Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW1094

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
05/900701-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 26-jarig korporaal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een werkstraf van 240 uur en een geldboete van 2000 euro, voor het plegen van een aantal drugsleveringen en een poging daartoe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900701-11

Datum zitting : 26 maart 2012

Datum uitspraak : 6 april 2012

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

rang : korporaal,

ingedeeld bij : [standplaats]

Raadsman: mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

Officier van justitie: J.C. Stikkelman.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2010

tot en met 02 juni 2011 te Apeldoorn en/of te Deventer en/of te 't Harde,

gemeente Elburg en/of te Stroe, gemeente Barneveld en/of te Heemskerk, althans

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt aan T.J. [betrokkene1] en/of C.K. van [betrokkene2] en/of M.P.

[betrokkene3] en/of N.S. [betrokkene4] en/of G. de [betrokkene5] en/of een of meer andere

perso(o)n(en), in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MMDA, zijnde cocaïne

en/of heroïne en/of MDMA en/of MMDA (telkens) een middel(len) als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2011, althans in of omstreeks de periode van 30

mei 2011 tot en met 2 juni 2011, te Apeldoorn, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te

verkopen en/of af te leveren en/of te verstrekken aan M.P. [betrokkene3] en/of T.J.

[betrokkene1] (ongeveer) 100 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet, opzettelijk met voornoemde [betrokkene1] (een)

afspra(a)k(en) heeft gemaakt met betrekking tot de levering van 100 gram

cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

waarbij/waarna door die [betrokkene1] ten behoeve van die te leveren cocaïne een

geldbedrag, groot ongeveer 2600 euro, althans enig geldbedrag, aan hem,

verdachte, ter beschikking is gesteld en/of (vervolgens) naar, althans in de

richting van de plaats van aflevering, te weten Kentucky Fries Chicken (KFC)

te Apeldoorn, althans naar, in elk geval in de richting van enige plaats van

aflevering is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 02 juni 2011 te Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 100 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 26 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk dienen te worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Nu verdachte het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

26 maart 2012;

- proces-verbaal van verhoor van medeverdachte T.J. [betrokkene1] pag. 2060 en 2061;

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

Bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

26 maart 2012;

- proces-verbaal van verhoor van medeverdachte T.J. [betrokkene1] pag. 2060 en 2061;

- proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming pag. 1061 en 1062;

- proces-verbaal aanhouding verdachte pag. 2070, 2071 en 2072;

- loopproces-verbaal p. 3014;

- proces-verbaal sporenonderzoek, nr. PL27NR/11-041222, in de in wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant G.J.W.M. [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, District Noord-Oost, Brigade Drenthe IJsselstreek, Afdeling Recherche & Informatie, gesloten op 31 augustus 2011, met als bijlage een schriftelijk bescheid te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Institituut van 19 augustus 2011, onder AABY2409NL.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van eind oktober 2010 tot en met 02 juni 2011 in Nederland, alleen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd aan T.J. [betrokkene1] een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2 primair.

hij op 02 juni 2011, in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te verkopen en af te leveren aan M.P. [betrokkene3] en/of T.J. [betrokkene1] (ongeveer) 100 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk met voornoemde [betrokkene1] (een) afspra(a)k(en) heeft gemaakt met betrekking tot de levering van 100 gram cocaïne, en/of waarbij/waarna door die [betrokkene1] ten behoeve van die te leveren cocaïne een geldbedrag, groot ongeveer 2600 euro, aan hem, verdachte, ter beschikking is gesteld en (vervolgens) naar, de plaats van aflevering, te weten Kentucky Fries Chicken (KFC) te Apeldoorn, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feit 2 primair:

Poging tot het misdrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 5 maart 2012;

- een reclasseringsadvies van 14 oktober 2011, opgemaakt door C. Heutinck, betreffende verdachte.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte zijn handelen ziet als een ‘eenmalige domme actie’. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering ziet verdachte als een persoon die in staat moet worden geacht om weer de juiste weg te gaan bewandelen. Geadviseerd wordt verdachte een werkstraf op te leggen.

De militaire kamer overweegt voorts het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee drugsdelicten. Verdachte heeft gedurende een aantal maanden meerdere keren drugs geleverd en verkocht. Dat de verkoop op 2 juni 2011 uiteindelijk bij een poging is gebleven is niet aan verdachtes handelen te danken geweest.

Dit zijn ernstige feiten. Immers het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Daarnaast zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade. Ook levert drugshandel aanzienlijke (imago)schade op voor Defenise; zij hanteert niet voor niets een zogenaamd ‘zero tolerance’ beleid. De militaire kamer rekent verdachte in sterke mate aan dat hij bij zijn handelen slechts oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijke gewin en daarbij geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen van zijn handelen.

In het voordeel van verdachte heeft de militaire kamer meegewogen dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven. Daarbij heeft verdachte blijk gegeven het laakbare van zijn handelen te hebben ingezien. Verdachte is weliswaar ontslagen, hetgeen de militaire kamer ziet als een bestraffend element maar zij is het met de officier van justitie eens dat het zero tolerance beleid binnen Defensie aan verdachte bekend moet zijn geweest zodat zijn ontslag een voor hem voorzienbaar gevolg van zijn handelen is, dat voor zijn eigen rekening komt.

Verdachte heeft inmiddels buiten Defensie een andere baan kunnen vinden.

Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de omstandigheid dat verdachte na één nacht voorarrest op vrije voeten is gesteld, ziet de militaire kamer reden om een andere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De militaire kamer is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een onvoorwaardelijke werkstaf van de maximale omvang (240 uur) en daarnaast een geldboete passend en geboden is. De voorwaardelijke gevangenisstraf is erop gericht om de ernst van de feiten te benadrukken en daarnaast om verdachte in de toekomst te weerhouden dergelijke strafbare feiten te plegen. De op te leggen geldboete van € 2.000,00 acht de militaire kamer passend omdat die verdachte juist treft daar waar de drijfveer tot zijn handelen lag, zijn vermogen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 45, 57 en 91van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet zullen worden ten uitvoer gelegd, ten¬zij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

En tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderd en veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderd en twintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten twee (2) uren, zijnde een (1) dag hechtenis.

En tot

Een betaling van een geldboete van € 2.000 (tweeduizend euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 30 (dertig) dagen vervangende hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. E. de Boer, rechter,

kolonel mr. J. Wiersma, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2012.