Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0439

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
05-800971-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank te Arnhem veroordeelt een 21 jarige korporaal tot een voorwaardelijke werkstraf van veertig uur voor het medeplegen van een feitelijke aanranding van een medemilitair.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800971-10

Datum zitting : 12 september 2011 en 12 maart 2012

Datum uitspraak : 26 maart 2012

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

rang : korporaal,

ingedeeld bij : [locatie] Arnhem.

Raadsman: mr. M.P.K Ruperti, advocaat te Amersfoort.

Officier van justitie: mr. J.C. Stikkelman

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij als militair in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1

februari 2010, te of nabij Harskamp, gemeente Ede,, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer], die toen militair was, althans die bij of ten behoeve van

de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/of

feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk die [slachtoffer] op de grond

liggend tussen hem, verdachte, en zijn mededader(s) in te klemmen, althans

vast te houden en/of (vervolgens) met ontbloot onderlichaam op het gezicht,

althans hoofd van die [slachtoffer] te gaan zitten;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K Ruperti, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010 heeft nabij Harskamp, gemeente Ede, een zogenaamd “3 man tillen incident” plaatsgevonden. Bij dit incident werd [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]), die toen militair was , door een medemilitair gevraagd mee te doen aan een weddenschap, waarbij hem werd voorgehouden dat een medemilitair 3 man zou kunnen optillen. Bij deze weddenschap moest [slachtoffer] op zijn rug op de grond gaan liggen. Vervolgens haakten twee medemilitairen elk aan een kant van [slachtoffer] hun armen en benen in de zijne. Een derde medemilitair heeft vervolgens zijn onderlichaam ontbloot en boven het gezicht van [slachtoffer] een zittende beweging gemaakt .

Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is betoogd dat de verweten gedragingen niet het in artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht genoemde strafbare feit opleveren , omdat, als het totale complex van de verweten gedraging wordt bekeken, niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer1] fysiek hardhandig in zijn persoonlijkheid is aangetast. Het geweldsaspect was niet dusdanig hardhandig dat sprake is geweest van een feitelijke aanranding. Er is geen sprake geweest van geweld en het opzet was daar ook niet op gericht.

Daarnaast dient het handelen te worden gezien als geintje, dat in een lollige, niet grimmige sfeer werd uitgevoerd, en kan het ook om die reden niet gekwalificeerd worden als een strafbaar feit conform artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht, aldus de raadsman.

De raadsman heeft betoogd dat [getuige] (hierna: [getuige]) bij het verhoor bij de rechter commissaris heeft verklaard dat hij het zich niet meer precies weet te herinneren omdat het tijd geleden is.

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte bij het incident met [slachtoffer] aanwezig is geweest. Hij kan daarbij zelfs niet aanwezig zijn geweest nu het incident zich heeft afgespeeld tussen 1 december 2009 en 1 februari 2010. Hij was toen nog aan het revalideren vanwege een ongeluk op 9 maart 2009 in Afghanistan. De verklaringen van aangever dat hij daar wel bij betrokken was vinden onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. [getuige] heeft bij het verhoor bij de rechter commissaris verklaard dat hijzelf niet heeft gezien dat het bij [slachtoffer] of [slachtoffer1] is gebeurd en dat hij het zich niet meer precies weet te herinneren omdat het een tijd geleden is.

Als laatste is door verdachte betwist dat zijn ontblote onderlichaam het gezicht van [slachtoffer] heeft aangeraakt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen te bewijzen dat verdachte bij het incident medepleger was. Hij heeft betoogd dat de slachtoffers er gewoonweg zijn ingeluisd en er geen sprake is van vrijwilligheid bij de slachtoffers. De slachtoffers worden vastgeklemd en vervolgens gaat iemand met ontbloot onderlichaam op het slachtoffer zitten. Hiermee is sprake van een vorm van geweld en kan de feitelijke aanranding worden bewezen.

De officier van justitie heeft voorts betoogd dat de tenlastegelegde gedragingen niet meer kunnen worden gekwalificeerd als een ‘geintje’. Het betoog van de raadsman dat sprake zou zijn van een bepaalde bedrijfscultuur waarbinnen deze handelingen plaatsvinden, wordt door de officier van justitie betiteld als ‘stofnesten’ die uit de organisatie van Defensie zouden moeten verdwijnen.

De officier van justitie heeft betoogd dat het tenlastegelegde feit bewezen dient te worden verklaard.

Beoordeling door de militaire kamer

Verklaringen [getuige]

Op 23 september 2010 wordt [getuige] gehoord door de Koninklijke Marechaussee . Hij verklaart hierbij uitgebreid over verschillende zogenaamde ‘3 man tillen’ incidenten. Over het incident waar aangever het slachtoffer was, verklaart hij dat aangever onder andere door hem werd vastgehouden. Hij ziet dat verdachte zijn broek liet zakken en vervolgens “met zijn smerige blote kont op het gezicht van aangever is gaan zitten” .

Op 5 december 2011 wordt [getuige] door de rechter-commissaris nader gehoord. Hij verklaart dat hij zelf niet heeft gezien dat het ‘3 man tillen incident’ met [slachtoffer] en [slachtoffer1] heeft plaatsgevonden en dat hij het niet meer precies weet omdat het een tijd geleden is.

De militaire kamer zal, ondanks de laatste verklaring van [getuige], de eerdere verklaring van hem bij de Koninklijke Marechaussee voor het bewijs gebruiken, nu hij daarin precies verklaart over welke rol hij zelf en zijn collega’s bij het aan verdachte ten laste gelegde incident hadden, hij zichzelf in zijn verklaring evenzeer belast en deze verklaring voorts steun vindt in andere bewijsmiddelen. De militaire kamer ziet geen reden waarom destijds niet de waarheid zou hebben verklaard. Zijn verklaring bij de rechter-commissaris is niet alleen ruim een jaar later afgelegd, [getuige] geeft daarbij ook zelf aan dat hij het zich door het tijdsverloop niet meer precies kan herinneren. Voorts kan niet worden uitgesloten dat hij verklaart dat hij het voorval met [slachtoffer] zelf niet heeft gezien omdat hij er (in tweede instantie) tegen op ziet zijn collega’s te belasten.

Afwezigheid bij het ‘3 man tillen’ ?

Verdachte verklaart tijdens de terechtzitting dat hij niet bij het ‘3 man tillen’ van aangever aanwezig kan zijn geweest. Hij heeft hiertoe een Registratieformulier çonditieproefscores’ overgelegd waarop staat dat hij op 20 mei 2010 een een conditieproef heeft afgelegd..

De militaire kamer is van oordeel dat op basis van het door verdachte overgelegde stuk niet is vast te stellen dat hij op het moment van het ‘3 man tillen’ niet aanwezig heeft kunnen zijn. Het enkele, gestelde, feit dat verdachte voor 20 mei 2010 aan het revalideren was sluit zijn aanwezigheid niet uit. Dit geldt te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij bij een oefening in de Harskamp aanwezig is geweest en hierbij heeft deelgenomen aan een ‘3 man tillen incident’ waarbij een andere militair, (naam slachtoffer2), het slachtoffer was . Volgens verdachte is dit geweest een jaar of half jaar voordat hij door de Koninklijke Marechaussee werd verhoord op 23 september 2010 .

Rol verdachte

[slachtoffer] heeft over het bij hem uitgevoerde “3 man tillen incident” verklaard dat [getuige] en [medeverdachte1] naast hem kwamen liggen en hun armen in zijn armen haakten zodat hij geen kant op kon. [slachtoffer] lag dus in het midden. [getuige] en [medeverdachte1] haakten ook hun benen in zijn benen. Opeens kwam [verdachte] eraan. [verdachte] ging met zijn blote kont op zijn gezicht zitten . Gelet op deze verklaring en de voornoemde verklaring van [getuige] van 23 september 2010, die daarmee overeenkomt en tenslotte de verklaring van verdachte zelf dat het best zou kunnen dat hij bij [slachtoffer] p zijn gezicht is gaan zitten omdat hij niet meer weet bij wie hij het “kontzit incident”heeft uitgevoerd , acht de militaire kamer bewezen.

dat verdachte ook een wezenlijke rol heeft gespeeld bij het “3 man tillen incident” met [slachtoffer].

Fysieke aanraking

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat tijdens het ‘3-man tillen’ de vierde militair met zijn ontblote achterlichaam het gezicht van het slachtoffer raakt.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat bij de tenlastegelegde ‘3 man tillen incidenten’ bij [slachtoffer1] en [slachtoffer] wel fysieke aanraking van de billen van de vierde man van de gezichten van beide aangevers heeft plaatsgevonden en dat deze daarbij op hun gezichten is gaan zitten.

Aangever [slachtoffer] verklaart hierover dat [verdachte] ongeveer 5 sec op zijn gezicht heeft gezeten . [medeverdachte4] meer in het algemeen over ‘3 man tillen incidenten’ dat de vierde militair met zijn kont op het gezicht gaat zitten en soms met zijn kont heen en weer gaat over het gezicht van de persoon die op de grond ligt . [getuige] verklaart in het algemeen dat de vierde man bij de ‘3 man tillen incidenten’ met zijn blote kont over het gezicht van het slachtoffer heen en weer gaat schuiven en meer specifiek dat hij bij het incident met [slachtoffer] zag dat verdachte met zijn smerige blote kont op het gezicht van [slachtoffer] ging zitten . Verdachte heeft hier zelf over verklaard dat hij het gezicht wel raakt en het zou best kunnen zijn dat hij dan heen en weer heeft geschoven . Ook is er toen hij slachtoffer was van een dergelijk incident op zijn eigen hoofd gezeten .

Geweld/Feitelijke aanranding

De militaire kamer heeft het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het ontbreken van geweld c.q. feitelijk aanranding opgevat als een bewijsverweer.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het om een ‘geintje’ gaat. Het is de militaire kamer bekend dat binnen de krijgsmacht bepaalde grappen – bijvoorbeeld in het kader van ontgroeningen – gebruikelijk zijn. Daartegen behoeft op zichzelf genomen geen bezwaar te bestaan, zolang dit met de instemming van betrokkenen gebeurt en het geen strafbaar feit oplevert.

Bij het onderhavige voorval wordt de betrokken militair (hierna: het slachtoffer) voorgehouden dat een mede soldaat in staat is om drie man op te tillen. Het zou hier een weddenschap betreffen. Het slachtoffer mag twee anderen aanwijzen. De drie militairen gaan op de grond liggen waarbij het slachtoffer tussen de twee door hem aangewezen militairen plaatsneemt. De armen en de benen worden in elkaar gehaakt waardoor het slachtoffer klem komt te liggen. In plaats van te tillen laat een vierde militair zijn broek zakken en gaat met zijn ontblote achterlichaam, te weten zijn billen, op het gezicht van het slachtoffer zitten en in sommige gevallen wordt met de billen over het gezicht heen en weer geschoven.

Een dergelijk ritueel is zodanig buitensporig dat niet alleen de grens tot welke een grap zich kan uitstrekken, maar ook de grenzen die het Wetboek van Militair Strafrecht aan de gedraging van een militair stelt, wordt overschreden

Uit de verklaringen blijkt voorts dat er sprake is van dwang waardoor het slachtoffer geen kant meer op kan als hem de bedoeling van 3-man tillen’ duidelijk wordt. (betrokkene) verklaart hierover toen hijzelf als ‘slachtoffer’ deelnam aan het ‘3-man tillen’: “Ik wilde eigenlijk weg maar ik kon niet weg omdat ik tussen -2- mensen in lag en vastgeklemd werd .” Evenzo verklaart [medeverdachte4]: “Ik weet zeker dat als niemand mij had vastgehouden dat ik me had omgedraaid of was weggelopen . [getuige] verklaart hierover: “Het is echter zo dat die 2 militairen met het slachtoffer tussen hen in liggen met zijn rug op de grond. Deze 2 houden het slachtoffer dan vast bij zijn armen en zijn benen, zodat deze nergens meer heen kan gaan .” [medeverdachte1] verklaart dat het slachtoffer in het midden ligt en geen kant op kan . Verdachte zegt dit feitelijk ook, hij verklaart dat de persoon aan wie het gevraagd wordt in het midden ligt en zo wordt ingeklemd met armen en benen dat hij niets meer kan doen . Volgens hem zou niemand vrijwillig mee doen aan dit spelletje en later verklaart hij nogmaals hierover “Degene die het ondergaat ligt in het midden en wordt vastgehouden, hij kan niet weg als hij dit zou willen .” Ten slotte verklaart [medeverdachte2] dat als de middelste persoon niet aan (2) kanten wordt ingehaakt en wordt vastgehouden de meeste personen wel op zouden staan en de ‘weddenschap niet zouden ondergaan. Hij zou zelf dan ook opstaan en deze ‘weddenschap’ niet vrijwillig ondergaan zijn .

Verder heeft aangever verklaard dat hij, toen duidelijk werd dat het voorval een andere strekking had dan het ‘3 man tillen’, zich verzette en aangegeven niet meer mee te willen werken. Aangezien hij door medeverdachten was ingeklemd kon hij niet loskomen . Gelet op het vorenstaande verwerpt de militaire kamer de stelling van verdachte tijdens de rechtszitting dat een slachtoffer zonder enig probleem kan loskomen.

De militaire kamer is van oordeel dat het tegen de wil inklemmen/ingeklemd houden (ook nadat slachtoffers hebben aangegeven niet meer deel te willen nemen aan het ‘3 man tillen’) wel degelijk geweld behelst en dat zowel dat element van het 3 man tillen als het vervolgens met ontbloot bovenlichaam op het hoofd zitten een met geweld afgedwongen schending oplevert van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Omdat het opzet van verdachte zowel gericht was het geheel van het ‘3 man tillen’, dus zowel op het klemmen als op het daaropvolgende kontzitten, acht de militaire kamer ook het opzet van de feitelijke aanranding bewezen.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij als militair omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010, te Harskamp, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer], die toen militair was, feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk die [slachtoffer] op de grond liggend tussen hem, verdachte, en zijn mededader(s) in te klemmen, althans vast te houden en vervolgens met ontbloot onderlichaam op het gezicht, van die [slachtoffer] te gaan zitten;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het medeplegen van het als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden.

4b. De strafbaarheid van de feiten

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 8 december 2010.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is verzocht om, indien het tot een bewezenverklaring zou komen, mee te laten wegen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en zijn toekomstperspectieven, vanwege deze zaak, op een laag pitje zijn gezet. Voorts is verdachte een uitmuntende militair. Verder is volgens de raadsman van belang dat bij een oplegging van een straf het vrijwel zeker is dat de MIVD de verklaring van geen bezwaar zal intrekken. Ten slotte brengt de raadsman onder de aandacht dat het incident bedoeld is geweest als een ‘geintje’. Hij verzoekt de militaire kamer verdachte eventueel schuldig te verklaren zonder oplegging van straf

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met anderen, in zijn bewoordingen ‘een geintje uitgehaald’ waarbij het slachtoffer feitelijk werd gedwongen te moeten ondergaan dat iemand met zijn blote billen op zijn gezicht ging zitten. De militaire kamer is van oordeel dat het hier niet meer slechts gaat om een grap. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten zijn van dien aard geweest dat er een inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de verklaringen van het slachtoffer komt naar voren dat hij zich door het voorval vies voelde en zich schaamde. Een dergelijke handelen hoort zeker niet thuis op de werkvloer en is een professionele organisatie als de Landmacht onwaardig. Dit handelen, overschrijdt niet alleen de grens tot welke een grap zich kan uitstrekken, maar ook de grenzen die het Wetboek van Strafrecht aan ieders gedragingen stelt.

Verdachte is, zoals blijkt uit de aangehaalde justitiële documentatie, niet eerder veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit. De ernst van het bewezen verklaarde feit maakt echter dat dit niet zonder strafrechtelijke gevolgen kan blijven. Het is de militaire kamer verder niet gebleken dat een oplegging van een straf per definitie zal leiden tot een intrekking van de verklaring van geen bezwaar door de MIVD. De militaire kamer heeft bij de oplegging van de straf hiermee dan ook geen rekening gehouden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is. Te meer nu verdachte tijdens de terechtzitting van 12 maart 2012 niet volledig leek te zijn doordrongen van het strafbare karakter van zijn handelen.

Echter in het voordeel van verdachte heeft de militaire kamer meegewogen dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat verdachte met zijn gewraakte handelen niet louter kwaadwillende bedoelingen had.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een geheel voorwaardelijke werkstraf passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering van [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de door hem geleden schade.

Hij vordert ter zake van geleden immateriële schade een bedrag van € 300,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer acht voldoende bewezen dat [slachtoffer] door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De militaire kamer stelt dit bedrag schattenderwijs vast op € 100,-.

De militaire kamer zal het overige deel van de vordering afwijzen.

De militaire kamer zal tevens de wettelijke rente vanaf 1 februari 2010 toewijzen en de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 47 en 91 van het Wetboek van Straf¬recht en artikel 6, 11 en 140 Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij voor het onder 1 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, ten¬zij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren.

De tenuitvoerleg¬ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef¬tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende militaire detentie zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende militaire detentie vast op 20 (twintig) dagen.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten vier (4) uren, zijnde twee (2) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte1] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer] zal zijn gekweten -, te betalen € 100,- (zegge honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding ad € 100,-- subsidiair 2 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte1] of [medeverdachte0] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer],

- € 100,- (zegge honderd euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

Mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. E. de Boer, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2012.