Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0692

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
803848 - VV EXPL 12-20016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering tot doorbetaling en wedertewerkstelling na een ontslag op staande voet. Dringende reden komt in kort geding niet vast te staan. Vorderingen worden toegewezen met dien verstande dat de vordering tot weder te werkstelling slechts geexecuteerd kan worden als de werkgever het ontbindingsverzoek dat gelijktijdig is behandeld en wordt toegwezen onder toekenning van een vergoeding, intrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 803848 \ VV EXPL 12-20016 \ MB/364

uitspraak van 30 maart 2012

vonnis in kort geding

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. G.J. Gerrits

toevoeging [nummer]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Meteoor N.V.

gevestigd te Rheden

gedaagde partij

gemachtigde mr. D.J.A. Vesters

Partijen worden hierna [werknemer] en De Meteoor genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 maart 2012 met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 16 maart 2012.

1.2. Gelijktijdig aan de mondelinge behandeling in deze procedure heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het door De Meteoor ingediende verzoekschrift waarin de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht voor zover deze niet reeds door ontslag op staande voet op 9 februari 2012 is geëindigd. In deze verzoekschriftprocedure wordt eveneens vandaag een beslissing gegeven.

2. De feiten

2.1. Op 1 oktober 1998 is [werknemer] in dienst getreden bij De Meteoor, inmiddels voor onbepaalde tijd, tegen een salaris van thans € 2.089,85 bruto exclusief 8% vakantietoeslag.

[werknemer] heeft op dit moment ouderschapsverlof en werkt parttime tegen een salaris van

€ 1.671,88 bruto exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2. [werknemer] is in dienst getreden als productie medewerker A en werkt inmiddels als productiemedewerker C. In de functieomschrijving van de productiemedewerker C is onder meer opgenomen;

Inspecteren van productiemachines a.d.h.v. checklisten. Verrichten van 1e lijns onderhoud, zoals vervangen van slijtdelen en filters en verrichten van smeerwerkzaamheden.

(…) Begeleiden en inwerken van medewerkers A/B. Waarnemen van de meewerkend voorman bij eventuele afwezigheid v.w.b. de lopende gang van zaken.

2.3. Op 11 november 2011 heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Bij hem is de ziekte van Pfeiffer geconstateerd. In de week van 6 februari 2012 zou [werknemer] weer 4x4 uur werken. De bedoeling was de werkzaamheden in de daarop volgende weken telkens met een uur per dag uit te breiden, zodanig dat [werknemer] in de week van 5 maart 2012 weer volledig arbeidsgeschikt zou zijn.

2.4. Op 6 februari 2012 heeft de heer [X] (hoofd techniek en logistiek) (hierna “[X]”) geconstateerd dat in de auto van [werknemer] een slijptol en een compressor van De Meteoor lagen. [X] heeft [werknemer] daarop aangesproken. Tussen partijen heeft zich vervolgens een gesprek ontwikkeld dat ertoe heeft geleid dat [X] heeft aangegeven de politie te willen bellen waarop [werknemer] is weggereden. [X] heeft daarop de politie gewaarschuwd die [werknemer] vervolgens heeft aangehouden en meegenomen naar het bureau.

2.5. Bij brief van 7 februari 2012 heeft De Meteoor [werknemer] uitgenodigd voor een gesprek om zijn “kant van het verhaal te doen”. Dat gesprek heeft op 9 februari 2012 plaatsgevonden. De Meteoor heeft een verslag van het gesprek gemaakt en overgelegd in de procedure. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

Er stond een oude vieze compressor bij de container. De heer [werknemer] wilde deze lenen en de volgende dag terugbrengen. Hij verwachtte niet dat de compressor het deed en wilde eigenlijk een slijptol lenen. De heer [werknemer] heeft de compressor, nadat hij hem bij de roldeur had klaargelegd, opgehaald en ging een fles terpentine halen omdat zijn auto niet startte. (...) Omdat er niemand was heeft hij de compressor ingeladen met de intentie deze terug te brengen als iemand hem nodig had. Nadat hij hem in de auto gelegd had werd hij door de heer [X] (…) staande gehouden. De heer [werknemer] heeft aan de heer [X] uitgelegd dat hij de slijptol en compressor wilde lenen. De heer [X] heeft direct de politie gebeld. De heer [werknemer] geeft aan dat hij daardoor emotioneel werd. Hij heeft nooit problemen gehad met lenen.

Op de vraag van [de heer Y] (directeur De Meteoor-ktr) waarom hij weggereden is, antwoordt De heer [werknemer] dat hij de compressor en slijptol uit de auto wilde zetten. Dit mocht niet van [voornaam X]. De heer [werknemer] werd hierop kwaad en is weggereden.

(…)

[de heer Y] deelt mede dat hij beseft dat dit geen leuke situatie is. Hij blijft echter bij zijn standpunt dat dit voor De Meteoor niet acceptabel is en dat Meteoor m.i.v. vandaag overgaat tot ontslag op staande voet. (…)

Op de vraag van de heer [werknemer] wat de reden voor ontslag op staande voet is, antwoorden [de heer Y] en mw. [Z] dat dit het meenemen van spullen zonder toestemming is en het wegrijden na de aanhouding is. De intentie wordt niet veroordeeld.

2.6. Bij brief van 10 februari 2012 heeft De Meteoor het ontslag op staande voet bevestigd.

De Meteoor schrijft onder meer :

… dat ook niet wordt gesteld dat sprake is van diefstal, maar wel dat dit gedrag onacceptabel is.

2.7. Bij brief van 14 februari 2012 heeft de gemachtigde van [werknemer] het ontslag vernietigd en De Meteoor gesommeerd tot doorbetaling van loon en wedertewerkstelling. De Meteoor heeft aan deze sommaties geen gehoor gegeven.

3. De vordering en het verweer

3.1. [werknemer] vordert – na wijziging van eis bij gelegenheid van de mondelinge behandeling – en kort gezegd veroordeling van De Meteoor tot:

(1) de betaling aan [werknemer] van het hem rechtens toekomende loon van (thans) € 1.671,88 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag over de periode vanaf 9 februari 2012 tot het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

(2) de wedertewerkstelling van [werknemer] in de functie van productiemedewerker C, dan wel een andere passende functie, binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 209,00 per dag of gedeelte daarvan dat De Meteoor daarmee in gebreke blijft;

(3) de betaling van de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen, vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan dat van algehele voldoening;

(4) de betaling van de kosten van deze procedure.

3.2. De Meteoor voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant voor de beoordeling, in gegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2. [werknemer] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gebeurtenissen op 6 februari 2012 niet kwalificeren als een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW, [werknemer] dus terecht een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging, de arbeidsovereenkomst daarmee nog voortduurt en De Meteoor dus gehouden is tot nakoming van de daaruit voor haar voortvloeiende verplichtingen.

4.3. De kantonrechter – voorshands oordelend – overweegt als volgt.

De Meteoor baseert het ontslag op staande voet in de schriftelijke vastlegging van het gesprek op 9 februari 2012 waarin het ontslag op staande voet is verleend, en in de bevestiging daarvan bij brief van 10 februari 2012 niet op diefstal. Het ontslag is blijkens de ontslagbrief gebaseerd op het feit dat [werknemer] spullen van De Meteoor heeft geleend zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gevraagd. In het verzoekschrift voor de ontbinding en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dat verzoek en in dit kort geding heeft De Meteoor die grondslag genuanceerd. Zij stelt daarin (punt 7.5 verzoekschrift) dat de stelling dat sprake is van het enkel lenen van de compressor, slijptol en koper “volstrekt ongeloofwaardig” is. Voor zover De Meteoor heeft willen stellen dat sprake is van diefstal en dat dat de reden is voor het ontslag, gaat de kantonrechter aan die stelling voorbij. De reden van het ontslag dient onverwijld meegedeeld te worden zodat aan verwijten die later zijn gemaakt, die stellen of suggereren dat sprake is van diefstal, geen betekenis toekomt.

4.4. Dat geldt ook voor de gebeurtenissen die volgens De Meteoor vooraf zijn gegaan aan het incident op 6 februari 2012. De Meteoor heeft aangevoerd dat zij al eerder berichten had ontvangen van medewerkers dat [werknemer] spullen die toebehoorden aan De Meteoor meenam naar huis. De Meteoor heeft aangegeven dat zij van plan was om camera’s op te hangen om [werknemer] te kunnen controleren maar dat zij, voordat zij tot uitvoering van dat plan kon overgaan, is ingehaald door het incident op 6 februari 2012. [werknemer] heeft betwist dat van eerder meenemen zonder toestemming sprake is geweest. Die vermoedens zijn niet onverwijld aangevoerd als reden voor het ontslag, zodat daaraan voor de beoordeling van de vorderingen in deze procedure geen betekenis toekomt.

4.5. [werknemer] heeft niet betwist dat hij een compressor en een slijptol heeft geleend. Hij heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ook bevestigd dat van lenen alleen sprake kan zijn met toestemming van De Meteoor en dat die toestemming in dit geval ontbrak. Daarmee staat vast dat [werknemer] niet conform de voorschriften heeft gehandeld. De vraag rijst of deze omstandigheid van zodanig belang is dat deze een dringende reden oplevert. Daarbij spelen diverse omstandigheden een rol.

4.6. De Meteoor heeft aangevoerd dat het bij uitzondering is dat zij toestemming geeft om spullen te lenen. [werknemer] heeft dat niet betwist. Hij heeft zelf aangegeven een keer of 3 á 6 spullen te hebben geleend van De Meteoor. Nu hij inmiddels 13 jaar in dienst is, past dat in het door De Meteoor geschetste beeld dat zelden wordt uitgeleend.

4.7. De Meteoor heeft aangevoerd dat zij gebruik maakt van een leenprotocol en dat een leenformulier moet worden ingevuld. [werknemer] heeft gemotiveerd betwist dat dat protocol onderdeel uitmaakt van zijn arbeidsovereenkomst of van de reglementen waaraan hij gebonden is. Hij stelt dat protocol ook niet te kennen. Voor de kantonrechter komt niet voldoende vast te staan dat [werknemer] het leenprotocol kende of behoorde te kennen, laat staan dat hij daaraan gebonden was. Aan het ontbreken van een ingevuld leenformulier komt daarmee geen betekenis toe.

4.8. [werknemer] heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij geen toestemming heeft gevraagd, anders dan de mededeling dat hij niemand zag aan wie hij toestemming kon vragen. Dat hij moeite heeft gedaan om de noodzakelijke toestemming te krijgen of dat hij door omstandigheden geen gelegenheid had om die toestemming te vragen, is gesteld noch gebleken.

4.9. De Meteoor heeft aangevoerd dat van [werknemer] in zijn positie, productiemedewerker C waarin hij een zekere voorbeeldfunctie zou hebben, te meer verwacht zou mogen worden dat hij zich aan de regels hield. [werknemer] heeft die gestelde voorbeeldfunctie betwist. Voor de kantonrechter is aan de hand van de functieomschrijving niet duidelijk geworden dat [werknemer] inderdaad een dergelijke voorbeeldfunctie had. De functieomschrijving biedt daarvoor te weinig aanknopingspunten terwijl een beschrijving van de rol en werkzaamheden van [werknemer] in de praktijk niet tot een ander oordeel leidt. Van een verzwarende omstandigheid zoals door De Meteoor bepleit, is dan ook geen sprake.

4.10. Hoewel het lenen zonder toestemming dus in strijd met de voorschriften is en [werknemer] zich dat realiseerde, ziet de kantonrechter daarin op zich onvoldoende rechtvaardiging voor de reactie die daarop gevolgd is van De Meteoor. Een minder vergaande maatregel, bijvoorbeeld een stevige waarschuwing zou meer op zijn plaats zijn geweest. De kantonrechter kent betekenis toe aan het feit dat [werknemer] toen hij door [X] werd aangehouden zonder deugdelijk verklaring is weggereden. Echter, aangezien zij in hetgeen De Meteoor heeft aangevoerd voor de reden om hem staande te houden onvoldoende steun ziet voor het gewicht dat De Meteoor heeft toegekend aan de gebeurtenissen, kan aan het zomaar wegrijden evenmin de betekenis toegekend worden die De Meteoor daaraan wil geven.

4.11. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de gebeurtenissen op 6 februari 2012, onvoldoende grond opleveren voor een dringende reden. Dat geldt temeer indien die gebeurtenissen afgezet worden tegen het feit dat niet gebleken is dat het functioneren van [werknemer] eerder onderwerp van gesprek tussen partijen is geweest. Dat betekent dat het beroep op de vernietigbaarheid van dat ontslag met recht is gedaan en dat de vordering tot doorbetaling van loon zal worden toegewezen.

4.12. De kantonrechter is tevens van oordeel dat [werknemer] in de gebeurtenissen, lenen zonder toestemming en in plaats van het geven van een deugdelijke verklaring wegrijden met de auto, niet heeft gehandeld zoals dat van een zorgvuldig handelend werknemer verwacht mag worden en ziet daarin aanleiding om de vordering ter zake van de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De vordering ter zake van de wettelijke rente zal als onbetwist worden toegewezen.

4.13. Voor de vordering tot weder te werkstelling geldt het volgende. In de ontbindingsprocedure, waarin eveneens vandaag uitspraak wordt gedaan, wordt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken. Bij ontbinding van de overeenkomst heeft [werknemer] bij zijn vordering tot weder te werkstelling geen belang. Echter, indien De Meteoor het ontbindingsverzoek intrekt, waartoe haar de gelegenheid wordt geboden omdat aan [werknemer] een vergoeding wordt toegekend, heeft [werknemer] wel belang bij zijn vordering tot weder te werkstelling. Daarom zal deze vordering worden toegewezen zoals hierna bepaald, waarbij de aan de veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.14. De Meteoor wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de door [werknemer] voor deze procedure gemaakte kosten. Waar sprake is van een gecombineerde behandeling van het kort geding en het ontbindingsverzoek, rekent de kantonrechter voor de mondelinge behandeling 0,5 punt.

5. De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt De Meteoor tot betaling aan [werknemer] van het hem rechtens toekomende loon van € 1.671,88 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag over de periode vanaf 9 februari 2012 tot het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de gevorderde bedragen, vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan dat van algehele voldoening;

5.2. veroordeelt De Meteoor tot wedertewerkstelling van [werknemer] in de functie van productiemedewerker C, dan wel een andere passende functie, binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 209,00 per dag of gedeelte daarvan dat De Meteoor daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00, met dien verstande dat deze veroordeling eerst ten uitvoer kan worden gelegd indien De Meteoor haar ontbindingsverzoekschrift aanhangig onder nummer 806597 HA VERZ 12-1062 intrekt;

5.3. veroordeelt De Meteoor in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [werknemer] begroot op € 466,62 in totaal en bepaalt dat De Meteoor van dat bedrag aan het door [werknemer] betaalde griffierecht van € 73,00 en het salaris gemachtigde van € 300,00 moet betalen aan de gemachtigde van [werknemer] en de explootkosten van € 93,62 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarvoor een nota wordt toegestuurd;

5.4. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.