Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0528

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
05/701987-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf wegens meermalen gepleegde verduistering, diefstal en oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701987-11

Datum zitting : 2 februari 2012 en 1 maart 2012

Datum uitspraak : 15 maart 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], [geboorteland],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg, Hogenslagweg 8

Doetinchem.

Raadsman : mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari 2011 tot en met 15 april 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, J. van [slachtoffer1] en/of Handwerkspeciaalzaak Kesteren heeft bewogen tot de afgifte van 50 euro, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- bij die Van [slachtoffer1] heeft voorgewend dat hij geen geld had om benzine te kopen, en/of

- aan die Van [slachtoffer1] heeft gevraagd hem geld (30 euro) te lenen, en/of

- aan die Van [slachtoffer1] zijn Vreemdelingenlegitimatiebewijs heeft afgegeven als onderpand, en/of

- (vervolgens) enige weken later die Van [slachtoffer1] weer heeft bezocht met de

mededeling/heeft voorgewend dat hij het geleende geld kwam terugbrengen en/of

- (vervolgens) aan de aangever heeft gevraagd of deze terug had van (een) 50 euro(biljet), en/of

- waarop die Van [slachtoffer1] aan verdachte zijn, verdachtes Vreemdelingen-

legitimatiebewijs heeft teruggegeven en/of 20 euro (wisselgeld), en/of

- verdachte (vervolgens) aan die Van [slachtoffer1] heeft medegedeeld / voorgewend

dat de/het 50 euro(biljet) nog in de auto lag en dat hij -verdachte- de/het 50 euro(biljet) ging halen (verdachte komt niet terug),

waardoor die Van [slachtoffer1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari 2011 tot een met 15 april 2011 in de gemeente Ede (telkens) opzettelijk 30 euro en/of 20 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan J. van [slachtoffer1] en/of Handwerkspeciaalzaak

Kesteren, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lener en/of pandgever en/of als ontvanger van wisselgeld, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 6 augustus 2011 in de gemeente Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan T.G.H. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer2] (die met een rollator loopt) heeft geduwd en (vervolgens) de portemonnee van die [slachtoffer2] uit (het mandje van) de rollator heeft gegrist/gegrepen/gepakt;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2011 tot en met 28 april 2011 in de gemeente(n) Ede en/of Wageningen, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, J.H. [slachtoffer3] en/of Edelsmid Jan [slachtoffer3] heeft bewogen tot de afgifte van 15

euro en/og 35 euro, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- heeft voorgewend dat hij zonder benzine stond, en/of

- aan die [slachtoffer3] heeft gevraagd hem geld (15 euro) te lenen, en/of

- aan die [slachtoffer3] heeft beloofd / toegezegd dit geld dezelfde dag terug te brengen, en/of

- de volgende dag die [slachtoffer3] weer heeft bezocht met de mededeling / heeft

voorgewend dat hij het geleende geld kwam terugbrengen, en/of

- (vervolgens) aan de aangever heeft gevraagd of deze terug heeft van (een) 50

euro(biljet), en/of

- waarop aangever aan verdachte 35 euro heeft (terug)gegeven, en/of

- verdachte (vervolgens) aan aangever heeft medegedeeld / voorgewend dat de 50 euro nog in de auto lag en/of dat hij de 50 euro ging halen (verdachte komt niet terug),

waardoor die [slachtoffer3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2011 tot en met 28 april 2011 in de gemeente Wageningen (telkens) opzettelijk 15 euro en/of 35 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan J.H. [slachtoffer3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lener en/of als ontvanger van wisselgeld, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4.

hij op of omstreeks 10 juni 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan D. [slachtoffer4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

5.

hij op of omstreeks 3 juli 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (de echtegeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5] heeft bewogen tot de afgifte van 50 euro, in elk geval van

enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch heeft gereageerd op een (prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden relaxstoel, en/of

- heeft gezegd/medegedeeld dat zijn naam [naam] zou zijn, en/of

- diezelfde dag een afspraak heeft gemaakt voor bezichtiging/koop van voornoemde stoel, en/of

- heeft gezegd / medegedeeld / voorgewend, na bezichtiging, dat hij de stoel wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5] terug had van 100 euro, en/of

- waarop (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5] (vervolgens) 50 euro uit zijn portemonnee heeft gepakt, en/of

- (waarna) verdachte vervolgens voornoemde 50 euro heeft (weg)gepakt / (weg)gegrist uit de hand(en) van (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5] en (vervolgens) is weggerend,

waardoor (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 3 juli 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 50 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die 50 euro uit de hand(en) van (de echtgeno(o)t(e) van) W. van de [slachtoffer5]) weggegrist / weggerukt / weggepakt;

6.

hij op of omstreeks 30 mei 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning) heeft weggenomen Euro 120,--, althans een geldbedrag in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan H. van de [slachtoffer6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

7.

hij op of omstreeks 1 juni 2011 in de gemeente Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 65,--, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan J.J. [slachtoffer7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer7], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte dat geld uit de/een hand(en) van die [slachtoffer7] heeft gegrist en/of gepakt;

althans, indien vorenstaande onder 7 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 juni 2011 in de gemeente Wageningen en/of elders in Nederland

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, J.J. [slachtoffer7] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 65,--, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die [slachtoffer7]) heeft gereageerd op een (prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden fietsendrager, en/of

- naar de woning van die [slachtoffer7] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij die fietsendrager wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die [slachtoffer7] (wisselgeld) terug heeft van Euro 100,--, en/of

- die Euro 65,--, althans dat geldbedrag uit de/een hand(en) van die [slachtoffer7] heeft gegrist en/of gepakt en/of van die [slachtoffer7] heeft aangenomen, en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die [slachtoffer7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

8.

hij op of omstreeks 14 juni 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 35,--, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan E.J. [slachtoffer8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die Euro 35,--, althans dat geld uit de/een hand(en) van die [slachtoffer8] heeft gegrist en/of gepakt;

althans, indien vorenstaande onder 8 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 juni 2011in de gemeente Ede en/of elders in Nederland met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, E.J. [slachtoffer8] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 35,--, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die [slachtoffer8]) heeft gereageerd op een (prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden strijkbout

en/of strijkplank, en/of

- in/bij de woning van die [slachtoffer8] heeft afgesproken, althans naar de woning van die [slachtoffer8] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij die strijkbout wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die [slachtoffer8] (wisselgeld) terug heeft van Euro 50,--, en/of

die Euro 35,--, althans dat geldbedrag uit de/een hand(en) van die [slachtoffer8] heeft gegrist en/of gepakt en/of van die [slachtoffer8] heeft aangenomen, en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die [slachtoffer8] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

9.

hij op of omstreeks 30 juni 2011in de gemeente Ede en/of elders in Nederland met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, J.M. [slachtoffer9] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 70,--, althans geldbedrag, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die [slachtoffer9]) heeft gereageerd op een (prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden fitnessapparaat, en/of

- in/bij de woning van die [slachtoffer9] heeft afgesproken, althans naar de woning van die [slachtoffer9] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij dat

fitnessapparaat wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die [slachtoffer9] (wisselgeld) terug heeft van Euro 100,--, en/of

- die Euro 70,--, althans dat geldbedrag uit de/een hand(en) van die [slachtoffer9] heeft gegrist en/of gepakt en/of van die [slachtoffer9] heeft aangenomen, en/of

- tegen die [slachtoffer9] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 100,--) uit zijn auto zou halen/pakken, en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die [slachtoffer9] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

10.

hij op of omstreeks 23 augustus 2011in de gemeente Ede met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, J. [slachtoffer10] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 50,--, in elk geval van enig goed, hierin

bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- naar de woning/fietsenwinkel van die [slachtoffer10] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij een fiets wenste te kopen, en/of

- heeft gezegd dat hij een aanbetaling ad Euro 50,-- wilde doen, en/of

- heeft gevraagd of die [slachtoffer10] (wisselgeld) terug heeft van Euro 100,--, en/of

- die Euro 50,--, althans dat geldbedrag (uit de/een hand(en)) van die [slachtoffer10] heeft

aangenomen, en/of

- daarbij zijn, verdachtes kleding/zakken heeft doorzocht (alsof hij die Euro 100,-- in zijn kleding/zakken heeft zitten), en/of

- tegen die [slachtoffer10] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 100,--) in zijn auto heeft liggen / uit zijn auto zou halen/pakken, en/of

- (vervolgens) is weggerend/weggegaan,

waardoor die [slachtoffer10] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

11.

hij op of omstreeks 16 september 2011 in de gemeente Ede en/of elders in Nederland

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, H. [slachtoffer11] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 35,-in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die [slachtoffer11]) heeft gereageerd op een

(prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden hoeveelheid

boekjes, en/of

- in/bij de woning van die [slachtoffer11] heeft afgesproken, althans naar de woning van die [slachtoffer11] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij die boekjes wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die [slachtoffer11] (wisselgeld) terug heeft van Euro 50,--, en/of

- die Euro 35,--, althans dat geldbedrag (uit de/een hand(en)) van die [slachtoffer11] heeft

aangenomen, en/of

- tegen die [slachtoffer11] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 50,--) uit zijn auto zou halen/pakken, en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die [slachtoffer11] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

12.

hij op of omstreeks 19 september 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 60,--, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan W.M.H. van [slachtoffer12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die Van [slachtoffer12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte dat geld uit de/een hand(en) van die Van [slachtoffer12] heeft gegrist/gepakt;

althans, indien vorenstaande onder 12 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 september 2011 in de gemeente Ede en/of elders in Nederland

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, W.M.H. van [slachtoffer12] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 60,--, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die Van [slachtoffer12]) heeft gereageerd op een

(prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden tafel, en/of

- in/bij de woning van die Van [slachtoffer12] heeft afgesproken, althans naar de woning van die Van [slachtoffer12] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij die tafel wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die Van [slachtoffer12] (wisselgeld) terug heeft van Euro 100,--, en/of

- die Euro 60,--, althans dat geldbedrag uit de/een hand(en) van die Van [slachtoffer12] heeft gegrist en/of gepakt en/of van die Van [slachtoffer12] heeft aangenomen, en/of

- zijn, verdachtes kleding/zakken heeft doorzocht (alsof hij die Euro 100,-- in zijn kleding/zakken heeft zitten), en/of

- heeft gezegd dat hij dat geld in zijn, verdachtes auto heeft liggen en/of dat hij dat geld zou pakken/halen, en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die Van [slachtoffer12] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

13.

hij op of omstreeks 28 september 2011 in de gemeente Renkum met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 40,--, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (de buurvrouw van) R.L.C. van [slachtoffer13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (buurvrouw van die) Van [slachtoffer13], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte dat geld uit de/een hand(en) van die (buurvrouw van die) Van [slachtoffer13] heeft gegrist en/of gepakt;

althans, indien vorenstaande onder 13 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 28 september 2011 in de gemeente Renkum met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (de buurvrouw van) R.L.C. van [slachtoffer13] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 40,--, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch (in de richting van die [slachtoffer13]) heeft gereageerd op een (prikbord)advertentie met betrekking tot een te koop aangeboden trainingspak, en/of

- in/bij de woning van die Van [slachtoffer13] heeft afgesproken, althans naar de woning van die Van [slachtoffer13] is gegaan, en/of

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend (na bezichtiging) dat hij dat

trainingspak wenste te kopen, en/of

- heeft gevraagd of die Van [slachtoffer13] (wisselgeld) terug heeft van Euro 50,--, en/of

- gevraagd (desnoods) dat (wissel)geld uit een/de spaarpot(ten) van de/het kind(eren) van die Van [slachtoffer13] dan wel bij de buren te halen omdat hij, verdachte ver heeft gereisd en (derhalve) niet terug kan/wil komen, en/of

- die Euro 40,--, althans dat geldbedrag uit de/een hand(en) van die (buurvrouw van die) Van [slachtoffer13] heeft gegrist en/of gepakt en/of van die (buurvrouw van die) Van [slachtoffer13] heeft aangenomen, en/of

- (daarbij) heeft gezegd:"Geef dat maar vast aan mij, want dan haal ik mijn portemonnee uit de auto. Die ben ik vergeten", en/of

- (vervolgens is weggerend/weggegaan,

waardoor die (buurvrouw van die) Van [slachtoffer13] werd bewogen tot

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 02 februari 2012 en 01 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen:

• D. [slachtoffer4]

Als benadeelde partijen hebben zich voorts schriftelijk in het geding gevoegd:

• J. van [slachtoffer1], namens handwerkspeciaalzaak Van Kesteren

• J.H. [slachtoffer3], namens Edelsmid Jan [slachtoffer3]

• H. van de [slachtoffer6]

• J.J. [slachtoffer7]

• J.M. [slachtoffer9]

• J. [slachtoffer10]

• H. [slachtoffer11]

• W.M.H. van [slachtoffer12].

De officier van justitie, mr. W.E.M. van Erp, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen ten aanzien van de verschillende tenlastegelegde feiten telkens in onderlinge samenhang en tijdsverband beschouwen. Hierbij wordt onder meer gelet op overeenkomsten in de werkwijze, de gebruikte telefoonnummers, het signalement van de dader en de herkenningen van verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1 primair:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank acht het opzet tot het plegen van oplichting op het moment dat verdachte de beschikking kreeg over het geld, 19 februari 2011 en 15 april 2011, niet bewezen.

In het bijzonder ten aanzien van feit 1 subsidiair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 19 februari 2011 tot en met 15 april 2011 heeft J. van [slachtoffer1] in de gemeente Ede een bedrag van 30 euro en een bedrag van 20 euro afgegeven aan een persoon. Dit geld behoort toe aan handwerkspeciaalzaak Kesteren. Die persoon had dat geld anders dan door misdrijf onder zich, te weten als lener of pandgever en/of als ontvanger van wisselgeld. Die persoon heeft zich dat geld vervolgens wederrechtelijk toegeëigend.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Het door de aangever genoteerde nummer van het legitimatiebewijs correspondeert niet met de uitdraai van de politie uit welke uitdraai zou moeten blijken dat het om het legitimatiebewijs van verdachte gaat. Voorts blijkt uit de aangifte niet dat de persoon die het legitimatiebewijs heeft overhandigd dezelfde persoon is als de persoon die thans als verdachte wordt aangemerkt.

Dit maakt dat de aangifte het enige bewijsmiddel is hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal van dit feit moeten worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Op grond van de aangifte is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat Van [slachtoffer1] geld heeft afgegeven aan een persoon welk geld die persoon zich vervolgens wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het geld is aldus verduisterd. Verweer op het tegendeel hiervan is niet gevoerd. Gelet op het standpunt van de verdediging is de vraag aan de orde of het verdachte is geweest die bedoeld wordt met de persoon die geld heeft aangenomen en zich dit wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Aangever Van [slachtoffer1] heeft nadat hij een persoon een bedrag van 30 euro had geleend gegevens van deze persoon genoteerd en wel vanaf een aan hem overhandigd legitimatiebewijs van een vreemdeling op naam van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], afgegeven in Den Bosch op 18 februari 2008 met het num[nummer]er]. Dezelfde persoon die Van [slachtoffer1] het legitimatiebewijs toonde kwam zes weken later wederom zijn winkel binnen met de opmerking “je krijgt nog 30 euro van mij. Heb je 20 euro terug dan krijg je 50 euro van mij.” Gelet op deze door die persoon gemaakte opmerking staat voor de rechtbank vast dat de persoon die eerst 30 euro overhandigd kreeg dezelfde persoon is die later nogmaals 20 euro overhandigd kreeg van Van [slachtoffer1]. Van [slachtoffer1] geeft de volgende persoonsbeschrijving: Marokkaanse afkomst, kort geknipt donker haar, smal gezicht, rond de 1.80 meter en 25 tot 30 jaar oud.

Door de verdediging wordt voorts gesteld dat het door aangever genoteerde nummer van het aan hem overhandigde legitimatiebewijs niet correspondeert met het werkelijke nummer van verdachtes legitimatiebewijs. In een uitdraai uit de politieadministratie staat dat op naam van [verdachte] een verblijfsdocument is afgegeven voor onbepaalde tijd met het nummer [nummer]. Aangever heeft als nummer genoteerd [nummer]. Met uitzondering van de teveel genoteerde “0” door Van [slachtoffer1] komen alle overige gegevens, waaronder datum afgifte, volledig overeen.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

Op grond van het voorgaande, staat voor de rechtbank vast dat de persoon aan wie Van [slachtoffer1] tot twee maal toe geld heeft afgegeven dezelfde persoon is als de ter zitting aanwezige verdachte. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstippen in de periode van 19 februari 2011 tot een met 15 april 2011 in de gemeente Ede telkens opzettelijk 30 euro en 20 euro, toebehorende aan Handwerkspeciaalzaak

Kesteren, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lener en/of pandgever of als ontvanger van wisselgeld, onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

In het bijzonder ten aanzien van feit 2:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 augustus 2011 wordt te Wageningen een portemonnee met inhoud, toebehorende aan T.G.H. [slachtoffer2], gestolen. De portemonnee is door de dader uit het mandje van haar rollator gepakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De camerabeelden laten niet zien hoe de diefstal in zijn werk is gegaan en zijn geen ondersteuning voor de aangifte. Door de getuige wordt niet de duw die de dader gegeven zou hebben waargenomen. Daarmee is de geweldscomponent slechts gebaseerd op de verklaring van de aangeefster. Dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het geweld te komen. Nu verdachte bovendien ontkent en er alleen een aangifte ligt, dient verdachte ook van de diefstal te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat de portemonnee van [slachtoffer2] is gestolen. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die de diefstal heeft gepleegd, en of deze diefstal is voorafgegaan door geweld.

Aangeefster heeft verklaard dat zij al in de supermarkt werd aangesproken door een persoon die haar aanbood te willen helpen. Buiten de supermarkt werd zij door dezelfde man nogmaals aangesproken. Deze man bood aan haar te helpen. Dit wilde zij niet. Op zeker moment kreeg aangeefster een duw in haar rug. De man die haar duwde was dezelfde man die haar eerder aansprak. Het was vervolgens ook weer deze man die haar portemonnee uit haar rollator pakte. De politie heeft de bewegende beelden bekeken in bedoelde supermarkt. Op de beelden is de datum van 6 augustus 2011 te zien. Verbalisant ziet dat een manspersoon een oude vrouw met een rollator helpt met haar boodschappen. Vervolgens ziet verbalisant dat deze manspersoon samen met de vrouw richting de uitgang van de winkel loopt. Verbalisant herkent de genoemde manspersoon als de hem ambtshalve bekende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart kalend haar met kale plekken, donkere wenkbrauwen.

Getuige [getuige1] geeft een omschrijving van de dader welke waarneming hij deed nadat de man na de diefstal wegliep, zijn petje verloor en terugliep om zijn petje te pakken. De getuige [getuige1] ziet dan dat de man op zijn hoofd opvallende plukken haar had en kale plekken. Voor het overige beschrijft deze getuige de man als volgt: leeftijd ongeveer 28 à 29 jaar, mager postuur, ongeveer 1,75 meter lang.

Op grond van de verklaring van [slachtoffer2], de camerabeelden in de supermarkt, het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de camerabeelden, het door getuige [getuige1] verstrekte signalement van de dader en tot slot de eigen waarneming van de rechtbank – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die de portemonnee van [slachtoffer2] heeft gestolen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel verdachte deze diefstal vooraf heeft doen gaan door geweld, welk geweld eruit bestond dat verdachte [slachtoffer2], lopend met haar rollator, heeft geduwd. Dat de verklaring van [slachtoffer2] op dit punt niet wordt geschraagd door een ander bewijsmiddel doet aan de bewezenverklaring niet af. Het vereiste van meervoudig bewijs geldt immers niet voor elk bestanddeel van de tenlastelegging afzonderlijk, maar slechts voor het strafbare feit in zijn geheel. Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 6 augustus 2011 in de gemeente Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan T.G.H. [slachtoffer2], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer2] (die met een rollator loopt) heeft geduwd en vervolgens de portemonnee van die [slachtoffer2] uit het mandje van de rollator heeft gepakt;

In het bijzonder ten aanzien van feit 3 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op tijdstippen in de periode van 27 april 2011 tot en met 28 april 2011 wordt J.H. [slachtoffer3] van Edelsmid Jan [slachtoffer3] bewogen tot de afgifte van contante geldbedragen van 15 euro respectievelijk 35 euro. De persoon die [slachtoffer3] daartoe bewoog heeft voorgewend dat hij zonder benzine stond, vroeg [slachtoffer3] hem 15 euro te lenen met de belofte dit geld dezelfde dag terug te brengen. Deze persoon is de volgende dag teruggekomen met de mededeling het geleende geld terug te komen brengen waarop hij aan [slachtoffer3] vroeg of deze terug had van een biljet van 50 euro. Aangever gaf daarop deze persoon 35 euro in contanten waarna deze persoon vervolgens [slachtoffer3] meedeelde dat de 50 euro, die hij aan [slachtoffer3] zou geven, nog in zijn auto lag en dat ging ophalen, om vervolgens niet terug te komen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Onduidelijk is dat de persoon die de aangever zegt te herkennen dezelfde persoon is die hem eerder bezocht. Uit de screenprints die in het proces-verbaal zitten blijkt niet dat deze zijn van de dag waar het om gaat, 27 april 2011. Er kan dus niet bewezen worden dat het verdachte is geweest die zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt. Tot slot zet de verdediging vraagtekens bij het opzet nu niet blijkt dat op het moment dat de dader het geld overhandigd kreeg hij het opzet had aangever op te lichten. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van dit feit.

De beoordeling door de rechtbank

Op grond van de vaststaande feiten stelt de rechtbank vast dat Edelsmid Jan [slachtoffer3] is opgelicht. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan deze oplichting heeft schuldig gemaakt. Daarnaast speelt de vraag of het opzet bewezen kan worden.

Anders dan de raadsman stelt, is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte waaruit zou moeten blijken dat het deze verdachte is die zich aan de oplichting heeft schuldig gemaakt. Op het moment dat [slachtoffer3] de dader op 27 april 2011 een bedrag van 15 euro gaf, heeft de dader een legitimatiebewijs overhandigd. [slachtoffer3] heeft van dit legitimatiebewijs de volgende gegevens genoteerd: de naam ‘[verdachte]’ en het documentnummer [nummer]. Op een uitdraai uit de politieadministratie staat dat op naam van [verdachte] een verblijfsdocument is afgegeven voor onbepaalde tijd met het nummer [nummer]. Aangever [slachtoffer3] verklaart ook dat dezelfde persoon die op 27 april 2011 15 euro kreeg op 28 april 2011 terug kwam.

Op 3 juni 2011 rijdt verbalisant [verbalisant1] door Renkum. Hij ziet een manspersoon lopen die hij direct herkent als de persoon die hij had waargenomen op de op dinsdag 24 mei 2011 uitgekeken videobeelden van juwelier [slachtoffer3] aan de Hoogstraat te Wageningen. De door verbalisant [verbalisant1] herkende persoon betreft [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] in [geboorteland]. Overigens is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat van de screenprints van de camerabeelden wel degelijk de opnamedatum - 27 april 2011 - kan worden afgelezen.

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 27 en 28 april 2011 Edelsmid Jan [slachtoffer3] heeft bezocht.

De rechtbank acht ook de opzet bewezen. De rechtbank is van oordeel dat uit de wijze waarop de oplichting heeft plaatsgevonden, het de eerste keer vragen om geld om de volgende dag terug te komen met de mededeling het geleende bedrag te willen terugbetalen en door middel van een wisseltruc wederom de aangever beweegt tot afgifte van geld, de opzet op het plegen van oplichting vaststaat.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte tijdens zijn bezoeken aan Edelsmid Jan [slachtoffer3] heeft gehandeld met de intentie Edelsmid Jan [slachtoffer3] op te lichten. Verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij - nadat hij had meegedeeld dat hij het eerder geleende geld kwam terugbetalen en in dat verband om wisselgeld vroeg - is weggegaan zonder eerst daadwerkelijk tot terugbetaling over te gaan. Uit het feit dat hij zich na ontvangst van het wisselgeld plotseling uit de voeten maakte , kan dan niet anders worden afgeleid dan dat de bedoeling tot terugbetaling van het als eerste geleende bedrag niet de beweegreden van verdachte was om wisselgeld te vragen, maar dat hij toen al van plan was om het aldus verkregen geld voor zichzelf te houden. Ook het feit dat verdachte geen geld bij zich droeg terwijl hij zei te komen terugbetalen , vormt een aanwijzing in deze richting. Het tijdsbestek tussen de ontvangst van het wisselgeld en het verdwijnen van de verdachte met dit geld is zo kort dat niet aannemelijk is - in tegenstelling tot de suggestie van de raadsman - dat het idee om het wisselgeld te houden pas na ontvangst is ontstaan. In het licht van deze gang van zaken, waarbij het erop neerkomt dat verdachte zich heeft bediend van een wisselgeldtruc, heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachte ook bij het kort daarvoor vragen van het als eerste aan hem overhandigde bedrag niet de intentie heeft gehad dit terug te betalen, maar dit bedrag tesamen met het door middel van de wisselgeldtruc te verkrijgen bedrag te behouden. Daarmee is het opzet van verdachte op oplichting van Edelsmid Jan [slachtoffer3], anders dan de verdediging meent, gegeven.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstippen in de periode van 27 april 2011 tot en met 28 april 2011 in Wageningen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, Edelsmid Jan [slachtoffer3] heeft bewogen tot de afgifte van 15 euro en 35 euro, hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- aan die [slachtoffer3] heeft gevraagd hem geld (15 euro) te lenen, en/of

- aan die [slachtoffer3] heeft beloofd / toegezegd dit geld dezelfde dag terug te brengen, en

- de volgende dag die [slachtoffer3] weer heeft bezocht met de mededeling dat hij het

geleende geld kwam terugbrengen, en/of

- vervolgens aan de aangever heeft gevraagd of deze terug heeft van een 50

eurobiljet, en

- waarop aangever aan verdachte 35 euro heeft teruggegeven, en

- verdachte vervolgens aan aangever heeft voorgewend dat de 50 euro nog in de auto lag en dat hij de 50 euro ging halen (verdachte komt niet terug),

waardoor die [slachtoffer3] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

In het bijzonder ten aanzien van feit 4:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 juni 2011 wordt te Ede weggenomen een portemonnee met inhoud toebehorende aan D. [slachtoffer4].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Er is geen rechtstreeks bewijs van het wegnemen van de portemonnee. Dit is niet gezien. Er is slechts een constatering dat de portemonnee weg is maar dat het verdwijnen van de portemonnee aan verdachte kan worden gekoppeld, wordt door de bewijsmiddelen niet ondersteund. De herkenning twee weken later van de mogelijke dader levert geen aanvullend bewijs op nu uit verklaringen blijkt dat het opgegeven signalement niet overeen kwam met de persoon die daarvoor in aanmerking zou moeten komen. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Nu naast de aangifte geen ondersteunend bewijs voorhanden is, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten, verdachte ontkent namelijk niet dat de aangeefster van haar portemonnee is bestolen, blijkt dat de diefstal heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangeefster verklaart dat zij bij de Albert Heijn een advertentie had opgehangen waarin een buitenboordmotor te koop werd aangeboden. Enkele dagen later werd haar man op zijn mobiele telefoon gebeld door iemand die kenbaar maakte belangstelling te hebben voor die buitenboordmotor. Deze persoon belde met een mobiele telefoon met het nummer [nummer], zoals bleek uit de mobiele telefoon van haar man. Nog geen half uur na het telefoontje meldde zich een man die belangstelling had voor de buitenboordmotor. Deze man is vervolgens binnengelaten.

Aangeefster verliet even de woonkamer en kwam na enkele ogenblikken weer terug. De man die belangstelling had voor de buitenboordmotor liep richting de voordeur met de mededeling dat hij zijn auto naar de achterzijde van de woning zou rijden. De man kwam vervolgens niet meer terug. Op dat moment constateert aangeefster dat haar portemonnee, die in de woonkamer in het zicht op een houten kastje lag, weg was.

Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede.

Aangeefster [slachtoffer4] is buschauffeur. Op 24 juni 2011, omstreeks 11.35 uur staat zij stil op het perron C van het NS-station Ede-Wageningen. Er stapte toen een Marokkaans uitziende man in haar bus die zij onmiddellijk herkende als de man die bij haar binnen is geweest en haar portemonnee had weggenomen. Nadat zij deze persoon daarop aangesproken had, verliet hij de bus. Aangeefster [slachtoffer4] had het vermoeden dat de man naar lijn 88 wilde gaan en heeft een en ander via de portofoon gemeld.

De getuige Van der [getuige2], werkzaam als buschauffeur op lijn 88, verklaart dat op 24 juni 2011 omstreeks 11.42 uur bij haar een jongeman in de bus stapte met onder meer een Marokkaans uiterlijk. Zij hoorde op dat moment een bericht binnenkomen dat er op lijn 88 een jongeman was ingestapt, die de buschauffeur herkende als de persoon die haar portemonnee onlangs had gestolen. Deze oproep was luid en duidelijk te horen voor omstanders. De getuige werd daarop aangesproken door een meisje met de mededeling dat er zojuist een jongen de bus was uitgerend.

Op 28 juni 2011 is door verbalisant [verbalisant2] een onderzoek ingesteld. Hij heeft de camerabeelden uit lijnbus 88 bekeken. Op de beelden staat rechts bovenin de datum ‘2011/06/24’ en tijdstip 10:31:21. Verbalisant heeft op die beelden, naast getuige Van der [getuige2], een manspersoon de bus in zien komen met een noord Afrikaans uiterlijk. Verbalisant [verbalisant2] heeft de door hem uitgekeken videobeelden laten zien aan verbalisant [verbalisant3]. Verbalisant [verbalisant3] heeft de afgebeelde man herkend als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ([geboorteland]).

In voornoemd proces-verbaal van bevindingen staat dat de uitgekeken videobeelden een tijdstip vermeldden van 10.31.21 uur. Dat is ongeveer een uur vroeger dan de tijdstippen waarover door de aangeefster [slachtoffer4] en de getuige Van der [getuige2] spreken. De rechtbank stelt vast dat het verschil in tijdstip te verklaren is uit het niet aanpassen van het tijdstip bij het ingaan van de zomertijd.

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank verdachte degene die de portemonnee heeft gestolen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 juni 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud toebehorende aan D. [slachtoffer4];

In het bijzonder ten aanzien van feit 5 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 juli 2011 wordt in de gemeente Ede W. van de [slachtoffer5] bewogen tot de afgifte van 50 euro. De persoon die Van de [slachtoffer5] daartoe bewoog heeft telefonisch gereageerd op een prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden relaxstoel, heeft daarbij gezegd dat zijn naam [naam] is en heeft voorts voor dezelfde dag een afspraak gemaakt om de stoel te bezichtigen. Eenmaal bij Van de [slachtoffer5] thuis heeft deze persoon, na bezichtiging, gezegd dat hij de stoel wenste te kopen en gevraagd of men terug had van 100 euro. De echtgenoot van Van de [slachtoffer5] heeft vervolgens 50 euro uit zijn portemonnee gepakt welk bedrag deze persoon gepakt heeft uit handen van de echtgenoot van Van de [slachtoffer5]. Daarna is deze persoon weggerend.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Vervolgens is er voor het bewijs alleen de verklaring van de aangever en een verklaring van een getuige. Tot slot zet de verdediging vraagtekens bij de opzet nu niet blijkt dat op het moment dat de dader het geld overhandigd kreeg hij de opzet had aangever op te lichten.

De verdediging is van oordeel dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat de aangever Van de [slachtoffer5] door een samenweefsel van verdichtsels bewogen is tot de afgifte van geld. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de oplichting heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn. Daarnaast speelt de vraag of het opzet bewezen kan worden.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangeefster Van de [slachtoffer5] verklaart dat zij, na het ophangen van een prikbordadvertentie op 3 juli 2011 omstreeks 14.00 uur werd gebeld door een man die interesse had in de stoel en een afspraak maakte rond 16.00 uur die dag. Aangeefster werd gebeld door een mobiele telefoon met het nummer [nummer]. Aangeefster Van de [slachtoffer5] geeft het volgende signalement van de dader: lichtgetinte man, mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst, in de leeftijd van ongeveer 22 jaar, zeer goed Nederlands sprekend, met donker kort haar en een mager postuur en met een lengte van ongeveer 1.72 cm. Voor wat betreft de lengte zou de persoon dat zelf gezegd hebben in verband met de lengte van zijn benen toen hij de stoel probeerde.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken, donkere wenkbrauwen. Voorts heeft de rechtbank uit eigen waarneming vastgesteld dat verdachte de Nederlandse taal goed machtig is.

Van het portiek van de flat waarin aangeefster woont zijn camerabeelden veiliggesteld. Verbalisant Van [verbalisant4] herkent een persoon met een pet op als de hem ambtshalve bekende [verdachte].

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte Van de [slachtoffer5] heeft bewogen tot afgifte van geld.

Voor wat betreft het ontbreken van het opzet op oplichting merkt de rechtbank op dat zij dit wel bewezen acht. Anders dan de raadsman, die stelt dat de dader het opzet ook pas kan hebben verkregen nadat hem het geld was overhandigd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet op oplichting had vanaf het moment dat hij telefonisch contact met de aangeefster opnam. Verdachte heeft zich immers voorgedaan als een bonafide koper, heeft de stoel uitgeprobeerd,en te kennen gegeven tot de koop daarvan over te willen gaan en gevraagd of aangeefster terug had van 100 euro. Toen de echtgenoot van aangeefster vervolgens 50 euro liet zien en aldus te kennen gaf te kunnen wisselen c.q. geld te kunnen teruggeven, pakte verdachte het geld uit zijn hand en verliet hij hard hollend, zonder enige aanstalten tot betalen voor de stoel te hebben gemaakt, de woning, om niet meer terug te keren .

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 3 juli 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, de echtegenoot van W. van de [slachtoffer5] heeft bewogen tot de afgifte van 50 euro, hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- telefonisch heeft gereageerd op een prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden relaxstoel, en

- heeft gezegd/medegedeeld dat zijn naam [naam] zou zijn, en

- diezelfde dag een afspraak heeft gemaakt voor bezichtiging/koop van voornoemde stoel, en

- heeft gezegd / medegedeeld / voorgewend, na bezichtiging, dat hij de stoel wenste te kopen, en

- heeft gevraagd of de echtgenoot van) W. van de [slachtoffer5] terug had van 100 euro, en

- waarop de echtgenoot van W. van de [slachtoffer5] vervolgens 50 euro uit zijn portemonnee heeft gepakt, en

- waarna verdachte vervolgens voornoemde 50 euro heeft weggepakt / (weg)gegrist uit de hand(en) van de echtgenoot van) W. van de [slachtoffer5] en vervolgens is weggerend,

waardoor de echtgenoot van W. van de [slachtoffer5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

In het bijzonder ten aanzien van feit 6:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 mei 2011 wordt in de gemeente Ede uit een woning weggenomen een geldbedrag van 120 euro toebehorende aan H. van de [slachtoffer6].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Naast de aangifte van Van de [slachtoffer6] is er geen aanvullend bewijs. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat de diefstal heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Via advertentiekaartjes heeft aangever omstreeks 25 april 2011 meerdere advertenties opgehangen. Op 30 mei, omstreeks 17.10 uur, werd aangever gebeld door een manspersoon die interesse had in de playstation zoals op de advertentiekaartjes stond. Het telefoonnummer van deze man was [nummer]. Nog diezelfde dag, rond 17.30 uur kwam de manspersoon bij hem aan de deur waarop aangever hem de playstation heeft laten zien. Nadat de manspersoon was vertrokken met de mededeling geld te gaan pinnen om de playstation te betalen, is aangever boodschappen gaan doen. In de winkel bij het afrekenen constateerde aangever dat een bedrag van 120 euro was verdwenen uit zijn portemonnee, terwijl aangever kort voor het bezoek van voornoemde manspersoon nog 120 euro had gepind. Aangever heeft deze manspersoon omschreven als iemand van ongeveer 30 jaar, vloeiend Nederlands sprekend, met een ‘buitenlands uiterlijk’, met een lengte tussen 1.70 meter en 1.80 meter.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken, donkere wenkbrauwen. Voorts heeft de rechtbank uit eigen waarneming vastgesteld dat verdachte de Nederlandse taal goed machtig is.

Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede.

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest.

Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank verdachte degene die de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 30 mei 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning heeft weggenomen Euro 120,--, toebehorende aan H. van de [slachtoffer6];

In het bijzonder ten aanzien van feit 7 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 01 juni 2011 is in de gemeente Wageningen weggenomen een geldbedrag van 65 euro toebehorende aan J.J. [slachtoffer7].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht tevens bewezen de strafverzwarende omstandigheid van het geweld en is van oordeel dat het uit de hand grissen en/of pakken geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Het standpunt van de verdediging

Dat sprake is geweest van het onverhoeds pakken en/of grissen van het geld uit handen van de aangeefster blijkt niet uit de aangifte. Als het wel zo zou zijn gegaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat op zich onvoldoende is om de strafverzwarende omstandigheid van het geweld bewezen te verklaren. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Nu alleen de aangifte overblijft die voor het bewijs gebruikt kan worden wordt niet aan het bewijsminimum voldaan. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat van J.J. [slachtoffer7] een bedrag van 65 euro is gestolen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan deze diefstal heeft schuldig gemaakt en, zo ja, of de wijze waarop dit is geschied het oordeel kan dragen dat daarbij geweld in de zin van art. 312 van het Wetboek van Strafrecht is gebruikt.Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever had bij de C1000 twee kaartjes opgehangen waarop hij een kastje en fietsendrager te koop aanbood. Op 1 juni 2011 rond 14.04 uur werd aangever gebeld door een man met de vraag of de goederen nog te koop waren. Het nummer waarmee aangever werd gebeld, was [nummer]. Diezelfde dag, omstreeks 15.00 uur meldde zich een man die voor het kastje kwam. De man vond het een leuk kastje en vroeg of aangever terug had van 100 euro. Aangever had 65 euro wisselgeld welk wisselgeld de man uit zijn hand griste, waarna deze wegliep. Als signalement van de man heeft aangever opgegeven: een man in de leeftijd van ongeveer 35 jaar, met een lengte van ongeveer 1.80 meter en een getinte huidskleur, mogelijk van Turkse of Marokkaanse komaf, goed Nederlands sprekend en met een normaal postuur.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken, donkere wenkbrauwen. Voorts heeft de rechtbank uit eigen waarneming vastgesteld dat verdachte de Nederlandse taal goed machtig is.

Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede.

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank verdachte degene die van J.J. [slachtoffer7] 65 euro heeft gestolen. De rechtbank acht echter de strafverzwarende omstandigheid van het geweld niet bewezen. Het enkel uit de hand grissen van geld levert zonder bijkomende omstandigheden geen geweld op. Verdachte zal daarom van deze strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 1 juni 2011 in de gemeente Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 65,--, toebehorende aan J.J. [slachtoffer7];

In het bijzonder ten aanzien van feit 8 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 juni 2011 is in de gemeente Ede weggenomen een geldbedrag van 35 euro toebehorende aan E.J. [slachtoffer8].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Dat sprake is geweest van het onverhoeds pakken en/of grissen van het geld uit handen van de aangeefster blijkt niet uit de aangifte. Als het wel zo zou zijn gegaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat op zich onvoldoende is om de strafverzwarende omstandigheid van het geweld bewezen te verklaren. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Nu alleen de aangifte overblijft die voor het bewijs gebruikt kan worden wordt niet aan het bewijsminimum voldaan. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat een geldbedrag van 35 euro, toebehorende aan E.J. [slachtoffer8], is gestolen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt en, zo ja, of de wijze waarop dit is geschied het oordeel kan dragen dat daarbij geweld in de zin van art. 312 van het Wetboek van Strafrecht is gebruikt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft haar strijkbout en strijkplank te koop aangeboden via een zogenaamde prikbordadvertentie. Op 14 juni 2011 werd zij gebeld door een haar onbekende man vanaf het nummer [nummer]. Deze persoon had interesse voor haar spullen. Ongeveer een half uur later uur stond bij haar voordeur een man die vertelde dat hij de strijkbout kwam ophalen. Aangeefster omschrijft de man als klein, met een lengte van ongeveer 1.70 meter, met een smal gezicht en een dun postuur. De man wilde met 50 euro betalen. Toen aangeefster het wisselgeld wilde geven pakte de man het geld snel uit haar hand en voordat aangeefster het doorhad was de man verdwenen en rende hij in de richting van de Tooroplaan te Ede.

De getuige I. van [slachtoffer12] heeft verklaard op 14 juni 2011 rond het tijdstip van de diefstal een jongen te hebben zien wegrennen over het grasveld voor haar balkon langs.

Zij woont aan de Jan Th. Tooroplaan te Ede. Zij omschrijft de jongen als volgt: in de leeftijd van ongeveer 28 jaar, met een lengte van ongeveer 1.70 meter, met kort zwart haar en een Turks of Marokkaans uiterlijk.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede.

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank verdachte degene die de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht echter de strafverzwarende omstandigheid van het geweld niet bewezen. Het enkel uit de hand grissen van geld levert zonder bijkomende omstandigheden geen geweld op. Verdachte zal daarom van deze strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 juni 2011in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 35,--, toebehorende aan E.J. [slachtoffer8];

In het bijzonder ten aanzien van feit 9:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 juni 2011 wordt in de gemeente Ede J.M. [slachtoffer9] bewogen tot de afgifte van 70 euro. De persoon die [slachtoffer9] daartoe bewoog heeft telefonisch gereageerd op een prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden fitnessapparaat. De man is naar de woning van aangever gegaan en heeft na bezichtiging gezegd het apparaat te willen kopen en gevraagd of [slachtoffer9] terug had van 100 euro. De persoon heeft vervolgens het wisselgeld ad 70 euro dat [slachtoffer9] vasthad uit de handen van die [slachtoffer9] gegrist en gezegd dat hij de 100 euro uit zijn auto zou pakken. De man is vervolgens weggegaan en niet meer teruggekomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer], is niet te herleiden naar deze verdachte. Als een telefoonnummer al te koppelen is aan een abonnement wil dat niet zeggen dat de abonnementhouder ook telkens degene is die belt. Het abonnement zou op naam staan van ene [verdachte], wonende te Ede aan de [adres]. Niet is nagegaan of er op dat adres meer personen wonen die [verdachte] heten. Vervolgens is er voor het bewijs alleen de verklaring van de aangever en een verklaring van een getuige. Tot slot zet de verdediging vraagtekens bij de opzet nu niet blijkt dat op het moment dat de dader het geld overhandigd kreeg hij de opzet had aangever op te lichten. De verdediging is van oordeel dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat aangever [slachtoffer9] door een samenweefsel van verdichtsels bewogen is tot de afgifte van geld. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan deze oplichting heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn. Daarnaast speelt de vraag of het opzet bewezen kan worden.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangever [slachtoffer9] verklaart dat hij, na het ophangen van een prikbordadvertentie op 30 juni 2011 omstreeks 12.50 uur werd gebeld door het telefoonnummer [nummer]. Een man vroeg of het fitnessapparaat nog te koop was. Dit bleek het geval en de man zou langskomen. Omstreeks 13.00 uur, 10 minuten nadat de man had gebeld, verscheen er een manspersoon aan de deur met het volgende signalement: klein, ongeveer 1.70 meter lang, met een smal, tenger postuur, grote wenkbrauwen en een getinte huidskleur, goed Nederlands sprekend, zonder accent. Nadat de man het apparaat had bekeken wilde hij het kopen en vroeg of aangever terug had van 100 euro.

Aangever gaf de man 70 euro wisselgeld waarop de man zei even zijn geld uit de auto te halen. Vervolgens is de man niet teruggekomen.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

De stelling van de verdediging dat het telefoonnummer niet als bewijs kan worden gebruikt wordt door de rechtbank verworpen. Het telefoonnummer [nummer] staat op naam van [verdachte], [adres] te Ede. Dit adres betreft het adres van de ouders van verdachte. Korte tijd nadat met dit telefoonnummer contact werd opgenomen met aangeefster en aangeefster aan deze persoon haar adres had gegeven, verscheen een manspersoon aan de deur waarvan de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen vaststelt dat dat de verdachte [verdachte] moet zijn geweest. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat degene die telefonisch contact opnam met de aangeefster dezelfde persoon is die zich vervolgens bij aangeefster gemeld heeft.

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer9] heeft bewogen tot afgifte van geld.

Voor wat betreft het ontbreken van het opzet op oplichting merkt de rechtbank op dat zij dit wel bewezen acht. Anders dan de raadsman, die stelt dat de dader het opzet ook pas kan hebben verkregen nadat hem het geld was overhandigd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet op oplichting had vanaf het moment dat hij telefonisch contact met de aangeefster opnam. Verdachte heeft zich immers kort daarna voorgedaan als een bonafide koper, heeft het fitnessapparaat bekeken en te kennen gegeven tot de koop daarvan over te willen gaan en heeft vervolgens gevraagd of aangever terug had van 100 euro. Toen aangever vervolgens 70 euro liet zien en aldus te kennen gaf te kunnen wisselen c.q. geld te kunnen teruggeven en dit geld aan verdachte te goeder trouw overhandigde, zei verdachte het geld uit zijn auto te halen om vervolgens niet terug te komen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 30 juni 2011in de gemeente Ede met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, J.M. [slachtoffer9] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 70,--, hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en

bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- telefonisch in de richting van die [slachtoffer9] heeft gereageerd op een prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden fitnessapparaat, en

- in de woning van die [slachtoffer9] heeft afgesproken, en

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend na bezichtiging dat hij dat

fitnessapparaat wenste te kopen, en

- heeft gevraagd of die [slachtoffer9] wisselgeld terug heeft van Euro 100,--, en

- die Euro 70,--, van die [slachtoffer9] heeft aangenomen, en

- tegen die [slachtoffer9] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 100,--) uit zijn auto zou halen/pakken, en

- vervolgens is weggegaan,

waardoor die [slachtoffer9] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

In het bijzonder ten aanzien van feit 10:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 23 augustus 2011 wordt in de gemeente Ede J. [slachtoffer10] bewogen tot de afgifte van 50 euro. De persoon die [slachtoffer10] daartoe bewoog is naar de woning/fietsenwinkel van die [slachtoffer10] gegaan en heeft na bezichtiging gezegd dat hij een fiets wilde kopen waarop hij een aanbetaling van 50 euro wilde doen. De persoon vroeg [slachtoffer10] of zij terug had van 100 euro waarop die persoon de 50 euro wisselgeld die [slachtoffer10] gepakt had aannam en deed alsof hij zijn kleding doorzocht naar de 100 euro. De persoon vertelde [slachtoffer10] dat hij de 100 euro in zijn auto had liggen en deze ging halen. Vervolgens is de persoon niet teruggekomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Aangeefster verklaart dat er op 1 augustus 2011 een man in de winkel is geweest die een fiets zocht voor zijn nichtje. Op 23 augustus 2011, ruim drie weken later, komt er weer een man in de winkel maar nu om een fiets voor zichzelf te kopen. Aangeefster verklaart dan dat het dezelfde man was die ook op 1 augustus 2011 in de winkel was. Hoe aangeefster dat weet blijkt niet uit de aangifte. Voor wat betreft de fotoherkenning, er wordt getwijfeld, blijkt niet of aangeefster de man herkent die op 1 of 23 augustus 2011 in de winkel is geweest. Tot slot zet de verdediging vraagtekens bij het opzet nu niet blijkt dat op het moment dat de dader het geld overhandigd kreeg hij het opzet had aangeefster op te lichten. De verdediging is van oordeel dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat aangeefster [slachtoffer10] door een samenweefsel van verdichtsels bewogen is tot de afgifte van geld. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan deze oplichting heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn. Daarnaast speelt de vraag of het opzet bewezen kan worden.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte.

Op 1 augustus 2011 kwam een man in de winkel bij aangeefster met de mededeling afgesproken te hebben met zijn nichtje omdat zij een fiets wilde kopen. De man keek naar een blauwe fiets. Op zeker moment wilde de man niet langer wachten. Later op diezelfde dag kwamen er drie meisjes bij de winkel. Aan het meisje dat een fiets wilde hebben heeft aangeefster gevraagd of zij een afspraak met haar neef had. Het meisje vertelde toen dat die man niet haar neef, maar haar oom was. Het meisje toonde interesse voor dezelfde blauwe fiets. Op 23 augustus 2011 kwam dezelfde man de winkel binnen die interesse had getoond voor die blauwe fiets.

[getuige3] heeft verdachte eind juli 2011 gevraagd mee te gaan naar een fietsenzaak. Toen getuige bij de fietsenzaak kwam bleek dat verdachte, volgens mededeling van aangeefster, al geweest was. Getuige [getuige3] wist toen gelijk dat het haar oom [verdachte] betrof. Verdachte zou die dag ook tegen de moeder van [getuige3] hebben gezegd dat hij de fiets gezien had maar deze te duur vond.

Tijdens een fotoconfrontatie heeft aangeefster, nadat haar een selectie van 34 foto’s was getoond, gevraagd om haar nogmaals foto 24 te laten zien. Aangeefster verklaart dan: “Ik heb nu sterk de indruk dat deze persoon degene is die mij heeft opgelicht. Ik herkende hem aan zijn oogopslag, nadat de foto was vertoond dacht ik dat deze man heel goed de dader kon zijn.” Foto 24 betreft de foto van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ([geboorteland]).

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer10] heeft bewogen tot afgifte van geld.

Voor wat betreft het ontbreken van het opzet tot het plegen van oplichting merkt de rechtbank op dat zij de opzet wel bewezen acht. Anders dan de raadsman, die stelt dat de dader het opzet kan hebben verkregen nadat hem het geld was overhandigd, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte de opzet tot oplichting had vanaf het moment dat hij de winkel binnenkwam. Verdachte was al eerder in de winkel geweest waardoor hij bij zijn tweede bezoek een betrouwbaarder indruk maakte. Wanneer hij zegt een aanbetaling te willen doen en hem in verband daarmee wisselgeld wordt overhandigd zegt hij dat hij zijn geld in de auto heeft laten liggen. Verdachte verlaat de winkel, steekt de weg over en rent vervolgens hard weg, om niet meer terug te komen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het voornemen er vandoor te gaan met het wisselgeld pas is ontstaan na ontvangst van het wisselgeld, gelet op de zeer korte tijd die is verstreken tussen het verlaten van de winkel en het wegrennen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 23 augustus 2011in de gemeente Ede met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, J. [slachtoffer10] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 50,--, hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- naar de fietsenwinkel van die [slachtoffer10] is gegaan, en

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend na bezichtiging dat hij een fiets wenste te kopen, en

- heeft gezegd dat hij een aanbetaling ad Euro 50,-- wilde doen, en

- heeft gevraagd of die [slachtoffer10] (wisselgeld) terug heeft van Euro 100,--, en

- die Euro 50,--, uit de/een hand(en)) van die [slachtoffer10] heeft aangenomen, en

- daarbij zijn, verdachtes kleding/zakken heeft doorzocht (alsof hij die Euro 100,-- in zijn kleding/zakken heeft zitten), en

- tegen die [slachtoffer10] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 100,--) in zijn auto heeft liggen / uit zijn auto zou halen/pakken, en

- vervolgens is weggerend,

waardoor die [slachtoffer10] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

In het bijzonder ten aanzien van feit 11:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 16 september 2011 wordt in de gemeente Ede H. [slachtoffer11] bewogen tot de afgifte van 35 euro. De persoon die [slachtoffer11] daartoe bewoog heeft telefonisch gereageerd op een prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden hoeveelheid boekjes en is naar de woning van [slachtoffer11] gegaan. Na bezichtiging heeft die persoon gezegd dat hij die boekjes wilde kopen en gevraagd of [slachtoffer11] terug had van 50 euro. [slachtoffer11] heeft het wisselgeld, 35 euro gepakt welk bedrag die persoon uit de hand van die [slachtoffer11] heeft gepakt met de mededeling dat hij, die persoon, de 50 euro uit zijn auto zou halen. Vervolgens is die persoon weggegaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Er ligt een aangifte waaruit blijkt dat er iets gegeven zou zijn. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer] waarmee aangever gebeld is, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Tot slot zet de verdediging vraagtekens bij de opzet nu niet blijkt dat op het moment dat de dader het geld overhandigd kreeg hij de opzet had aangever op te lichten. De verdediging is van oordeel dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat aangever [slachtoffer11] door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van geld. Er is dus sprake van oplichting. De vraag die de rechtbank in deze dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de oplichting heeft schuldig gemaakt en of de daartoe voorhanden bewijsmiddelen voldoende zijn. Daarnaast speelt de vraag of het opzet bewezen kan worden.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangever heeft via een advertentie boekjes aangeboden voor 15 euro. Op 16 september 2011 rond 12.45 uur werd aangever gebeld met het nummer [nummer]. Een man had belangstelling voor de boekjes en vroeg of hij direct langs mocht komen. Rond 13.15 uur stond er een man voor de deur die aangever als volgt kan omschrijven: lengte 1.65 – 1.75 meter, een normaal postuur, in de leeftijd van 30 tot 35 jaar, met kort zwart haar. Aangever heeft de man binnen gelaten. Deze gaf direct te kennen de boekjes te willen kopen. De man vroeg aangever of hij kon wisselen van 50 euro. Aangever pakte 35 euro wisselgeld en gaf dat aan de man die daarop zei even naar de auto te moeten lopen om de 50 euro te pakken. Ineens was de man verdwenen. Aangever is nog achter de man aangelopen, maar hij was nergens meer te bekennen.

Na de aanhouding van verdachte op 15 november 2011 is tijdens zijn fouillering een mobiele telefoon van het merk LG GSM in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het nummer niet kon worden gekoppeld aan een abonnement(houder). Het ging om een zogenaamd pre-paid abonnement. Een verbalisant heeft daarop met zijn diensttelefoon het nummer [nummer] gebeld. Verbalisant hoorde toen de onder verdachte in beslag genomen telefoon overgaan en zag in het scherm van dit toestel het nummer van zijn diensttoestel weergegeven worden.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

Voor wat betreft het ontbreken van het opzet op oplichting merkt de rechtbank op dat zij dit wel bewezen acht. Anders dan de raadsman, die stelt dat de dader het opzet ook pas kan hebben verkregen nadat hem het geld was overhandigd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet op oplichting had vanaf het moment dat hij telefonisch contact met de aangever opnam. Verdachte heeft zich immers kort daarna voorgedaan als een bonafide koper, heeft de boekjes bekeken en te kennen gegeven tot de koop daarvan over te willen gaan en heeft vervolgens gevraagd of aangever terug had van 50 euro. Toen aangever vervolgens 35 euro liet zien en aldus te kennen gaf te kunnen wisselen c.q. geld te kunnen teruggeven en dit geld aan verdachte te goeder trouw overhandigde, zei verdachte het geld uit zijn auto te halen om vervolgens niet terug te komen.

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer11] heeft opgelicht. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 september 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, H. [slachtoffer11] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 35,- hierin bestaande dat verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- telefonisch in de richting van die [slachtoffer11] heeft gereageerd op een

prikbordadvertentie met betrekking tot een te koop aangeboden hoeveelheid

boekjes, en

- naar de woning van die [slachtoffer11] is gegaan, en

- aldaar heeft gezegd/medegedeeld/voorgewend dat hij die boekjes wenste te kopen, en

- heeft gevraagd of die [slachtoffer11] terug heeft van Euro 50,--, en

- die Euro 35,--, van die [slachtoffer11] heeft aangenomen, en

- tegen die [slachtoffer11] heeft gezegd dat hij, verdachte het geld (Euro 50,--) uit zijn auto zou halen/pakken, en

- vervolgens is weggegaan,

waardoor die [slachtoffer11] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

In het bijzonder ten aanzien van feit 12 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 september 2011 is in de gemeente Ede weggenomen een geldbedrag van 60 euro toebehorende aan W.M.H. van [slachtoffer12].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Dat sprake is geweest van het weggrissen van het geld blijkt niet uit de aangifte Als het wel zo zou zijn gegaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat op zich onvoldoende is om de strafverzwarende omstandigheid van het geweld bewezen te verklaren. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer] waarmee aangever gebeld is, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Een buurvrouw ziet iemand wegrennen, maar dat kan niet bijdragen tot het bewijs. Wat resteert is slechts de aangifte hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vastaande feiten volgt dat een geldbdrag van 65 euro, toebehorende aan W.M.H. van [slachtoffer12] is gestolen. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt en zo ja, of deze diefstal gepaard is gegaan met geweld.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangeefster heeft via een advertentie een side-table te koop aangeboden voor 40 euro. Op 19 september 2011 rond 17.30 uur werd zij gebeld door een telefoon met het nummer [nummer].

Zij hoorde een mannenstem die vroeg of het tafeltje nog te koop was. Na bevestiging zei de man langs te zullen komen. Ongeveer 5 minuten later zag aangeefster een buitenlandse man aan de deur staan die zij als volgt heeft omschreven: in de leeftijd rond midden 20, met een lengte van ongeveer 1.70 meter en een tenger en slank postuur, zeer goed Nederlands sprekend met licht accent. De man vertelde direct de tafel te willen kopen. Nadat de man gevraagd had of aangeefster terug had van 100 euro pakte aangeefster haar portemonnee met drie briefjes van 20 euro. De man pakte het geld uit haar handen en zei dat hij zijn geld in de auto had liggen en dat even ging pakken. Voordat aangeefster het wist was de man verdwenen.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

De buurvrouw van aangeefster zag op 19 september 2011 rond 17.45 uur een man bij aangeefster vandaan komen lopen. Deze buurvrouw ziet dat de man wegrende richting Poortplein.

Na de aanhouding van verdachte op 15 november 2011 is tijdens zijn fouillering een mobiele telefoon van het merk LG GSM in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het nummer niet kon worden gekoppeld aan een abonnement(houder). Het ging om een zogenaamd pre-paid abonnement. Een verbalisant heeft daarop met zijn diensttelefoon het nummer [nummer] gebeld. Verbalisant hoorde toen de onder verdachte in beslag genomen telefoon overgaan en zag in het scherm van dit toestel het nummer van zijn diensttoestel weergegeven worden.

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht de strafverzwarende omstandigheid van het geweld niet bewezen. Het enkel uit de hand grissen/pakken van geld levert zonder bijkomende omstandigheden geen geweld op. Verdachte zal daarom van de strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 19 september 2011 in de gemeente Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 60,--, toebehorende aan W.M.H. van [slachtoffer12];

In het bijzonder ten aanzien van feit 13 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 september 2011 is in de gemeente Renkum weggenomen een geldbedrag van 40 euro toebehorende aan R.L.C. van [slachtoffer13].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Dat sprake is geweest van het weggrissen van het geld blijkt niet uit de aangifte. Als het wel zo zou zijn gegaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat op zich onvoldoende is om de strafverzwarende omstandigheid van het geweld bewezen te verklaren. Het eventuele aanvullende bewijs, het telefoonnummer [nummer] waarmee aangever gebeld is, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Wat resteert is slechts de aangifte hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat een geldbedrag van 40 euro, toebehorende aan R.L.C. van [slachtoffer13], is gestolen. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt en zo ja, of deze diefstal gepaard is gegaan met geweld.

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijsmiddelen zijn dan alleen de aangifte. Aangeefster heeft via een advertentie een trainingspak te koop aangeboden voor 10 euro. Op 28 september 2011 rond 16.00 uur werd zij gebeld door een telefoon met het nummer [nummer]. Zij hoorde een mannenstem die interesse had voor het trainingspak. De man zou dezelfde dag langskomen. Ongeveer een half uur later kwam de man aanlopen en werd door aangeefster binnengelaten. Na het trainingspak te hebben gezien liet de man weten het te willen kopen. De man vroeg of aangeefster terug had van 50 euro. Toen dat gelukt was hoorde aangeefster de man zeggen: “geef dat maar vast aan mij, want dan haal ik even mijn portemonnee uit mijn auto, want die ben ik vergeten.” De man pakte het geld en liep weg. Aangeefster heeft de man daarna niet teruggezien. Aangeefster omschrijft de man als volgt: een licht getinte man, met een Marokkaans uiterlijk, in de leeftijd van rond de 30 jaar, met een tenger postuur en een lengte van 1.70 meter.

De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan het volgende signalement: lengte ongeveer 1.71 meter, tenger postuur, smal gezicht, zwart krullend haar met kale plekken en donkere wenkbrauwen.

Na de aanhouding van verdachte op 15 november 2011 is tijdens zijn fouillering een mobiele telefoon van het merk LG GSM in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het nummer niet kon worden gekoppeld aan een abonnement(houder). Het ging om een zogenaamd pre-paid abonnement. Een verbalisant heeft daarop met zijn diensttelefoon het nummer [nummer] gebeld. Verbalisant hoorde toen de onder verdachte in beslag genomen telefoon overgaan en zag in het scherm van dit toestel het nummer van zijn diensttoestel weergegeven worden.

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht de strafverzwarende omstandigheid van het geweld niet bewezen. Het enkel uit de hand grissen/pakken van geld levert zonder bijkomende omstandigheden geen geweld op. Verdachte zal daarom van de strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 28 september 2011 in de gemeente Renkum met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 40,--, toebehorende aan R.L.C. van [slachtoffer13];

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feiten 4, 6, 7 primair, 8 primair, 12 primair en 13 primair telkens:

Diefstal.

Ten aanzien van de feiten 5 primair, 9, 10 en 11 telkens:

Oplichting.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie is van oordeel dat op grond van het bewezenverklaarde, 13 incidenten waarvan 5 diefstallen met geweld, een straf zoals door haar geëist passend en geboden is. Verdachte heeft een enorm strafblad met soortgelijke feiten. Voorts dient rekening te worden gehouden met de impact die deze feiten op de slachtoffers heeft gehad. Het mag dan telkens om kleine bedragen zijn gegaan, maar dat maakt de immateriële schade die geleden is niet minder groot. Verdachte is steeds in goed vertrouwen binnengelaten en heeft het aangeboden wisselgeld afgepakt om vervolgens de woning uit te vluchten. Op ernstige wijze is misbruik gemaakt van het vertrouwen van de slachtoffers.

Uit de rapportage blijkt dat verdachte in de problemen komt wanneer hij niet geholpen wordt. Verdachte is al vaker geholpen. Verdachte kan geholpen worden maar als het aan de officier van justitie ligt dan eerst op het eind van zijn detentie. Er moet eerst afgerekend worden.

Het standpunt verdediging

Indien de rechtbank al tot enige bewezenverklaring komt, waarbij zeker de geweldscomponent bij de tenlastegelegde diefstallen met geweld komt te vervallen, zal een stevige compensatie op de eis tot gevolg moeten hebben.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 06 januari 2012;

• een trajectconsult betreffende verdachte, gedateerd 6 december 2011, opgemaakt door de psychiater J.H. Verhoef;

• een tweetal voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland (IrisZorg), gedateerd 17 november 2011 en 23 januari 2012 betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachtes documentatie is zeer indrukwekkend te noemen. Verdachte is al meermalen voor oplichting en vermogensdelicten veroordeeld tot onder meer forse gevangenisstraffen.

Van februari 2011 tot en met september 2011 heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten: verduisteringen, een diefstal met geweld waarbij een 86 jarige mevrouw, lopend achter haar rollator, het slachtoffer werd, vijf oplichtingen en zes diefstallen. Daarbij heeft verdachte zich frequent voorgedaan als een bonafide koper om zo door smoesjes wisselgeld te krijgen zonder zelf betaald te hebben om vervolgens weg te gaan.

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank, op één uitzondering na, niet tot een bewezenverklaring van de diefstallen met geweld. De officier van justitie, hoewel van mening dat het de ondergrens van geweld betrof, heeft haar eis mede hierop gebaseerd. De raadsman stelt dat, indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de geweldscomponent komt, dit tot een aanzienlijke compensatie moet leiden.

De rechtbank is van oordeel dat die compensatie in deze niet op zijn plaats is. De door verdachte gepleegde feiten zijn buitengewoon ernstig en zorgen voor veel maatschappelijke onrust en overlast. Mensen die verdachte wilde helpen en hem in goed vertouwen geld leende, kregen niet alleen hun geld niet terug, maar werden nogmaals geld afhandig gemaakt. Anderen plaatsten een advertentie en lieten niets vermoedend en in goed vertrouwen iemand binnen in hun woning die zei interesse te hebben in het aangeboden goed. Door zich voor te doen als een bonafide koper werd de slachtoffers geld afhandig gemaakt. Voordat deze slachtoffer er erg in hebben dat zij worden opgelicht of bestolen, is verdachte al weg, zijn slachtoffers in verbijstering en ongeloof achterlatend. Bij veel slachtoffers heeft de handelswijze van verdachte gevoelens van angst opgewekt en geleid tot verminderd vertrouwen in anderen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een laffe diefstal met geweld, gepleegd tegen een oudere vrouw die liep met behulp van een rollator.

Zoals hiervoor al opgemerkt is verdachte al meermalen eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld. Kennelijk trekt verdachte zich niets aan van de al forse opgelegde gevangenisstraffen (variërend van 15 tot 30 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk).

De rechtbank acht een eis zoals door de officier van justitie neergelegd, ondanks dat verdachte is vrijgesproken van een aantal strafverzwarende omstandigheden, in deze passend en geboden. Indien verdachte werkelijk aan zijn problematiek wenst te werken kan hij daar aan het eind van zijn detentie mee aanvangen. Het moet verdachte een keer duidelijk worden dat de door hem gepleegde feiten ernstige zijn en absoluut niet getolereerd worden.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij:

J. van [slachtoffer1], namens handwerkspeciaalzaak Van Kesteren (feit 1 subsidiair) vordert een bedrag van € 50,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

J.H. [slachtoffer3], namens Edelsmid Jan [slachtoffer3] (feit 3 primair) vordert een bedrag van € 50,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

D. [slachtoffer4] (feit 4) vordert een bedrag van € 193,35 met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

H. van de [slachtoffer6] (feit 6) vordert een bedrag van € 120,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

J.J. [slachtoffer7] (feit 7 primair) vordert een bedrag van € 65,--;

J.M. [slachtoffer9] (feit 9) vordert een bedrag van € 70,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

J. [slachtoffer10] (feit 10) vordert een bedrag van € 50,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

H. [slachtoffer11] (feit 11) vordert een bedrag van € 35,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade;

W.M.H. van [slachtoffer12] (feit 12 primair) vordert een bedrag van € 60,-- met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt alle vorderingen van de benadeelde partijen integraal toe te wijzen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daar waar sprake is van weinig tot geen onderbouwing kan het schadebedrag gelieerd worden aan de aangifte. Voor wat betreft de vordering van [slachtoffer4] is de officier van justitie van oordeel dat de schade als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaring is aan te merken. Daarnaast is het bedrag redelijk en passend naar aanleiding van het gebeuren.

Naast de toewijzing is de officier van justitie van oordeel dat bij elke toe te wijzen vordering de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd alsmede dat, voor zover daarom verzocht, de wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking komt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de in de tenlastelegging opgenomen bedragen, er voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen geen verweer wordt gevoerd. Dit geldt echter niet voor de vordering van [slachtoffer4]. Mevrouw [slachtoffer4] vordert meer schade dan in de tenlastelegging is opgenomen en deze schade is in onvoldoende mate onderbouwd. De vordering van mevrouw [slachtoffer4] dient te worden afgewezen c.q. niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De beoordeling door de rechtbank

Voor wat betreft de vordering van mevrouw [slachtoffer4] (feit 3) zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betreft de schade ad € 25,-- inzake de tankpas, nu deze schade niet rechtstreeks door de benadeelde partij is geleden maar door haar werkgever. Anders dan de verdediging stelt is de rechtbank van oordeel dat voor het overige de vordering in voldoende mate is onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal de civiele vordering van mevrouw [slachtoffer4] tot een bedrag van € 168,35 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken, de toelichting van de benadeelde partij ter zitting en de bewezenverklaring op dat bedrag naar billijkheid is begroot.

Tegen de overige vorderingen van de benadeelde partijen is geen verweer gevoerd. De rechtbank de achterliggende strafbare feiten bewezen, De vorderingen komen de rechtbank niet onredelijk voor en zullen daarom integraal worden toegewezen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 310, 312, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J. van [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J. van [slachtoffer1], namens handwerkspeciaalzaak Van Kesteren, wonende te [adres], te betalen € 50 ,-- (zegge vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2011 voor wat betreft een bedrag van € 30,-- en vanaf 15 april 2011 voor wat betreft een bedrag van € 20,--.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 50,--, subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J. van [slachtoffer1], namens handwerkspeciaalzaak Van Kesteren, wonende te [adres], te betalen € 50 , (zegge vijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van 3 primair:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.H. [slachtoffer3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J.H. [slachtoffer3], namens Edelsmid Jan [slachtoffer3], wonende te [adres], te betalen € 50,-- (zegge vijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 50,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J.H. [slachtoffer3], namens Edelsmid Jan [slachtoffer3], wonende te [adres], te betalen € 50,-- (zegge vijftig euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 4:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij D. [slachtoffer4].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan D. [slachtoffer4], wonende te [adres], te betalen € 168,35 (zegge honderdachtenzestig euro en vijfendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 168,35, subsidiair 3 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer D. [slachtoffer4], wonende te [adres], te betalen € 168,35, (zegge honderdachtenzestig euro en vijfendertig eurocent), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 6:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij H. van de [slachtoffer6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan H. van de [slachtoffer6], wonende te [adres], te betalen € 120,-- (zegge honderdtwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 120,-- subsidiair 2 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer H. van de [slachtoffer6], wonende te [adres], te betalen € 120,-- (zegge honderdtwintig euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 7 primair:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.J. [slachtoffer7].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J.J. [slachtoffer7], wonende te [adres], te betalen € 65,-- (zegge vijfenzestig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 65,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J.J. [slachtoffer7], wonende te [adres], te betalen € 65,-- (zegge vijfenzestig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 9:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.M. [slachtoffer9].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J.J. [slachtoffer7], wonende te [adres], te betalen € 70,-- (zegge zeventig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 70,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J.M. [slachtoffer9], wonende te [adres], te betalen € 70,-- (zegge zeventig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 10:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer10].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J. [slachtoffer10], wonende te [adres], te betalen € 50,-- (zegge vijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 50,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J. [slachtoffer10], wonende te [adres], te betalen € 50,- (zegge vijftig euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 11:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij H. [slachtoffer11].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan H. [slachtoffer11], wonende te [adres], te betalen € 35,-- (zegge vijfendertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 35,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer H. [slachtoffer11], wonende te [adres], te betalen € 35,- (zegge vijfendertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 12 primair:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij W.M.H. van [slachtoffer12].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan W.M.H. van [slachtoffer12], wonende te [adres], te betalen € 60,-- (zegge zestig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 60,-- subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer W.M.H. van [slachtoffer12], wonende te [adres], te betalen € 60,- (zegge zestig euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. D.R. Sonneveldt (voorzitter), C.M.E. Lagarde en J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2012.