeding overeenstemming zouden hebben bereikt. Volgens haar konden partijen zich er - integendeel - in vinden dat de notaris "de meest geschikte rechtsfiguur" zou formuleren teneinde tot de beoogde derdenwerking te komen. Een veroordeling conform het vierde concept is daarom niet aan de orde.

4.8 Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de binding van rechtsopvolgers in dit geval ook op een andere en minder omslachtige wijze kan geschieden dan door opname van een - al dan niet door een boete versterkt - kettingbeding. De instandhouding van de houtwal is immers een verplichting om niet te doen (namelijk het niet verwijderen van de houtwal) die de eigenaar van het 'heersend erf' als zodanig enig nut verschaft, waardoor deze als een erfdienstbaarheid kan worden opgelegd. De verplichting tot onderhoud kan daaraan dan op grond van artikel 5:71 lid 2 BW worden verbonden.

4.9 Gelet op het bovenstaande hebben [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] bij hun subsidiaire eis in conventie - welke kennelijk als een minder expliciete vorm van hun primaire eis moet worden gezien - geen belang. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde in conventie] überhaupt niet wil meewerken aan de vastlegging van de nieuwe grenzen.

4.10 Als de in het ongelijk gestelde partij in conventie zullen [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] in de kosten van die procedure worden veroordeeld. [gedaagde in conventie] zal de kosten in reconventie moeten dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

IN CONVENTIE:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van [gedaagde in conventie] bepaald op € 258,- voor griffierecht en op € 904,- voor kosten van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart de gegeven proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

IN RECONVENTIE:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van [eiseres in conventie sub 1] en [eiseres in conventie sub 2] bepaald op € 452,- voor kosten van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart de gegeven proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.