Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2120

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
05/900687-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 26-jarige man, wegens diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreigingen met een mes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/900687-11

Data zittingen : 3 oktober 2011, 21 november 2011, 14 februari 2011 en 2 april 2012

Datum uitspraak : 16 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16 te

Arnhem.

Raadsman : mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank op de terechtzitting van 2 april 2012 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 april 2011 te Barneveld tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 720 Euro, althans een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan Snackbar Charly, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voormelde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, althans zijn mededader/[medeverdachte] met bedekt gelaat voormelde cafetaria is binnengegaan en/of (vervolgens) een mes heeft getrokken en/of aan voormelde [slachtoffer] heeft getoond en/of die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "geef mij de kassainhoud", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 2 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door mr. A.S. van der Biezen voornoemd.

De officier van justitie, mr. A.M. Vloedbeld, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van 2 april 2012 heeft de raadsman van verdachte het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met een onherstelbaar vormverzuim, te weten dat bij gelegenheid van de aanhouding van verdachte diens telefoon is achtergelaten in een bushokje terwijl het een technisch bewijsmiddel betreft waarmee volgens verdachte zijn onschuld kan worden aangetoond. Verdachte heeft immers gesteld dat hij deze telefoon op 28 april 2012 bij zich had bij zijn bezoek aan de ouders van zijn verloofde in IJsselstein.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat nader onderzoek naar de bedoelde telefoon geen bruikbare informatie zal opleveren aangezien verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoons aan anderen uitleende, zodat het de vraag is wie de telefoon ten tijde van de ten laste gelegde diefstal met geweld in zijn of haar bezit had. Nu verdachte eerst tijdens de terechtzitting van 2 april 2012 naar voren heeft gebracht dat hij het betreffende toestel op de dag van de overval bij zich had, kan naar de mening van de officier van justitie bovendien niet gezegd worden dat het openbaar ministerie technisch bewijs heeft laten liggen. De bewijsstukken die voorhanden waren, zijn onderzocht. Van het nummer van de zoekgeraakte telefoon (06-[nummer]) zijn - zo blijkt uit navraag door de officier van justitie tijdens een onderbreking van de terechtzitting van 2 april 2012 - de historische printgegevens van de datum van de overval opgevraagd en uit het feit dat niets is geregistreerd volgt dat het toestel op dat moment waarschijnlijk nog niet in gebruik is geweest. Indien nader onderzoek essentieel zou zijn, had het op de weg van verdachte gelegen dit tijdig kenbaar te maken.

De rechtbank overweegt dat een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering blijkens (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van

19 december 1995 (LJN: ZD0328) kans van slagen heeft, onder meer, indien sprake is van een situatie waarin de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De rechtbank begrijpt dat het betoog van de raadsman van verdachte een beroep op dit ‘Zwolsman-criterium’ inhoudt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder meer worden geconstateerd dat het achterblijven van de telefoon van verdachte op de plaats van aanhouding een fout betreft die niet gemaakt behoort te worden. Desalniettemin is niet gebleken van een doelbewust of op grove wijze belemmeren van verdachte in zijn verdedigingsrecht door opsporingsambtenaren.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het (alsnog) opsporen en laten onderzoeken van de mobiele telefoon geen toegevoegde waarde heeft. Nu verdachte op 30 juni 2011 heeft verklaard dat hij de telefoon met nummer 06-[nummer] nog maar enkele dagen had, valt niet aan te nemen dat verdachte deze reeds op 28 april 2011 bij zich heeft gedragen. Zelfs als verdachte op de dag van de overval over de telefoon beschikte, staat nog niet vast dat hij deze op dat moment bij zich heeft gedragen, aangezien verdachte heeft verklaard dat hij over verschillende telefoons beschikte en hij - zoals de officier van justitie ook heeft opgemerkt - zijn telefoons wel eens bij anderen achterliet.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, daargelaten of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, niet kan worden gezegd dat de belangen van de verdachte zijn geschaad. De rechtbank verwerpt het verweer.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 april 2001 is een man, met een sjaal voor zijn mond en een muts/capuchon op, snackbar (cafetaria) Charly te Barneveld binnengegaan. Daar heeft hij een mes getrokken en die in de richting van de daar aanwezige medewerker [slachtoffer] gehouden, waarbij hij heeft gezegd: “Geef me de kassainhoud” . Vervolgens heeft de man geld weggenomen uit de kassa , waarbij hij het mes gericht heeft gehouden op [slachtoffer]. Het weggenomen geld betrof een bedrag van € 740,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte de overval op de snackbar heeft gepleegd. Zij voert daartoe aan dat dit volgt uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en getuige [getuige1] en dat dit wordt ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige2] en getuige [getuige3], de inhoud van de taps en het feit dat het op de bij de fiets aangetroffen kledingstuk en tas aangetroffen DNA een match vertoont met het DNA-profiel van verdachte. Naar de mening van de officier van justitie kan het alibi van verdachte terzijde worden geschoven, niet alleen op basis van hetgeen uit de telefoontaps naar voren is gekomen maar ook omdat de verklaringen van de familieleden van verdachte en zijn verloofde - die de verklaring van verdachte over zijn alibi ondersteunen - hiaten bevatten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en omdat er verklaringen van de familie van verdachte en zijn verloofde liggen die verdachte een alibi verschaffen en deze verklaringen onderbouwd worden met de agenda van de moeder van de verloofde van verdachte en het dagboek van de verloofde van verdachte. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige1] zijn, evenals de verklaringen van [getuige2] en [getuige3], vrienden van [getuige1], volgens de raadsman ongeloofwaardig omdat deze getuigen onbetrouwbaar zijn.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een bedrag van (in ieder geval) € 720,- is weggenomen, toebehorende aan snackbar Charly en dat deze diefstal is voorbereid en vergemakkelijkt door de dreiging met een mes. .

Vervolgens is het de vraag of bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde diefstal met bedreiging. Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord.

In de eerste plaats is er de belastende verklaring van [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op de dag van de overval met [verdachte] [rb: verdachte] had afgesproken, dat zij [getuige3] en [getuige2] tegenkwamen en naar het huis van [getuige2] zijn gegaan, dat ze daar rond 19:30-20:00 uur weg zijn gegaan om wat te gaan eten, dat verdachte de fiets van [getuige2] leende en zij vervolgens eerst naar de woning van [medeverdachte] zijn gegaan . [medeverdachte] verklaart dat hij daar de fiets heeft gepakt die zijn vriendin [getuige1], van [naam] had geleend, dat verdachte een sjaal en doekje van [getuige1] heeft gepakt en dat hij op verzoek van verdachte een mes uit de keuken heeft gepakt en een tas uit de schuur , waarna zij richting snackbar Charly gingen . Op de plek waar de fiets van [getuige3] is achtergebleven heeft verdachte de sjaal voor zijn mond gedaan en de doek over zijn hoofd en toen is verdachte overgestoken richting de snackbar en daar naar binnengegaan . .

Deze verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door andere verklaringen en bewijsmiddelen. Zo heeft de getuige [getuige1] verklaard dat [medeverdachte] en verdachte op 28 april 2011 bij haar zijn langs geweest om een vermomming te zoeken voor verdachte. [getuige1] verklaart dat verdachte een zwarte sjaal van haar heeft meegenomen en dat [medeverdachte] verdachte een mes heeft gegeven, waarna ze (verdachte en [medeverdachte]) rond 18:30-19:00 uur vertrokken . Omdat de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige1] op meerdere details overeenkomen, acht de rechtbank de verklaringen geloofwaardig..

Dit geldt temeer, nu ook uit de verklaring van [getuige3] blijkt dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen hij zelf heeft betoogd, op de avond van de overval in Barneveld was. [getuige3] verklaart namelijk dat hij op de dag van de overval zijn fiets heeft uitgeleend aan [medeverdachte], [verdachte] en ‘[naam]’ en dat hij deze niet heeft teruggekregen. Hij herkende de fiets op een foto bij een krantenartikel over de overval op snackbar Charly. Dat [getuige3] zijn fiets heeft uitgeleend aan [medeverdachte] en [verdachte] wordt ook bevestigd door [getuige2], die hetzelfde verklaart.

Daarnaast zijn er de, als onafhankelijk te beschouwen, getuigen [getuige4] en [getuige5] die – op hoofdlijnen – de verklaring van [medeverdachte] ondersteunen. [getuige4] heeft verklaard dat hij op 28 april 2011 rond 21.45 uur vanuit zijn woning naar buiten keek en dat hij, op de Jonkerweg, twee jongens zag staan. De ene jongen had zijn fiets op de standaard staan, de andere jongen zat nog op de fiets. De eerste jongen had een plastic tas vast. Hij trok iets uit de tas, volgens de getuige een zwarte sweater met capuchon, die hij over zijn jas trok. De tweede jongen hielp daarbij. De getuige zag zijn buurvrouw aankomen, waarna de twee jongens zich omdraaiden en weggingen, de eerste lopend, de andere daar achteraan fietsend. Zij gingen richting Charly . Getuige [getuige5] (de buurvrouw met de hond) bevestigt dit verhaal. Zij ziet de twee jongens, waarvan één iets over het hoofd draagt, alsmede de plastic tas en de fiets.

Voorts acht de rechtbank van belang dat is vastgesteld dat het telefoonnummer 06-[nummer] in gebruik is bij verdachte , dat [vriendin van verdachte] dit telefoonnummer van hem had en dat met dit telefoonnummer op 28 april 2011 tussen 20:32 uur en 23:48 uur 38 historische contacten werden geregistreerd, waarvan

23 keer via de zendmast op de Krommestraat 8 te Barneveld , terwijl de overval in Barneveld rond 21:45 uur moet hebben plaatsgevonden . Naar het oordeel van de rechtbank kan ook hieruit worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de overval op snackbar Charly wel degelijk in Barneveld was.

De verklaring van verdachte dat hij de bedoelde telefoon op de avond van de overval had afgegeven aan zijn zus (in Barneveld), aangezien hij met zijn verloofde naar de ouders van zijn verloofde ging en hij de telefoon niet bij zich wilde hebben omdat zijn vriendin [vriendin van verdachte] hem er af en toe op belde, alsook de verklaring van de zus van verdachte hieromtrent, wordt door de rechtbank niet geloofwaardig geacht.

De zus van verdachte heeft tevens verklaard dat er een paar keer door meisjes is gebeld op de telefoon van verdachte maar dat het heel korte gesprekken waren. Dit staat haaks op de historische verkeersgegevens, waaruit blijkt dat op 28 april 2011 eveneens contacten zijn geweest met het telefoonnummer van [getuige2] (tussen 19:19 uur en 19:27 uur uitgaande en inkomende contacten) en [getuige3] (tussen 16:40 uur en 20:50 uur uitgaande contacten) en een tweetal inkomende gesprekken met het telefoonnummer van [vriendin van verdachte] met een duur van respectievelijk 4 minuten en 11 seconden (om 23:31 uur) en 46 minuten en

11 seconden (om 23:48 uur). Getuige [vriendin van verdachte] heeft bovendien verklaard dat zij op het nummer 06-[nummer] alleen verdachte heeft gesproken en nooit iemand anders en dat zij weleens met een zus van verdachte heeft gesproken, maar niet op 28 april 2011 . Dat mogelijk sprake is geweest van ‘broekzakbellen’ (niet doorhebben dat de telefoon in de broekzak aan gaat of aan blijft), zoals de zus van verdachte in een later verhoor lijkt te impliceren, wordt door de rechtbank ongeloofwaardig geacht. Getuige [vriendin van verdachte] heeft daarover verklaard dat haar dit nooit is overkomen .

De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte op de bewuste avond de telefoon met nr. 06-[nummer] bij zich had, zodat de eerder vermelde zendmastgegevens hem in Barneveld plaatsen.

Evenmin acht de rechtbank de verklaringen van de ouders en zus van verdachte en van de verloofde van verdachte en haar ouders, die allen verklaren dat verdachte in de avond van 28 april 2011 op bezoek was bij zijn aanstaande schoonouders, geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er teveel tegenstrijdigheden in de verklaringen. Ter illustratie wijst de rechtbank erop dat de verloofde van verdachte heeft verklaard dat haar moeder maar 15 minuten bij het gesprek was en er een uurtje met vader is gesproken over wie bijvoorbeeld de gasten en zanger zouden worden , terwijl haar moeder heeft verklaard dat haar man niet bij het hele gesprek is geweest omdat hij na 30-45 minuten naar bed ging en zij later .

De vader van de verloofde heeft daarnaast nog verklaard dat het gesprek ongeveer een half uur heeft geduurd en dat toen bleek dat er geen huis was verder niet over het huwelijk is gesproken . Nu betrokkenen verklaren dat de afspraak dermate belangrijk was dat ze zich de exacte datum ervan kunnen herinneren, had het voor de hand gelegen dat zij consistent zouden verklaren over het verloop van die avond c.q. afspraak.

Bovendien blijkt uit telefoontaps dat op 28 juni 2011 een tweetal telefoongesprekken heeft plaatsgevonden, te weten tussen verdachte en [vriendin van verdachte] en verdachte en [getuige1], waarin wordt gesproken over respectievelijk het regelen van een alibi (verdachte: “Ik ben alibi voor hem en hij is alibi voor mij” ) en het afstemmen van verklaringen ([getuige1]: “je moet zeggen tegen hun dat je [medeverdachte] bijna niet ziet, dat dit de eerste keer is dat je bij zijn huis ben, dus dat jullie bijna geen contact hebben, dat gaat [medeverdachte] ook zeggen weet je en verder, ik weet niet. (…) maar ik heb niets gezegd oke (…) wees maar dankbaar; Verdachte: is goed is goed.” .)

De verklaring van verdachte dat hij niet weet wat [getuige1] bedoelde met dat hij dankbaar moet zijn en dat het gesprek met [naam] over iets anders ging en hij slechts stoer wilde doen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Dat verdachte het ten laste gelegde delict ‘in vereniging’ heeft gepleegd met [medeverdachte] acht de rechtbank niet bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank dat, uitgaande van de verklaringen in het dossier, van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] niet is gebleken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 28 april 2011 te Barneveld alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 720 Euro, geheel of ten dele toebehorende aan Snackbar Charly, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij met bedekt gelaat voormelde cafetaria is binnengegaan en (vervolgens) een mes heeft getrokken en aan voormelde [slachtoffer] heeft getoond en die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "geef mij de kassainhoud".

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Dit feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 maart 2012;

• het Pro Justitia rapport van klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. J.H.A.M. Kobussen betreffende verdachte, gedateerd 14 oktober 2011;

• het advies van Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 25 augustus 2011;

• de consultbrief van psychiater H.T.J. Boerboom van het NFI Arnhem betreffende verdachte, gedateerd 13 juli 2011.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden (met aftrek van het voorarrest), waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken en heeft verder geen opmerkingen gemaakt over een (eventuele) strafmaat.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft, kort gezegd, gewapend met een mes geld weggenomen uit de kassa van een snackbar. Niet alleen heeft verdachte daarmee de eigenaar van de snackbar financieel benadeeld, maar ook heeft hij de medewerker [slachtoffer] veel schrik aangejaagd door hem te bedreigen met een mes. Hiermee heeft hij [slachtoffer] bovendien in de positie gebracht dat die moest dulden dat geld werd weggenomen van zijn werkgever, terwijl hij die dag de verantwoordelijkheid had voor het geld in de kassa.

Delicten als de onderhavige zorgen voor schade bij bedrijven en voor angst, of trauma’s, onder medewerkers van die bedrijven voor (dreiging met) agressie. Daarnaast versterkt het de aanwezige gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dat aan.

Volgens de ‘oriëntatiepunten voor straftoemeting’ die door het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren ten behoeve van de rechtseenheid zijn vastgesteld, wordt in een geval als het onderhavige als uitgangspunt een strafmaat gehanteerd van twee jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet, mede vanwege de proceshouding van verdachte, aanleiding om naast een onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen en daarmee (ten nadele van verdachte) af te wijken van deze strafmaat en aan te sluiten bij de strafeis van de officier van justitie. Illustratief acht de rechtbank in dit kader het rapport van Pro Justitia van 14 oktober 2011, waarin staat dat verdachte iedere medewerking heeft geweigerd en in gesprek devaluerend en manipulatief is. Voor het tweede gesprek kwam verdachte niet naar de gesprekskamer; hij gebood de bewaarder de psycholoog weg te sturen. Hoewel de psycholoog Kobussen nader onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte wenselijk acht, mede vanwege het feit dat er aanwijzingen zijn voor een egocentrische levenshouding, zou een klinische observatie of een klinisch persoonlijkheidsonderzoek naar zijn mening weinig opleveren gezien het opstandige gedrag van verdachte.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijke deel van de straf dient ertoe de ernst van het feit te benadrukken maar geldt eveneens als een ‘stok achter de deur’ om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van soortgelijke ernstige delicten.

6a. Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat van het onder verdachte in beslag genomen geld een bedrag van € 182,50 aan verdachte wordt terug gegeven. Ten aanzien van het overige deel van het bedrag, ter omvang van € 620,-, heeft zij zich primair op het standpunt gesteld dat dit aan snackbar Charly moet worden teruggegeven en subsidiair dat het verbeurd moet worden verklaard. De onder verdachte in beslag genomen bon (betreffende een uitgave van € 229,90) moet naar de mening van de officier van justitie aan verdachte worden geretourneerd.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen zaken geen opmerkingen gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten zowel de in beslag genomen (aankoop)bon als het bedrag van € 802,50 aan de rechtmatige eigenaar worden geretourneerd. Ten aanzien van het geldbedrag merkt de rechtbank op dat – mede gelet op het tijdsverloop tussen delict en inbeslagname – geen aanknopingspunt is om te kunnen vaststellen dat het hier om het geld gaat dat afkomstig is van de bewezen verklaarde diefstal.

Om dezelfde reden is verbeurdverklaring niet mogelijk. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verruiming van artikel 33a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (verkregen uit de baten van het strafbaar feit) verbeurdverklaring mogelijk zou maken. Nog afgezien van het feit dat deze verruiming beoogt het verbeurdverklaren mogelijk te maken van goederen die met crimineel verkregen winst zijn aangeschaft en het de vraag is of het in beslag genomen contante geld daaronder valt, is deze nieuwe regeling, die een verruiming van de regeling van verbeurdverklaring meebrengt, in werking getreden na het plegen van het feit zodat artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht daaraan in de weg staat.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

8a. Ten aanzien van het beslag

Gelast de teruggave van de (aankoop)bon en het geldbedrag van € 802,50 aan de rechtmatige eigenaar.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

mr. E. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2012.