Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2098

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
05/900686-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 21-jarige man, wegens medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreigingen met een mes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/900686-11

Data zittingen : 3 oktober 2011, 21 november 2011, 14 februari 2011 en 2 april 2012

Datum uitspraak : 16 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg, Hogenslagweg 8

Doetinchem.

Raadsman : mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een tweetal door de rechtbank toegewezen vorderingen ter wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van respectievelijk 21 november 2011 en 2 april 2012, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 april 2011 te Barneveld tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 720 Euro, althans een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan Snackbar Charly, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voormelde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, althans zijn mededader/[medeverdachte] met bedekt gelaat voormelde cafetaria is binnengegaan en/of (vervolgens) een mes heeft getrokken en/of aan voormelde [slachtoffer] heeft getoond en/of die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "geef mij de kassainhoud", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte] op of omstreeks 28 april 2011 te Barneveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 720 euro, althans een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan Snackbar Charly, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat voormelde [medeverdachte] met bedekt gelat voormelde cafetaria is binnengegaan en/of (vervolgens) een mes heeft getrokken en/of aan voormelde

[slachtoffer] heeft getoond en/of die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: geef mij de kassainhoud", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 28 april 2011 te Barneveld en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door vermelde [medeverdachte] het bij het misdrijf gebruikte mes en/of de daarbij gebruikte gelaatsbedekking en/of daarbij de gedragen kleding en een tas ter beschikking te stellen, door met vermelde [medeverdachte] naar/ in de richting van Snackbar Charly te fietsen/ gaan en hem te helpen met het aanbrengen van de kleding/ vermomming;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 2 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door mr. P.T. Pel voornoemd.

De officier van justitie, mr. A.M. Vloedbeld, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 april 2011 heeft verdachte te Barneveld een mes[medeverdachte] [medeverdachte] gegeven en een tas . Daarna zijn verdachte en [medeverdachte] samen richting snackbar Charly gegaan. [medeverdachte] heeft een doek voor zijn gezicht gebonden. Vervolgens is [medeverdachte] de snackbar binnengegaan. Met een sjaal voor zijn mond en een muts/capuchon op kwam hij in de snackbar. Daar heeft hij een mes getrokken en dat in de richting van de daar aanwezige medewerker [slachtoffer] gehouden, waarbij hij heeft gezegd: “Geef me de kassainhoud” . Vervolgens heeft hij geld weggenomen uit de kassa , waarbij hij het mes gericht heeft gehouden op voornoemde [slachtoffer]. Het weggenomen geld betrof een bedrag van € 740,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde, kort gezegd het medeplegen van de diefstal met bedreiging met geweld, wettig en overtuigend bewezen is. Zij is van mening dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte] de vermomde persoon was die, onder bedreiging met een mes, geld heeft weggenomen bij snackbar Charly maar dat ook verdachte een rol bij de diefstal heeft gehad, zij het een geringere. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte wist wat [medeverdachte] van plan was, spullen heeft aangereikt, heeft geholpen bij het aanbrengen van de vermom¬ming, is meegegaan in de richting van snackbar Charly en na de overval [medeverdachte] op het station heeft ontmoet, waarna ze samen naar huis zijn gegaan en hebben gedeeld in de buit. Volgens de officier van justitie heeft verdachte geen afstand genomen van [medeverdachte], maar heeft hij er slechts voor gekozen [medeverdachte] de uitvoeringshandelingen te laten verrichten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken moet worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe gesteld dat alleen te bewijzen is dat [medeverdachte] snackbar Charly met (bedreiging met) geweld heeft bestolen maar dat [medeverdachte] hierbij zelfstandig heeft gehandeld en dat verdachte zich bewust heeft gedistantieerd zodat niet kan worden gezegd dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De raadsman acht verdachte evenmin medeplichtig aan de diefstal. Naar de mening van de raadsman was geen sprake van opzet op het verschaffen van inlichtingen of middelen omdat verdachte onder druk werd gezet door [medeverdachte]. Er is evenmin sprake van opzet op de diefstal met bedreiging met geweld, nu verdachte niet wist en niet kon weten dat [medeverdachte] daadwerkelijk van plan was de snackbar te beroven.

De beoordeling door de rechtbank

Op grond van de vaststaande feiten acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een bedrag van (in ieder geval) € 720,- heeft weggenomen, toebehorende aan snackbar Charly, door met een bedekt gelaat deze snackbar/cafetaria in te gaan, een mes op

[slachtoffer] te richten, de kassa-inhoud te eisen en – terwijl hij het mes op [slachtoffer] gericht hield – geld uit de kassa te pakken. De bedreigingen met het mes hebben er naar het oordeel van de rechtbank duidelijk toe gediend [slachtoffer] zover te krijgen dat hij [medeverdachte] de toegang tot het geld in de kassa zou verschaffen en zou nalaten [medeverdachte] te beletten het geld weg te nemen.

Voorts is het de vraag of verdachte een rol heeft gehad bij het plegen van voornoemd delict en zo ja, of hij dan aangemerkt kan worden als mededader of medeplichtige.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat verdachte [medeverdachte] een tas en mes heeft gegeven en dat hij samen met hem richting snackbar Charly is gefietst. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 april 2012, dat hij zich niet kan herinneren dat hij heeft verklaard dat hij [medeverdachte] heeft geholpen de doek om te doen en dat hij mogelijk door de politie onder druk is gezet, wordt door de rechtbank ongeloofwaardig geacht. Verdachte heeft immers zelf bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] wel heeft geholpen met het ombinden van een doek voor diens gezicht . Bovendien wordt die verklaring van verdachte bij de politie ondersteund door de verklaring van getuige [getuige1], die heeft verklaard dat hij op de avond van de overval nabij snackbar Charly, even voordat de politie ter plaatse arriveerde, twee jongens zag met fiets en tas terwijl later ter plaatse een fiets en Aldi-tas zijn aangetroffen, waarvan verdachte, [getuige2] en [getuige3] hebben verklaard dat het de fiets betrof die verdachte en [medeverdachte] die betreffende avond van [getuige3] hebben geleend . [getuige1] zag de ene jongen het laatste stukje van de capuchon van de andere, grotere jongen goed trekken. De rechtbank stelt vast dat de kleinere jongen dan verdachte moet zijn geweest, aangezien verdachte heeft verklaard kleiner te zijn dan [medeverdachte].

De verklaring van verdachte dat hij geprobeerd heeft zijn ‘fout te herstellen’ (namelijk toestaan dat hij een mes uit verdachtes keuken heeft gepakt) door met [medeverdachte] naar de cafetaria te gaan om een poging te doen [medeverdachte] tegen te houden, acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Dit strookt namelijk niet met de verklaring van getuige [getuige1] dat de grotere jongen ([medeverdachte]), nadat hij een sweater met capuchon over zijn jas had getrokken, in de richting van de Van Dompselaerstraat liep en dat de andere jongen (verdachte) daar rustig achteraan fietste, waarna de jongens de weg schuin overstaken in de richting van snackbar Charly .

Aldus heeft verdachte [medeverdachte] middelen verschaft ten behoeve van de diefstal en is hij hem in de aanloop naar het plegen van het delict ook behulpzaam geweest. Anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit opzettelijk, dus in de wetenschap dat [medeverdachte] van plan was een overval te plegen, heeft gedaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] en hij voor de overval nog langs zijn woning zijn gegaan.

Daarover heeft verdachte verklaard: “[medeverdachte] heeft, voordat we mijn woning ingingen, gezegd dat hij een overval of een inbraak zou plegen omdat hij geld nodig had.” Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op zoek ging naar vermommingen en dat hij een zwart sjaaltje van [vriendin van verdachte] (verdachtes vriendin) had gepakt en een ander doekje. [vriendin van verdachte] heeft daar ook over verklaard, zoals hierna aan de orde komt..

Uit deze verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat [medeverdachte] die bewuste avond een overval wilde plegen. Verdachte heeft onder meer verklaard: “[medeverdachte] had mij beloofd dat hij de overval niet zou plegen in mijn bijzijn” en: “Ik heb denk ik wel tegen [naam] gezegd dat [medeverdachte] vanavond een inbraak of een overval zou plegen” . Toch heeft verdachte [medeverdachte] vervolgens een tas gegeven om de spullen in te doen en heeft hij, op verzoek van [medeverdachte], een mes uit de keukenlade gepakt en aan [medeverdachte] gegeven . De redenering dat verdachte dit slechts heeft gedaan omdat [medeverdachte] hem onder druk zou hebben gezet, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Dit geldt temeer nu verdachte ook ter terechtzitting van 2 april 2012 niet heeft kunnen verwoorden waar die druk precies uit zou hebben bestaan en uit de verklaringen van [vriendin van verdachte] evenmin is gebleken van enige druk van de zijde van [medeverdachte]. De verklaringen van [vriendin van verdachte] duiden eerder op een samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] voor wat betreft het voorbereiden van de diefstal. [vriendin van verdachte] heeft bijvoorbeeld verklaard: “Ze kwamen iets voor [medeverdachte] halen, zodat hij zich kon bedekken, ik bedoel vermommen”, en: “Ik had wel het gevoel dat ze iets van plan waren, toen zijn ze naar beneden gelopen en is er zelfs een mes gepakt uit de keukenla. Ik zag dat [verdachte] een mes uit de keukenla pakte (…).” Er lijkt slechts op één moment sprake te zijn geweest van verzet van de zijde van verdachte, namelijk het moment dat [medeverdachte] kleding van verdachte wilde gebruiken bij de overval. Hierover heeft [vriendin van verdachte] verklaard: “Toen hoorde ik [medeverdachte] zeggen “Ik moet iets donkers hebben met een capuchon erop.” Toen zei [verdachte], “Dat zijn mijn kleren, straks word ik gepakt.”” Verdachte heeft dit ook bevestigd: hij wilde dat [medeverdachte] zijn eigen spullen zou gebruiken zodat verdachte geen moeilijkheden zou krijgen als iemand de kleding zou herkennen. Deze opmerking lijkt echter eerder te zijn ingegeven door de vrees dat het spoor naar hem zou kunnen leiden dan door de wens [medeverdachte] tegen te houden. Overigens wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank nog eens benadrukt dat verdachte het plan van [medeverdachte] (kennelijk) serieus nam.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan het plegen van de diefstal met bedreiging met geweld maar dat – zoals de officier van justitie heeft gesteld – tussen verdachte en [medeverdachte] geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen kan weliswaar worden afgeleid dat verdachte tevoren op de hoogte was van het plan van [medeverdachte] om een overval te plegen, maar niet dat zij dat beiden hebben beraamd, gepland of doordacht. Verdachte was op het moment van de diefstal niet aanwezig in snackbar Charly. Evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan (verdachte heeft zelf verklaard dat hij is weggefietst naar het station). En hoewel verdachte een deel van de buit heeft ontvangen, is niet gebleken dat over de verdeling daarvan op enig moment afspraken zijn gemaakt. Verdachte heeft daarover verklaard: “[medeverdachte] heeft het geld gehouden, hij bood het mij eerst aan, ik zei nee dank je. Toen ik even naar boven was gegaan (…), heeft hij toch geld achtergelaten (…). Dit was 40-50 euro, dat was een deel van de buit (…).”

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

[medeverdachte] op 28 april 2011 te Barneveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 720 euro, geheel of ten dele toebehorende aan Snackbar Charly, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat voormelde [medeverdachte] met bedekt gelaat voormelde cafetaria is binnengegaan en (vervolgens) een mes heeft getrokken en aan voormelde [slachtoffer] heeft getoond en die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: geef mij de kassainhoud", tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 april 2011 te Barneveld opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door vermelde [medeverdachte] het bij het misdrijf gebruikte mes en een tas ter beschikking te stellen, door met vermelde [medeverdachte] in de richting van Snackbar Charly te fietsen/ gaan en hem te helpen met het aanbrengen van de kleding/ vermomming.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreigingen met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Dit feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich met succes kan beroepen op (psychische) overmacht, omdat sprake was van een situatie van dwang of drang (door [medeverdachte]) waaraan verdachte geen weerstand kon bieden.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is niet gebleken van enige druk door [medeverdachte]. Illustratief acht zij dat verdachte heeft verklaard dat hij bij het vermommen van [medeverdachte] nog dacht dat [medeverdachte] een geintje maakte. Verder heeft zij opgemerkt dat verdachte desgevraagd niet concreet kan maken waaruit de door hem gestelde druk bestond, zodat wellicht slechts gevoelsmatig voor verdachte sprake was van druk.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat [medeverdachte] een zodanige dwang op verdachte heeft uitgeoefend dat kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van verdachte is aangetast, laat staan dat aannemelijk is geworden dat er een zodanige druk op hem werd uitgeoefend dat verdachte hieraan redelijkerwijs geen weerstand hoefde te bieden. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft gehandeld onder druk van [medeverdachte], maar – zoals hierboven is opgemerkt – heeft verdachte niet kunnen verwoorden waar die druk precies uit heeft bestaan. Verdachte kwam niet verder dan de opmerking dat [medeverdachte] schreeuwde. Ook uit de (deels hiervoor weergegeven) verklaringen van [vriendin van verdachte] is niet gebleken van enige druk van de zijde van [medeverdachte]. Het verweer van de raadsman van verdachte slaagt naar het oordeel van de rechtbank om deze reden niet.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 maart 2012;

• de reclasseringsadviezen betreffende verdachte, gedateerd 10 februari 2012 en 8 augustus 2011; en

• het Pro Justitia rapport van klinisch psycholoog/psychotherapeut J.P.M. van der Leeuw betreffende verdachte, gedateerd 17 november 2011.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden (met aftrek van het voorarrest), waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met verplicht reclasseringscontact met mogelijk ambulant forensisch therapeutische behandeling en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft opgemerkt dat er bij het formuleren van de strafeis, die uit gaat van een veroordeling voor medeplegen, rekening mee is gehouden dat de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal dicht tegen de medeplichtigheid aan ligt, zodat in haar optiek bij een veroordeling voor medeplichtigheid dezelfde straf zou moeten worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen, verzoekt de raadsman er rekening mee te houden dat de justitiële documentatie van verdachte oude feiten betreffen, volgens het reclasseringsrapport van

8 augustus 2011 het grootste deel van de leefgebieden positief zijn, verdachte bereid is mee te werken aan een poliklinische behandeling, de rol van verdachte beperkt was en hij geprobeerd heeft [medeverdachte] op andere gedachten te brengen. Voorts heeft verdachte niet gedeeld in de buit en is bij de diefstal geen lichamelijk letsel toegebracht en geen vuurwapen gebruikt. In geval van strafoplegging dient naar de mening van de raadsman geen detentie te volgen maar een poliklinische behandeling.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte is medeplichtig bevonden aan een gewapende overval in een snackbar, waarbij een medewerker van die snackbar is bedreigd met een mes. Hoewel verdachte wist dat de man met wie hij naar de snackbar ging, het plan had opgevat een overval te gaan plegen, verschafte hij hem hulp, onder meer door hem het mes te leveren. Verdachte heeft hierbij alleen aan zijn eigen belangen gedacht, namelijk dat hij niet wilde dat zijn kleding bij de diefstal zou worden gebruikt. Om hetgeen anderen zou overkomen bij de voorgenomen overval heeft hij zich niet bekommerd.

Delicten als de onderhavige zorgen voor schade bij bedrijven en voor angst, of zelfs trauma’s, onder medewerkers van die bedrijven voor (dreiging met) agressie. Daarnaast versterkt het de aanwezige gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dat aan. De stelling van de raadsman van verdachte dat voor verdachte eventueel slechts een poliklinische behandeling dient te volgen zonder detentie, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het gepleegde feit.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de rol die verdachte in het kader van het delict heeft vervuld, relatief beperkt is gebleven. Ook betrekt de rechtbank bij het vaststellen van de strafmaat dat verdachte op enig moment heeft toegegeven dat hij betrokken is geweest bij die diefstal, ondanks het feit dat zijn medeverdachte hardnekkig is blijven ontkennen. De rechtbank komt dan ook tot een (iets) lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist. Wèl acht de rechtbank, gezien het recidivegevaar dat volgens psycholoog Van der Leeuw groot is, conform het voorstel van de officier van justitie, een voorwaardelijk deel met reclasseringstoezicht passend en geboden.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van

18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel wordt dan de bijzondere voorwaarde gekoppeld van een verplicht reclasseringstoezicht.

6a. Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen fiets, blouse en tas verbeurd worden verklaard.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het beslag geen opmerkingen gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen zowel de fiets, blouse als tas aan de rechtmatige eigenaren te worden geretourneerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een verbeurdverklaring, nu niet gezegd kan worden dat het strafbare feit met behulp van deze zaken is gepleegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 48, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens het Leger des Heils Zwolle (Jeugdzorg&Reclassering) zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt dat hij dient mee te werken aan een ambulant forensisch therapeutische behandeling

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeling voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

8a. Ten aanzien van het beslag

Gelast de teruggave van de blouse, tas en fiets aan de rechtmatige eigena(a)r(en).

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

mr. E. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2012.