Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0968

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
05/701651-11, 05/701502-11, 05/701298-11 en 05/721675-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel en ongewenst vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis

Parketnummers : 05/701651-11, 05/701502-11, 05/701298-11 en 05/721675-11

Data zittingen : 29 december 2011 en 20 maart 2012

Datum uitspraak : 3 april 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

na[verdachte]: [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. B. Molenaar.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Parketnummer 05/701651-11:

1.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Arnhem met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee blikjes Passoa, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Arnhem een beveiliger van de Albert

Heijn te Arnhem heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk in

zijn verhoor dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Als ik hier voor gestraft

wordt, dan moet hij echt uitkijken. Dan zal hij bloed overgeven. Ik pak ze dan

één voor één. Ze moeten dan verhuizen. One day I'm gonna kill many people. Dat

heb ik in Somalië al gedaan.", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

3.

hij op of omstreeks 23 september 2011 te Arnhem,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid L.M. [slachtoffer1] (geboren op [geboortedatum] 1993) heeft gedwongen

tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

opzettelijk ontuchtig vastpakken van de borst(en) van voornoemde [slachtoffer1], en

welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of

andere feitelijkheid bestond uit het onverhoeds vastpakken van de borst(en)

van voornoemde [slachtoffer1];

4.

hij op of omstreeks 23 september 2011 te Arnhem,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid L. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van

ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken van

de borst(en) van voornoemde [slachtoffer2], en welk geweld of andere feitelijkheid

en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het

onverhoeds vastpakken van de borst(en) van voornoemde [slachtoffer2];

Parketnummer 05/701502-11:

hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Arnhem,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid M. [slacht[slachtoffer3]] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken

en/of knijpen in de borst(en) van die [slachtoffer3], en welk geweld of andere

feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid

bestond uit het opzettelijk gewelddadig en/of dreigend onverhoeds en/of

plotsklaps naar die borst(en) grijpen;

Parketnummer 05/701298-11:

hij op of omstreeks 05 juni 2011 te Arnhem,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid M. [sla[naam]er4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig die

[slachtoffer4] (stevig) bij haar borsten vastpakken, en welk geweld of andere

feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid

bestond uit het opzettelijk gewelddadig en/of dreigend die [slachtoffer4]

vastpakken bij haar schouder(s) en/of tegen die [slachtoffer4] gaan staan en/of

(daarna) onverhoeds de borst(en) van die [slachtoffer4] (stevig) vastpakken;

Parketnummer 05/721675-11:

hij op of omstreeks 24 mei 2011 te Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten J.H. [slachtoffer5]), heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzitting van 20 maart 2012 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd::

• L.M. [slachtoffer1]

• L. [slachtoffer2]

L. [slachtoffer2] is tevens ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/701651-11 onder 1, 2, 3 en 4, alsmede het bij parketnummers 05/701502-11, 05/701298-11 en 05/721675-11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij L.M. [slachtoffer1] tot een bedrag van € 300,- toe te wijzen en een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij L. [slachtoffer2] tot een bedrag van € 1.076,46,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.1 Vrijspraak

Parketnummer 05/701651-11

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van bedreiging in de zin van artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De beveiliger in kwestie is niet op de hoogte geraakt van de uitlatingen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Op 22 september 2011 is verdachte door een beveiliger van de Albert Hein in Arnhem (Presikhaaf) vastgepakt en vervolgens aangehouden op verdenking van een winkeldiefstal. Uit het door de verbalisant [verbalisant] op 22 september 2011 opgemaakte, gesloten en ondertekende

proces-verbaal van verhoor blijkt dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft gesproken: “Als ik hiervoor gestraft wordt dan moet hij (rechtbank: de beveiliger) echt uitkijken. Dan zal hij bloed overgeven. Ik pak ze dan één voor één. Ze moeten dan verhuizen. One day I’m gonna kill many people. Dat heb ik in Somalië al gedaan.”.

Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat de beveiliger daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van deze bedreiging, hetgeen voor een bewezenverklaring van dit feit wel is vereist. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit feit.

Parketnummer 05/721675-11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs, nu sprake is van tegenstrijdige getuigenverklaringen waarbij de getuigen bovendien spreken van een duw.

Het oordeel van de rechtbank

Aangever J.H. [slachtoffer5] heeft verklaard dat verdachte hem een klap in het gezicht heeft gegeven, nadat [slachtoffer5] bier in het gezicht van verdachte had gesprenkeld, terwijl hij lag te slapen. Verdachte ontkent echter [slachtoffer5] te hebben geslagen en verklaart [slachtoffer5] slechts geduwd te hebben, hetgeen wordt bevestigd door getuige B.P. [getuige1]. Nu de verklaring van [slachtoffer5] geen steun vindt in enige andere verklaring in het dossier acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en zal zij verdachte hiervan vrijspreken.

3.2 Bewezenverklaring

Parketnummer 05/701651-11

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld.

Op 22 september 2011 bevond verdachte zich in de Albert Heijn te Arnhem (Presikhaaf). Verdachte had twee blikjes Passoa gepakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter zitting ontkend twee blikjes Passoa te hebben gestolen. Daartoe geeft hij aan dat hij nog niet langs de kassa was gelopen met de blikjes toen een caissière vroeg of hij “iets” had. Zijn verklaringen bij de politie zouden onjuist zijn opgenomen in het proces-verbaal van verhoor.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster R.E.F. [naam] heeft het volgende verklaard:

“Persoon (rechtbank: verdachte) (…) twee blikjes Passoa in zijn zak stopt en vervolgens langs de kassa loopt naar buiten, achter de kassa’s aangehouden.”

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie het volgende verklaard:

“Ik heb toen maar twee blikjes Passoa gepakt uit het schap en ben daarmee naar de kassa’s gelopen. (…) Ik ben met de twee blikjes in mijn hand langs de kassa gelopen. Ik hoorde dat de kassiere vroeg: “heb je niets?” Ik zei toen: “Nee”. Ik ben toen doorgelopen.”

De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte dat zijn verklaringen tegenover de politie onjuist zijn opgenomen in het proces-verbaal van verhoor. Verdachte heeft op 22 september 2011 uitgebreide verklaringen tegenover de politie afgelegd, welke zijn opgenomen in het door verdachte ondertekende door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie Gelderland-Midden ambtsedig opgemaakte proces-verbaal. De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud hiervan te twijfelen. De enkele verklaring van verdachte dat hetgeen is opgenomen in proces-verbaal onjuist is, acht de rechtbank een onvoldoende toereikende weerlegging.

Gelet op vorenstaande verklaringen in samenhang beschouwd en in samenhang met hetgeen onder ‘de feiten’ reeds is vastgesteld, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee blikjes Passoa heeft gestolen.

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op 23 september 2011 is verdachte met aangeefster, L.M. [slachtoffer1], mee naar haar huis (Hovenierstraat 30 te Arnhem) gelopen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij aangeefster bij de borst heeft vastgepakt en dat hij bij haar in huis is geweest.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Verdachte heeft weliswaar verklaard daar te zijn geweest, maar er is onvoldoende bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De getuige heeft de gestelde aanranding niet waargenomen. Evenmin is sprake van een “modus operandi”. De overige tenlastegelegde aanrandingen hebben op verschillende plaatsen in Arnhem plaatsgevonden. De andere zaken kunnen derhalve niet bijdragen als bewijsmiddel in deze zaak.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster L.M. [slachtoffer1] heeft het volgende verklaard:

“Ik was net bezig om de deur open te maken. Ik draaide mij om en zag de man (rechtbank: verdachte) toen. Hij zei tegen mij iets van: “Voor honderd euro seks”. Hij zei toen in het Engels: “For 100 euro you do things with me.” Ik zei: “Nee”. Hij greep mij toen hard bij mijn linker borst. Ik ben gelijk gaan gillen en naar binnen gerend. Daarna kwam hij achter mij aan naar binnen. Omdat ik zo gilde heeft (getuige2) (rechtbank: getuige N. [getuige2]) mij gehoord. Hij kwam zijn kamer uit en zag toen dat die neger in de gang stond.”

De getuige N. [getuige2] heeft het volgende verklaard:

“Ik hoorde mensen binnen komen. Een paar seconden later hoorde ik iemand de trap op rennen en die begon te gillen. Ik kwam mijn kamer uit en liep tegen een man op. Ze (rechtbank: aangeefster) vertelde dat de man kort achter haar aan liep. Dat hij haar in gebrekkig Nederlands en half Engels vroeg of hij voor 100 euro iets met haar mocht doen. Hij liep toen achter haar aan en bij ons huis pakte hij haar vast bij haar borst.”

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de verklaring van de getuige [getuige2] blijkt dat aangeefster tegenover hem exact dezelfde verklaring heeft afgelegd als de verklaring die zij heeft afgelegd bij haar aangifte. Gelet op de consistente verklaringen van aangeefster in samenhang met hetgeen onder ‘de feiten’ reeds is vastgesteld, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar onverhoeds bij haar borst vast te pakken en verwerpt derhalve het verweer.

Ten aanzien van feit 4

De feiten

Op 23 september 2011 liepen verdachte en aangeefster, L. [slachtoffer2], rond 9.45 uur in de omgeving van het NS-station Velperpoort te Arnhem.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij aangeefster bij de borst heeft vastgepakt.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit, omdat de bewijsvoering ondeugdelijk is. Uit de dossierstukken blijkt dat verdachte later die dag (23 september 2011) samen met nog een negroïde man en een blanke man zittend op een bankje is aangetroffen door de politie. Niet duidelijk is welke van de twee negroïde mannen is herkend als de belager van aangeefster.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster L. [slachtoffer2] heeft het volgende verklaard:

“Op datzelfde moment raakte hij met zijn hand mijn rechter borst aan. Ik zag dat hij zijn hand in de richting van mijn rechter borst uitstak en vol mijn borst pakte. Ik voelde dat hij in mijn borst kneep. Het was een man met een zwarte huidskleur. Hij had kort haar. Hij had krullend haar. Hij was iets langer dan ik, dus tussen de 1.75 en 1.80 meter groot. Hij droeg een bredere jas. Een zwarte jas tot halverwege zijn kont. De jas had een capuchon met bontrand eraan. Ik zag hem toen (rechtbank: 23 september 2011 rond 12.12 uur) bij het Musis Sacrum op een bankje zitten. Ik heb goed gekeken en zag dat hij dezelfde jas aan had en verder leek hij op hem. Hij had ook een rood t-shirt aan net als in de ochtend. Ik heb toen de politie weer gebeld. Ik ben er toen heen gegaan en ik zag dat de door mij bedoelde man met nog een negroïde man en een blanke man op een bankje zaten en dat de andere negroïde man door twee politieagenten aangesproken werd. Dit alles speelde zich af bij Bistro Piaff.”

In een mutatie rapport van de politie van 23 september 2011 te 12.27 uur is het volgende gemuteerd:

“thv Bistro Piaff op een bankje zit de verwarde man die vanmorgen op station Velperpoort lastig was. Meldster herkende hem. Donkere man, rood T-shirt. Betrof te gaan om [verdachte] (rechtbank: verdachte).”

Gelet hierop, alsmede de omstandigheid dat dit feit en het onder 3 tenlastegelegde feit op dezelfde dag hebben plaatsgevonden in de omgeving van het NS-station Velperpoort en beide aangeefsters gelijkluidend hebben verklaard over de gehanteerde “modus operandi”, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar onverhoeds bij haar borst vast te pakken en verwerpt derhalve het verweer.

Parketnummer 05/701502-11

De feiten

Op 30 augustus 2011 rond 8.30 bevonden verdachte een aangeefster M. [slachtoffer3], zich in de Pauwstraat te Arnhem. Verdachte heeft [slachtoffer3] aangesproken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij aangeefster bij de borst heeft vastgehouden. Hij heeft haar ook niet aangeraakt. Hij heeft alleen aan haar gevraagd of hij haar telefoon mocht gebruiken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verklaring van aangeefster wordt niet ondersteund door de camerabeelden, want op de camerabeelden is niets te zien. De ontmoeting tussen verdachte en aangeefster was niet in de buurt van het NS-station Velperpoort te Arnhem, zodat ook niet gesproken kan worden van een “modus operandi”.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster M. [slachtoffer3] heeft het volgende verklaard:

“Ik zag en voelde dat die man met zijn andere vrije hand in mijn linkerborst greep. Ik voelde dat die man in mijn borst kneep. Hij maakte wel een draai beweging toen hij mijn borst vast had. Ik begon te schreeuwen.”

De getuige, W.E.J. [getuige3], heeft het volgende verklaard:

“Ik hoorde een vrouw (rechtbank: aangeefster) hard gillen. Ik zag een meisje rennen ter hoogte van de Pauwstraat. Ik zag dat er bij het meisje een man liep. Ik zag dat het meisje op een gegeven moment ging zitten. Ik vernam dat het meisje bij haar borsten was gegrepen door de man.

Verbalisant M. van [verbalisant] heeft camerabeelden bekeken en heeft het volgende opgenomen in het proces-verbaal van het dossier:

“Gelijk hierop stapt de verdachte naar voren en spreidt zijn beide armen en gaat met zijn armen om het bovenlichaam van [slachtoffer3] heen. Na korte tijd komt ze weer in beeld en rent vanaf de Pauwstraat terug in de richting van de Weverstraat, ter hoogte van de winkel De Slegte gaat zij op de grond tegen een winkelgevel zitten.”

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster M. [slachtoffer3] wordt ondersteund door de camerabeelden, waarop te zien is dat verdachte aangeefster wel degelijk heeft aangeraakt, en door de verklaring van de getuige W.E.J. [getuige3], die aangeefster heeft horen gillen. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar onverhoeds bij haar borst vast te pakken en hierin te knijpen en verwerpt derhalve het verweer.

Parketnummer 05/701298-11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij zich op zondag 5 juni 2011 tussen 5.00 en 6.00 uur op de Apeldoornseweg te Arnhem bevond en aangeefster bij de borst heeft vastgepakt. Verdachte geeft aan dat hij op dat moment bij zijn vriendin[naam] verbleef.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft een alibi. Bovendien is pas op 9 juni 2011 aangifte gedaan van een feit dat op 5 juni 2011 zou zijn gepleegd.

De beoordeling van de rechtbank

De aangeefster M. [slachtoffer4] heeft op 9 juni 2011 het volgende verklaard:

“Tussen zondag 5 juni 2011 te 05.02 uur en zondag 5 juni 2011 te 05.57 uur werd op de Apeldoornseweg te Arnhem, het in de aanhef vermelde feit gepleegd. Op het moment dat ik overstak zag ik bij de deur van de bioscoop een man staan. Toen ik eenmaal de straat overstak keek ik achterom en zag ik dat de man achter mij aan kwam lopen. Ik weet niet hoe het gebeurde maar ineens voelde ik dat hij mij met zijn beide handen stevig bij mijn borsten vastpakt. Hij hield mij continue stevig vast bij mijn borsten. (rechtbank: op vragen van de verbalisant om de man te omschrijven) Ik denk ongeveer 1.70 meter. Ik vermoedde Somalisch. Onverzorgd uiterlijk. Hij had kort zwart haar. Mogelijk had hij de capuchon op. Licht beige jas tot halverwege zijn bovenbenen met een capuchon.”

De getuige V. [getuige4] heeft het volgende verklaard:

“Ik draaide mijn raam open en hoorde dat het meisje (rechtbank: aangeefster) ‘help, help’ riep. Ik hoorde dat het meisje zei: ‘hij heeft me gepakt, hij heeft me aangerand’. Ik zag dat ze naar een man wees die op straat liep. Hij was de enige die op dat moment op straat liep. Zij vertelde dat de man haar vastgepakt had en betast had. Ik zag dat ze hierbij naar haar borsten wees. (rechtbank: op vragen van de verbalisant hoe ‘die man’ eruit zag) Het was een donkere man. Hij droeg een beige/bruine jas tot over zijn kont. Hij had een capuchon.”

De aangeefster M. [slachtoffer4] heeft op 12 juni 2011 het volgende verklaard:

“Ik ging (rechtbank: op 12 juni 2011) om 16.30 uur de deur uit. Op het moment dat ik bijna op de hoek loop zie ik een man van rechts aan komen lopen vanaf de Hommelstraat. Ik dacht alleen maar: “Dat is hem, 100 procent zeker.” Hij had een licht beige jas aan tot halverwege de bovenbenen. Hij had daar een capuchon over heen die volgens mij van zijn donkergrijze trui was die hij onder de jas aan had.”

Aangeefster heeft hierop de politie gebeld. Verbalisanten [verbalisanten] zijn vervolgens ter plaatse gegaan en zagen een man (rechtbank: verdachte) lopen die aan het signalement voldeed. Hierop hebben zij verdachte staande gehouden en is door aangeefster bevestigd dat hij de man was die haar op 5 juni 2011 had aangerand.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster M. [slachtoffer4] wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige4] die aangeefster direct na de aanranding in haar auto had gelaten nadat aangeefster om hulp had geroepen. Voorts heeft aangeefster een week later de man die haar heeft aangerand op straat herkend en de politie gebeld. De man voldeed aan het door haar opgegeven signalement en ze heeft verklaard 100 procent zeker te zijn dat het dezelfde man was. Deze man bleek verdachte te zijn. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar onverhoeds bij haar borst vast te pakken.

Het verweer van verdachte dat hij op 5 juni 2011 bij [naam] verbleef wordt door de rechtbank verworpen. [naam] heeft op 14 juni 2011 desgevraagd ‘slechts’ verklaard verdachte twee weken geleden voor het laatst te hebben gezien. Dit is onvoldoende specifiek om een alibi aan te kunnen ontlenen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/701651-11 onder 1, 3 en 4 alsmede het bij parketnummers 05/701502-11 en 05/701298-11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 22 september 2011 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee blikjes Passoa, toebehorende aan Albert Heijn;

3.

hij op 23 september 2011 te Arnhem, door een andere feitelijkheid L.M. [slachtoffer1] (geboren op [geboortedatum] 1993) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

opzettelijk ontuchtig vastpakken van de borst van voornoemde [slachtoffer1], en welk andere feitelijkheid bestond uit het onverhoeds vastpakken van de borst van voornoemde [slachtoffer1];

4.

hij op 23 september 2011 te Arnhem, door een andere feitelijkheid L. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken van de borst van voornoemde [slachtoffer2], en welk andere feitelijkheid bestond uit het

onverhoeds vastpakken van de borst van voornoemde [slachtoffer2];

Parketnummer 05/701502-11:

hij op 30 augustus 2011 te Arnhem, door een andere feitelijkheid M. [slachtoffer3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken

in de borst van die [slachtoffer3], en welk andere feitelijkheid bestond uit het opzettelijk onverhoeds naar die borst grijpen;

Parketnummer 05/701298-11:

hij op 05 juni 2011 te Arnhem, door een andere feitelijkheid M. [slachtoffer4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig die

[slachtoffer4] (stevig) bij haar borsten vastpakken, en welk feitelijkheid bestond uit het opzettelijk onverhoeds de borst van die [slachtoffer4] (stevig) vastpakken;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 parketnummer 05/701651-11:

Diefstal

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 van parketnummer 05/701651-11 en de parketnummers 05/701502-11, 05/701298-11, telkens:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 28 februari 2012 en

• een Reclasseringsadvies, gedateerd 18 november 2011, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en een viertal aanrandingen. Verdachte heeft de slachtoffers van de aanrandingen op straat gevolgd en heeft hen onverhoeds bij de borsten vastgepakt. Verdachte heeft daarmee grensoverschrijdend en uiterst laakbaar gedrag vertoond. Door aldus te handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit en de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van L.M. [slachtoffer1] en L. [slachtoffer2] blijkt dat zij nu angstig zijn en last hebben van gevoelens van onveiligheid op straat.

De rechtbank heeft moeten vaststellen dat verdachte op geen moment blijk heeft gegeven inzicht te hebben in het verwerpelijke van zijn handelwijze. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en ontkent de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen te hebben gepleegd.

Verdachte, 30 jaar oud, is reeds meerdere malen onherroepelijk veroordeeld ter zake van vermogensdelicten en misdrijven tegen de openbare orde. Ook is verdachte reeds eerder veroordeeld ter zake van een aanranding. Verdachte heeft thans 18 pagina’s aan justitiële documentatie. Het plegen van strafbare feiten bezorgt de samenleving als geheel, en degenen die slachtoffer worden van verdachtes gedrag in het bijzonder, ernstige overlast.

Gelet hierop, alsmede het advies van de reclassering, heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Alle omstandigheden afwegend is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de ISD-maatregel niet passend is. De veiligheid van de maatschappij zou weliswaar bij de oplegging van de ISD-maatregel gebaat zijn, maar de oplegging van de ISD-maatregel is niet zinvol door een omstandigheid die buiten de macht van verdachte ligt. Verdachte heeft geen rechtsgeldige verblijfstitel en is bovendien ongewenst vreemdeling verklaard. In zo’n geval is het vast beleid van justitie om geen inhoudelijke invulling te geven aan de ISD-maatregel. In dat geval heeft het opleggen van de ISD-maatregel geen meerwaarde ten opzichte van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidstraf.

Daar komt bij dat teneinde het recidiverisico te beheersen/beperken begeleiding en een gecontroleerde en geleidelijke terugkeer van verdachte in de samenleving van belang is. Dit is echter door de ongewenstverklaring van verdachte niet mogelijk. Hierdoor ontbreekt elk perspectief op een snelle invulling van de maatregel, terwijl dit niet aan verdachte te wijten is.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de ISD-maatregel niet bedoeld is om problematiek op het gebied van het vreemdelingenrecht op te lossen, dan wel een bijdrage te leveren aan het uitzettingsbeleid. Het opleggen van de ISD-maatregel om verdachte voor te bereiden op terugkeer naar zijn land van herkomst kan dan ook niet een doel op zich zijn.

Gelet op de ernst van de feiten en het feit dat verdachte reeds vaker is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

• De benadeelde partij L.M. [slachtoffer1] vordert een bedrag van € 1.293,-. Dit bedrag bestaat uit een voorschot op de immateriële schade ten bedrage van € 1.000,-, materiële schade ten bedrage van € 168,- en € 125,- aan kosten rechtsbijstand.

• De benadeelde partij L. [slachtoffer2] vordert een bedrag van € 1.076,46. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ten bedrage van € 300,- en materiële schade ten bedrage van € 776,46.

L.M. [slachtoffer1]

Immateriële schade

De rechtbank acht voldoende bewezen dat zij door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 300,- aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat een nader onderzoek van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Materiële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen.

Kosten rechtsbijstand

De benadeelde partij verzoekt tevens om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, begroot op een bedrag van € 125,-.

Kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding, komen op de voet van artikel 6:96 BW ook voor vergoeding in aanmerking. Voor wat betreft de omvang van deze kosten hanteert de rechtbank het kantonliquidatietarief. Gelet op de hoofdsom worden deze kosten tot op heden begroot op een bedrag van € 125,-, gelijk aan het gevorderde bedrag. Voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel blijven de kosten rechtsbijstand buiten beschouwing.

L. [slachtoffer2]

Immateriële schade

De rechtbank acht voldoende bewezen dat zij door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade op zijn plaats is. De rechtbank is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 300,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

Materiële schade

Voorts acht de rechtbank voldoende bewezen dat de benadeelde partij door hetgeen haar is aangedaan materiële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank zal dan ook het bedrag van € 61,90 aan materiële schade bestaande uit reiskosten toewijzen aan de benadeelde partij.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering bestaande uit therapiekosten, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadepost zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 23 september 2011.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 246 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/701651-11 onder 2 tenlastegelegde feit en het onder parketnummer 05/721675-11 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij L.M. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan L.M. [slachtoffer1], te betalen € 300,-

(driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 125,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer L.M. [slachtoffer1], te betalen € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij L. [slachtoffer2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan L. [slachtoffer2], te betalen € 361,90

(driehonderd eenenzestig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 361,90, subsidiair 7 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer L. [slachtoffer2], te betalen € 361,90 (driehonderd eenenzestig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 (zeven) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. C. van Linschoten, als voorzitter,

mr. H.P.M. Kester-Bik , rechter,

mr. G.J.M. van Wijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. J.H.J. Baarsma en M.B. Wichman, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2012.