Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0626

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
05-701583-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 18-jarige inwoner van Amersfoort veroordeeld tot het volgen van een leerstraf seksualiteit gedurende 44 uur, en zij heeft hem daarnaast een voorwaardelijke werkstraf van 100 uur opgelegd. De rechtbank heeft, gelet op de leeftijd en persoonlijkheid van de man, het jeugdstrafrecht toegepast. De rechtbank acht bewezen dat de man één meisje heeft aangerand (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en dat hij bij drie anderen pogingen daartoe heeft gedaan. De rechtbank acht noodzakelijk dat de man onder toezicht komt van de jeugdreclassering en dat hij een behandeling ondergaat. Ook moet hij een schadevergoeding aan één van de slachtoffers betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701583-11

Datum zitting : 19 maart 2012

Datum uitspraak : 2 april 2012

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. J. Schram.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 te Barneveld,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken

van de borst(en) van die [slachtoffer], en welk geweld of andere feitelijkheid

en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het

opzettelijk gewelddadig en/of dreigend (op de fiets) volgen van die [slachtoffer]

en/of onverhoeds haar borst vastpakken en/of (vervolgens) zijn, verdachtes,

fiets voor de fiets van die [slachtoffer] plaatsen en/of die [slachtoffer] (wederom)

vastpakken bij haar borst(streek) en/of (daarna) (onder haar kleding)

vastpakken van de borst van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 te Barneveld,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere

feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer2] te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

opzettelijk die [slachtoffer2] heeft gevolgd en/of tegengehouden en/of heeft

gezegd "Stop eens", in elk geval woorden van gelijke aard of strekking, en/of

(aan) haar schouder heeft getrokken en/of vastgehouden en/of (terwijl

verdachte voor die [slachtoffer2] stond) zijn, verdachtes, broek naar beneden

heeft gedaan en/of zijn, verdachtes, penis heeft vastgepakt en/of aan zijn

penis heeft getrokken en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, hand in de richting

van de borst(en) van die [slachtoffer2] heeft gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 te Barneveld,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere

feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] te dwingen tot het plegen en/of dulden van

ontuchtige handelingen,

opzettelijk die [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] (op de fiets) heeft gevolgd en/of

tegen die [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] heeft gezegd "Wil je neuken" en/of "Wil je

iets uitdoen", in elk geval woorden van gelijke aard of strekking, en/of

(daarbij) zijn, verdachtes hand in zijn broek heeft gehouden en/of

(daarmee/daarin) op- en neergaande bewegingen heeft gemaakt en/of de

bagagedrager van de fiets van die [slachtoffer3] heeft vastgepakt (om die [slachtoffer3]

tot stoppen te dwingen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Barneveld,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere

feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer5]

te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

opzettelijk (op de fiets) die [slachtoffer5] heeft gevolgd en/of die [slachtoffer5] bij haar

onderarm heeft vastgepakt en/of (daarbij) de woorden: "kom mee, kom mee", in

elk geval woorden van gelijke aard of strekking, heeft gebezigd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast en dat verdachte, met inachtneming daarvan, ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een individuele leerstraf seksualiteit voor de duur van 40 uren, alsmede tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde van toezicht door de jeugdreclassering.

Voorts heeft zij verzocht de aftrek van de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht af te trekken van het voorwaardelijke deel van de straf. Ten slotte heeft de officier van justitie geëist dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 90,=, wordt toegewezen en heeft ze gevorderd dat ten aanzien van die vordering een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 augustus 2011 is aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) bij het station Barneveld door een jongeman aangesproken met de woorden: “Wil je neuken?” of woorden van gelijke strekking. De jongeman had zijn hand of handen in de broek. Aangeefster fietste weg. De jongeman is op de fiets achter aangeefster aangereden, heeft hij haar ingehaald en met een onverwachte greep bij de borst gepakt. Aangeefster is van de fiets afgestapt en de jongeman heeft zijn fiets voor haar fiets geplaatst. De jongeman heeft toen wederom de borst van aangeefster vastgepakt..

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.

De aanranding zit er in dat verdachte achter aangeefster is aangereden en dat hij haar onverhoeds bij de borsten heeft gepakt. De seksuele lading is evident.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van dit feit geen verweer gevoerd. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij zich het voorval niet helemaal meer kan herinneren maar dat het zou kunnen dat hij het gedaan heeft.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de jongen is geweest die aangeefster heeft aangerand. Hij heeft daarbij bekend dat hij haar bij de borst had gepakt . Aangeefster heeft, in aanvulling op de vaststaande feiten, in haar aangifte verklaard dat de jongeman haar ook onder de kleding op de linkerborst heeft vastgepakt, waaraan zij een kras heeft overgehouden. Van deze kras is door een van de verbalisanten een foto gemaakt .

Hoewel verdachte hierover bij de politie heeft verklaard dat hij dat niet zeker meer weet maar “dat het zou kunnen” gaat de rechtbank er van uit, dat aangeefster op dit onderdeel ook juist heeft verklaard.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat voor het onder 1 tenlastegelegde voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 augustus 2011 heeft een manspersoon in Barneveld aangeefster (naam) (hierna ‘aangeefster’), terwijl zij fietste, gevraagd te stoppen. Toen zij dit niet deed is hij haar met zijn eigen fiets gevolgd. Hij zei nog een aantal keer “stop eens” en heeft hij haar aan haar schouder getrokken. De manspersoon is vervolgens met zijn fiets voor aangeefster gaan staan. De manspersoon heeft toen de schouder van aangeefster vastgepakt. Vervolgens trok hij zijn broek naar beneden heeft hij zijn penis vastgepakt en heeft hij aan zijn penis getrokken. Ook heeft hij zijn hand in de richting van de borsten van aangeefster gebracht .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat feit 2 kan worden bewezen.

Aangeefster geeft een gedetailleerde verklaring, waarbij zij een omschrijving geeft van het gebeurde en een duidelijk signalement geeft van de dader. Het signalement dat door aangeefster is opgegeven komt overeen met kenmerken van verdachte. Daarnaast is de modus operandi in de verschillende zaken die zijn tenlastegelegd, gelijk. Ook liggen de tijstippen waarop de verschillende feiten zijn gepleegd zeer dicht bij elkaar. Daar komt ten slotte bij dat verdachte heeft verklaard dat het wel zou kunnen zijn gegaan, zoals de aangeefster heeft verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het signalement dat aangeefster heeft gegeven, op zichzelf goed past bij de fysieke omschrijving van verdachte. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij die avond meisjes heeft benaderd op de wijze zoals ten laste is gelegd. Toch dient men voorzichtig te zijn met te concluderen dat verdachte dus degene moet zijn geweest die aangeefster heeft gepoogd aan te randen, temeer daar verdachte zich dit voorval helemaal niet kan herinneren

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich het voorval niet kan herinneren maar dat het zou kunnen dat hij het gedaan heeft. Ook bij de politie heeft hij verklaard dat hij zich dit voorval niet herinnert., maar dat het goed zou kunnen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aangeefster een zeer gedetailleerde omschrijving heeft gegeven van de persoon die haar op 24 augustus 2011 heeft belaagd en dat deze omschrijving in sterke mate overeen komt met de uiterlijke kenmerken van verdachte. Deze kenmerken blijken uit een proces-verbaal van bevindingen waarin is omschreven hoe verdachte er op 2 september 2011 uitzag toen hij door verbalisanten werd aangesproken: verdachte is blond en heeft een blonde kuif en hij droeg toen een grijs/groene werkbroek met zwarte vlakken op de knieën. Verder droeg hij zwarte werkschoenen met een stalen neus.Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hij de omschreven kleding en schoenen droeg . De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat verdachte (licht)blond haar heeft . Aangeefster heeft ook een verklaring afgelegd over de fiets die haar belager bereed: een grijze Gazellefiets, met handremmen en een hoog recht stuur met lichte knik . Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij die avond reed op een (blauwe) Gazelle herenfiets, die overigens voldoet aan het door aangeefster opgegeven signalement .

Bovendien werd, zo moet worden vastgesteld, bij dit feit een vergelijkbare modus operandi gebruikt als bij een eerdere aanranding die dag, welk feit door verdachte is bekend .

Daar komt nog bij dat verdachte 13 september 2011 bij de politie heeft verklaard dat hij een aantal weken daarvoor (“een week of vier” of “ongeveer 2,5 weken geleden”) op vier, vijf dagen, in het weekend en door de week, een stuk of tien meisjes heeft achtervolgd/lastig gevallen. .

Gelet op het vorenstaande, met inachtneming van de eigen – hierboven aangehaalde – verklaring van verdachte ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft belaagd. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van dit feit.

Feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 24 augustus 2011 in Barneveld [slachtoffer3] en [slachtoffer4] op de fiets gevolgd. Verdachte heeft zijn hand in zijn broek gehouden en daarin op- en neergaande bewegingen gemaakt. Verdachte heeft voorts de bagagedrager van de fiets van [slachtoffer3] vastgepakt om haar te laten stoppen .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, samengevat, betoogd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om het onder 3 tenlastegelegde te kunnen bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van een poging tot aanranding. De raadsman heeft betoogd dat verdachtes handelen niet als ontuchtig kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat verdachte ook geen opzet heeft gehad op ontuchtige handelingen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich de hockeymeisjes wel kan herinneren, dat hij niet meer precies weet wat er is gebeurd maar dat het zou kunnen dat hij het gedaan heeft.

De beoordeling door de rechtbank

Poging ontuchtige handelingen en het opzet daarop?

Zowel [slachtoffer3] als [slachtoffer4] hebben verklaard dat verdachte tegen hen heeft gezegd, terwijl hij achter hen (aan)fietste “Wil je neuken?” en “Wil je wat uitdoen?” .

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte deze woorden heeft gebezigd, nu hij zich dat zelf niet exact weet te herinneren maar wel dat hij iets heeft gezegd als “of ze wat wilden doen” en “dat, neuken of zo”. .

De handelingen zoals hierboven onder het kopje ‘de feiten’ beschreven, in samenhang bezien met de daarbij door verdachte gebruikte seksueel getinte bewoordingen en bewegingen in de broek, maken dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat verdachte seksuele bedoelingen had. Hoewel het vastpakken van een bagagedrager op zichzelf genomen niet als ontuchtig kan worden gekwalificeerd, moet worden aangenomen dat alle voorafgaande handelingen zijn verricht met het oogmerk te worden gevolgd door ontuchtige handelingen.

Dat geldt temeer nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij bij meerdere meisjes zijn handelen heeft herhaald en dat hij “iets met deze meisjes wilde” . Ook heeft verdachte verklaard dat hij “ook dat seks enzo” wilde hebben of doen, zowel bij het voorval bij [slachtoffer] (feit 1) als het onderhavige voorval, bij [slachtoffer3] en [slachtoffer4] . Verder heeft verdachte de onder 1 tenlastegelegde handelingen bekend, waarbij hij aan het slachtoffer heeft gevraagd of ze wilde neuken en hij haar bij de borst heeft gepakt . Ook bij het onder 2 tenlastegelegde feit, heeft hij geprobeerd een meisje bij de borsten te pakken, heeft hij zijn penis gepakt en heeft hij daaraan getrokken. Mede met inachtneming van deze omstandigheden, moet ervan worden uitgegaan dat het opzet van verdachte was gericht op het plegen van ontucht met [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4]. Dat het zo ver niet is gekomen, en het dus bij een begin van uitvoering is gebleven, is te wijten aan omstandigheden buiten verdachte gelegen.

Feit 4

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 29 augustus 2011 te Barneveld [slachtoffer5] op de fiets gevolgd .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat feit 4 kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman betoogt dat geen sprake is van een strafbaar feit aangezien [slachtoffer5] geen aangifte heeft gedaan van de (vermeende) poging tot aanranding.

Daarnaast begrijpt de rechtbank dat de raadsman heeft willen stellen dat dit handelen niet als ontuchtig kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat verdachte ook geen opzet heeft gehad op ontuchtig handelen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een aangifte geen grond is om aan te nemen dat geen sprake is van strafbaar handelen. Dit geldt temeer nu in het proces-verbaal van bevindingen de verklaring van [slachtoffer5] gedetailleerd is opgenomen en er verder geen redenen zijn aangevoerd om deze verklaring niet als betrouwbaar aan te merken. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is verder van oordeel dat uitgegaan dient te worden van de verklaring van [slachtoffer5]. Aangeefster verklaart gedetailleerd en haar verhaal komt op essentiële punten overeen met de verklaring van verdachte. Verdachte verklaart [slachtoffer5] op de fiets te hebben gevolgd en verklaart dat zij op een gegeven moment haar moeder belde en moest huilen . Aangeefster verklaart hierover hetzelfde en verklaart voorts dat verdachte haar onderarm vast heeft gepakt en daarbij de woorden: "kom mee, kom mee", tegen haar heeft gezegd . De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de door aangeefster genoemde woorden heeft gebruikt en de door genoemde handelingen heeft verricht.

Ter zake het gevoerde verweer over het ontbreken van bewijs voor het opzet om ontuchtige handelingen te gaan verrichten verwijst de rechtbank opnieuw naar de verklaringen van verdachte dat hij bij meerdere meisjes zijn handelen heeft herhaald en dat hij “iets met deze meisjes wilde” , dat verdachte heeft verklaard dat hij “ook dat seks enzo” wilde hebben of doen, zowel bij het voorval met [slachtoffer] (feit 1) als dat met [slachtoffer3] en [slachtoffer4] (feit 3) . Gelet hierop en de overeenkomst tussen de bewezen gedragingen en de wijze waarop de onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde (pogingen tot) aanrandingen hun aanvang hebben genomen acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook in dit geval het opzet had om [slachtoffer5] te dwingen ontuchtige handelingen te dulden en dat hij daaraan door haar te volgen, vast te pakken en aan te spreken, een begin van uitvoering heeft gegeven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 24 augustus 2011 te Barneveld, door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken van de borst van die [slachtoffer], en welk feitelijkheid bestond uit het opzettelijk dreigend (op de fiets) volgen van die [slachtoffer]

en onverhoeds haar borst vastpakken en vervolgens zijn, verdachtes, fiets voor de fiets van die [slachtoffer] plaatsen en die [slachtoffer] (wederom) vastpakken bij haar borst(streek) en/of (onder haar kleding) vastpakken van de borst van die [slachtoffer];

2.

hij op 24 augustus 2011 te Barneveld, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door een feitelijkheid [slachtoffer2] te dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen, opzettelijk die [slachtoffer2] heeft gevolgd en tegengehouden en heeft gezegd "Stop eens", en (aan) haar schouder heeft getrokken en vastgehouden en (terwijl

verdachte voor die [slachtoffer2] stond) zijn, verdachtes, broek naar beneden heeft gedaan en zijn, verdachtes, penis heeft vastgepakt en aan zijn penis heeft getrokken en (vervolgens) zijn, verdachtes, hand in de richting van de borsten van die [slachtoffer2] heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 24 augustus 2011 te Barneveld, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door een feitelijkheid [slachtoffer3] en [slachtoffer4] te dwingen tot dulden van ontuchtige handelingen, opzettelijk die [slachtoffer3] en [slachtoffer4] (op de fiets) heeft gevolgd en tegen die [slachtoffer3] en [slachtoffer4] heeft gezegd "Wil je neuken" en "Wil je iets uitdoen", en (daarbij) zijn, verdachtes hand in zijn broek heeft gehouden en daarin) op- en neergaande bewegingen heeft gemaakt en de bagagedrager van de fiets van die [slachtoffer3] heeft vastgepakt (om die [slachtoffer3] tot stoppen te dwingen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 29 augustus 2011 te Barneveld, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door een feitelijkheid [slachtoffer5]

te dwingen tot dulden van ontuchtige handelingen, opzettelijk (op de fiets) die [slachtoffer5] heeft gevolgd endie [slachtoffer5] bij haar onderarm heeft vastgepakt en daarbij de woorden: "kom mee, kom mee", heeft gebezigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid

De feiten zijn strafbaar

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte ernstige feiten heeft gepleegd. Deze feiten hebben een enorme impact gehad op de slachtoffers. In haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de conclusies van de deskundigen omtrent de persoonlijkheid van verdachte. De officier van justitie verzoekt het jeugdstrafrecht op verdachte toe te passen conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een individuele leerstraf seksualiteit voor de duur van 40 uren, alsmede tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde van toezicht door de jeugdreclassering en met aftrek van het voorwaardelijk strafdeel van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie geëist dat de geschorste voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Het standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat het jeugdstrafrecht op verdachte toegepast moet worden. Verdachte is op zijn manier open geweest over wat is gebeurd. De raadsman heeft betoogd dat een individuele leerstraf passend is. Een voorwaardelijke jeugddetentie zal daarentegen geen nut hebben. Verdachte begrijpt de strekking niet van het voorwaardelijke strafkarakter.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 21 februari 2012;

• een Pro justitia rapportage, psychiatrisch onderzoek van 5 januari 2012, opgemaakt door [psychiater], kinder- en jeugdpsychiater, betreffende verdachte;

• een Pro justitia rapportage, psychologisch onderzoek, van 6 januari 2012 opgemaakt door drs. [naam], GZ-psycholoog, betreffende verdachte;

• een reclasseringsrapport beknopt van 7 februari 2012, opgemaakt door [naam], betreffende verdachte.

In het psychiatrische rapport wordt geconcludeerd dat verdachte sterk ontoerekeningsvatbaar is. Verdachte kan zich door zijn autistische stoornis onvoldoende verplaatsen in de gedachten en gevoelens van andere mensen en weet niet hoe hij op een normale manier contact kan leggen. Onder meer wordt geadviseerd om verdachte onder begeleiding van de jeugdreclassering te stellen. Dit vanwege zijn forse ontwikkelingsachterstand en licht verstandelijke beperking. Verder wordt geadviseerd om verdachte een individuele leerstraf seksualiteit op te leggen.

In het psychologische rapport wordt geconcludeerd dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. Verdachte heeft amper contact met zijn gevoel en is niet in staat om met zijn seksuele gevoelens en spanningen om te gaan. Ondanks dat verdachte merkte dat de meisjes niet van zijn gedrag gediend waren en hij ook wel wist dat het niet goed was wat hij deed, was hij niet in staat zijn gedrag te stoppen. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte is een zeer onrijpe persoon, met grote achterstand in sociaal emotioneel opzicht en flinke cognitieve beperkingen. Het betreft een verdachte met een autistische stoornis en zwakbegaafdheid. Geadviseerd wordt de jeugdreclassering in te zetten gedurende twee jaar in de vorm van een maatregel Hulp en Steun, uit te voeren door de William Schrikker Stichting, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de voorwaarden van de jeugdreclassering. Daarnaast wordt geadviseerd een individuele leerstraf seksualiteit op te leggen. Deze leerstraf moet tenminste 40 uren bedragen.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten van de psychiater en psycholoog en ziet grond in de persoonlijkheid van verdachte om bij de oplegging van de straf het jeugdrecht, conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, toe te passen.

Verder geldt het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aanranding van de eerbaarheid en meerdere pogingen daartoe. Verdachte heeft door zijn handelen grensoverschrijdend en uiterst laakbaar gedrag vertoond. Door op deze manier te handelen heeft hij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de meisjes die hij heeft belaagd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer5] blijkt dat zij angstig is geworden en last heeft van gevoelens van onveiligheid op straat.

Bij de oplegging van haar straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit een leerstraf en een voorwaardelijke werkstraf, in dit geval passen en geboden is.

De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd, dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding aan de voorwaardelijke werkstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de William Schrikkerstichting of een soortgelijke instelling.

De onvoorwaardelijke leerstraf is erop gericht om de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte een verdere impuls te geven zijn persoonlijkheidsproblematieken onder controle te krijgen en zijn leven daarmee op orde te krijgen.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer5] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Zij vordert ter zake van geleden materiële schade een bedrag van € 150,-, ter zake van schade aan haar schoenen (€30,00), tas (€45,00), fiets (€60,00) en ring (€ 15,00).

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is geen verweer gevoerd tegen de gevorderde schadevergoeding, behoudens de gevraagde schadevergoeding van € 60,00 voor de fiets. Er blijkt, zo voert de raadsman aan, niet van een verband tussen deze gestelde schade en het tenlastegestelde feit. In de aangifte staat enkel dat de bel van de fiets kapot was gegaan, die geen hogere waarde kan vertegenwoordigen dan € 5,00. De materiële schade kan daarom gesteld kan worden op € 90,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 90,-, waarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer5] tot een bedrag van € 95,- aan materiële schade toewijzen, te weten voor de posten schoenen (€30,00), tas (€45,00) en ring (€ 15,00) alsmede voor de fietsbel, die wordt begroot op € 5,00. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat deze schadeposten, die niet zijn betwist, het gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Of er buiten de fietsbel nog andere schade aan de fiets is ontstaan, is zonder nader onderzoek, hetgeen echter een onevenredige belasting voor het strafproces zou betekenen, niet vast te stellen. Dit deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het toegewezen deel van de vordering wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011

De rechtbank zal tevens de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 45, 77c, 77g, 77h, 77m 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een taakstraf van 144 uren bestaande uit een combinatie van :

a) een werkstraf voor de duur van honderd (100) uren.

b) een leerstraf voor de duur van vierenveertig (44) uren ; veroordeelde dient deel te nemen aan de individuele leerstraf seksualiteit

Bepaalt dat de werkstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Meldingsgebod

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de jeugdreclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 14 dagen volgend op de datum dat het vonnis onherroepelijk is, tijdens kantooruren melden bij de jeugdreclassering. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode blijven melden zo lang en frequent als de reclassering dit nodig acht.

- Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht zich aan te melden bij de William Schrikker Stichting of een soortgelijke instelling. Dit voor zover en zolang de William Schrikker Stichting of die andere instelling dit in overleg met de jeugdreclassering noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de jeugdreclassering om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Bepaalt dat de leerstraf binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de leerstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de eventueel op te leggen werkstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende jeugddetentie vast op 72 (tweeënzeventig) dagen waarvan vijftig (50) dagen zien op de voorwaardelijk opgelegde werkstraf en 22 (tweeëntwintig) op de onvoorwaardelijke leerstraf.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke strafdeel (de leerstraf), te weten vier (4) uren, zijnde twee (2) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer5], te betalen vijf en negentig euro (€ 95,-).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 95,- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer5], te betalen vijf en negentig euro (€ 95,-) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van één (1) dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer5], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel¬de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E. de Boer, als voorzitter,

mr. T.P.E.E. van Groeningen rechter,

mr. A.J.H. Steenweg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2012.