Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW2054

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
05/703493-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Arnhem heeft een 25-jarige man uit Veenendaal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, vanwege het veroorzaken van een verkeersongeval in De Klomp, gemeente Ede. De man heeft als beginnend bestuurder, onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol, veel te hard gereden terwijl de weg glad was. Zijn medepassagier heeft door het ongeval zwaar en blijvend lichamelijk letsel opgelopen. De man is eerder veroordeeld voor rijden onder invloed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/703493-10

Datum zitting : 30 maart 2012

Datum uitspraak : 13 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

officier van justitie : mr. K.J.L. de Valk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 december 2010, te De Klomp, gemeente Ede,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg(en), de Proosdijerveldweg en/of de provinciale weg N224 en/of de

Klompersteeg,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig

en/of onachtzaam,

terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank,

althans na het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend

bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het

nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

terwijl het wegdek van die weg ter plaatse gedeeltelijk was bedekt met sneeuw

en/of ijs, in elk geval terwijl het wegdek voelbaar glad was, en/of

terwijl op die Klompersteeg een bord van het model J37 van de bijlage 1 van

genoemd Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

inhoudende een aanduiding van (naderend) gevaar, voorzien van een onderbord

met de tekst "fietsers op de rijbaan",

met zeer hoge snelheid, in elk geval met een, gezien de omstandigheden ter

plaatse, (veel) te hoge snelheid over die weg(en) heeft gereden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd

en/of aangepast, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens), rijdende over die Klompersteeg, in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) in de naast die afrit gelegen berm is gegleden of gereden, in elk

geval terecht gekomen, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een in

die berm staande boom,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd

toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3

van de Wegenverkeerswet 1994,

aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een

onderzoek 730 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter

uitgeademde lucht bleek te zijn, en/of

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat

motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur met 100

kilometer per uur, althans 80 kilometer per uur, in elk geval aanzienlijk

overschreden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 december 2010 te De Klomp, gemeente Ede, als bestuurder

van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Proosdijerveldweg en/of de provinciale weg N224 en/of de Klompersteeg,

terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank,

althans na het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend

bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het

nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

terwijl het wegdek van die weg ter plaatse gedeeltelijk was bedekt met sneeuw

en/of ijs, in elk geval terwijl het wegdek voelbaar glad was, en/of

terwijl op die Klompersteeg een bord van het model J37 van de bijlage 1 van

genoemd Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

inhoudende een aanduiding van (naderend) gevaar, voorzien van een onderbord

met de tekst "fietsers op de rijbaan",

met zeer hoge snelheid, in elk geval met een, gezien de omstandigheden ter

plaatse, (veel) te hoge snelheid over die weg(en) heeft gereden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd

en/of aangepast, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens), rijdende over die Klompersteeg, in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) in de naast die afrit gelegen berm is gegleden of gereden, in elk

geval terecht gekomen, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een in

die berm staande boom,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 03 december 2010 te De Klomp, gemeente Ede, in elk geval

in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en

onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 88

microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en

sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven

nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op

of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 30 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Aan verdachte is voor het eerst op 12 december 2005 een rijbewijs afgegeven .

In de nacht van 3 december 2010, tussen 03.00 en 03.30 uur, is verdachte vanaf zijn woning aan de Proosdijerveldweg 287 te Ede als bestuurder van een personenauto, via de provinciale weg N224 en de Klompersteeg, richting Veenendaal gereden. Verdachte had kort daarvoor samen met zijn medepassagier [slachtoffer] anderhalve liter Bacardi rum, vermengd met cola, gedronken en ademonderzoek wees uit dat het alcoholgehalte van verdachtes adem 730 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was. Verdachte had haast om op zijn werk te komen en heeft daarom op alle hierboven genoemde wegen veel harder gereden dan de toegestane snelheid. Het weer was droog en helder en het vroor 10 graden. Het wegdek was normaal ingereden en het zicht werd niet belemmerd. Ter hoogte van een verkeersbord op de Klompersteeg, dat waarschuwt voor fietsers op de rijbaan (Rechtbank: model J37), is de auto van verdachte, als gevolg van het door de vorst glad geworden wegdek, in de slip geraakt. De auto is, gezien vanaf verdachte rijrichting, aan de overzijde van de weg, tegen een boom in de berm tot stilstand gekomen. De maximumsnelheid ter plaatse bedraagt 80 km/u. De medepassagier [slachtoffer] is na het ongeval achtereenvolgens in het ziekenhuis en een revalidatiecentrum opgenomen, doordat zijn onderbenen op meerdere plaatsen waren gebroken en hij diverse malen geopereerd moest worden. Hij heeft aan het ongeval blijvend letsel overgehouden.

De beoordeling door de rechtbank van feit 1 primair

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuldig is aan het door hem veroorzaakte verkeersongeval doordat hij als beginnend bestuurder een aanzienlijke hoeveelheid alcohol tot zich heeft genomen en vervolgens een personenauto heeft bestuurd, waarmee hij met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid heeft gereden. Verdachte reed op de N224 ongeveer tussen de 130 en 150 km/u, terwijl hij wist dat hij daar maar 80 km/u mocht rijden. In de bocht voor de plaats van het ongeluk reed hij tussen de 100 en de 130 km/u. Bovendien heeft hij zijn snelheid niet aangepast aan de omstandigheden ter plaatse, terwijl hij blijkens zijn verklaring wist dat de weg door vorst glad was en er achtergebleven sneeuw op de weg lag. Voormelde gedragingen van verdachte brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte een hoge mate van verwijtbare onvoorzichtigheid kan worden verweten zodanig dat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als roekeloosheid.

Door het roekeloze rijgedrag van verdachte, is zijn medepassagier [slachtoffer] ernstig gewond geraakt. Hij had twee gebroken onderbenen, is diverse malen daaraan geopereerd en is in zijn rechterbeen een tweetal spieren verloren, doordat deze waren afgestorven. Dit heeft tot gevolg dat hij zijn rechtervoet niet meer goed kan bewegen en dus door het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen. De rechtbank kwalificeert het door de heer [slachtoffer] als gevolg van het ongeval opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 03 december 2010, te gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig personenauto daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Proosdijerveldweg en de provinciale weg N224 en de Klompersteeg,

roekeloos,

terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank,

terwijl het wegdek van die weg ter plaatse voelbaar glad was, en

terwijl op die Klompersteeg een bord van het model J37 van de bijlage 1 van

genoemd Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

inhoudende een aanduiding van (naderend) gevaar, voorzien van een onderbord

met de tekst "fietsers op de rijbaan",

met zeer hoge snelheid, over die wegen heeft gereden, en

daarbij zijn snelheid niet, heeft aangepast, en

vervolgens rijdende over die Klompersteeg, in een slip is geraakt, en

vervolgens in de berm is gegleden en

vervolgens is gebotst tegen, een in die berm staande boom,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd

toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3

van de Wegenverkeerswet 1994,

aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een

onderzoek 730 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, en

zulks terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur aanzienlijk overschreden.

De beoordeling door de rechtbank van feit 2

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor de feiten, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer PL0744/2011012847-11, gesloten op 1 februari 2011, onder meer inhoudende:

o het proces-verbaal van misdrijf d.d. 6 december 2010, pag. 57 e.v.;

o het schriftelijk bescheid zijnde de Honac-uitdraai, testnr. 101203388, pag. 74;

o de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 30 maart 2012 afgelegd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 03 december 2010 te , gemeente Ede, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en

onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en

sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven

nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op

of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

De eendaadse samenloop van

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

en

Overtreding van artikel 8, derde lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, met aftrek.

Het standpunt verdediging

Verdachte heeft de rechtbank verzocht geen gevangenisstraf op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 22 februari 2012

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, na aanzienlijk overmatig alcoholgebruik en onder de bewezenverklaarde omstandigheden zoals het bewust met veel te hoge snelheid over een glad wegdek rijden, veroorzaken van een verkeersongeval. Door het maken van meerdere grove verkeersfouten, dat door de rechtbank is gekwalificeerd als roekeloos rijgedrag, werd een als passagier in zijn auto zittend persoon zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft door zeer onverantwoordelijk handelen ernstig gevaar voor personen en goederen veroorzaakt.

Bij verdachte is een alcoholgehalte van 730 microgram per liter uitgeademde lucht geconstateerd terwijl verdachte tot de categorie beginnende bestuurders behoorde.

Verdachte is in 2005 door de kinderrechter en in 2008 door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed en heeft bij het CBR de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer gevolgd. De rechtbank rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij ondanks de gevolgde cursus en terwijl hij nog steeds beginnend bestuurder was, heeft gemeend een auto te kunnen besturen terwijl hij zwaar onder de invloed van alcohol verkeerde. Dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen, maakt het gedrag van verdachte niet minder ernstig.

Voor afdoening van deze zaak komt naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf in aanmerking dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een passende strafrechtelijke reactie is, met dien verstande dat de rechtbank vanwege het tijdsverloop tussen de gepleegde feiten en de behandeling daarvan ter zitting, een iets lagere gevangenisstraf zal opleggen. Om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van verkeersdelicten, zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, naast het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk is, met name ter beveiliging van het verkeer in de toekomst.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

• een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 8 (acht) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte voorts tot

• ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 4 (vier) jaren,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Aldus gewezen door mr. J.J. Catsburg als voorzitter, mr. J.J.H. van Laethem en mr. H.T. Wagenaar, rechters, in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2012.