Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BW0206

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
627300 Cv Expl. 09-5503
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7072, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst zou beëindigen op grond van overeenkomst tussen partijen op 1 oktober 2008 onder toekenning van een bedrag van € 400.000,- door werkgever aan werknemer. Ontslag op staande voet op 29 september 2008. In conventie wordt de nietigheid van het ontslag op staande voet en o.a. betaling van de beëindigingsvergoeding gevorderd en in reconventie schadevergoeding ad € 231.196,15 en nader op te maken bij staat.

Vorderingen in coventie worden afgewezen. Werknemer heeft meermalen kosten in rekening gebracht bij SKU in de wetenschap dat hij geen aanspraak op vergoeding van deze kosten had. Hij heeft zodoende in ernstige mate het vertrouwen dat SKU in hem had geschonden. Een dergelijk handelen is niet verenigbaar met een arbeidsovereenkomst, waarin partijen zich als goed werkgever respectievelijk goed werknemer naar elkaar moeten gedragen. Dit geldt te meer, nu werknemer als hoogleraar en afdelingshoofd een voorbeeldfunctie vervulde. Deze feiten, zowel op zich als tezamen, hebben tot gevolg dat van SKU na ontdekking van deze feiten redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De persoonlijke omstandigheden van werknemer, waarbij hij zich beroept op de schade aan zijn naam en reputatie door het ontslag op staande voet en het feit dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 zou eindigen, leiden niet tot een ander oordeel, gezien de aard en de ernst van de dringende reden.

Nu de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet reeds per 29 september 2008 rechtsgeldig is geëindigd, is een beïndiging met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 door middel van de beëindigingsovereenkomst niet meer aan de orde. Aan het beroep van SKU op vernietiging, althans ontbinding van de beëindigingsovereenkomst wordt dan ook niet toegekomen.

Dit betekent dat de conventionele vorderingen voor zover betreffende nakoming van de beëindigingsovereenkomst als ongegrond worden afgewezen. Hetzelfde geldt ook voor de conventionele schadevordering, gebaseerd op verzuim in de nakoming van meergenoemde overeenkomst en handelen in strijd met art. 7:611 BW.

In reconventie wordt schadevergoeding ad € 177.888,16 en nader op te maken bij staat toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0302

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 627300 \ CV EXPL 09-5503 \ 199 jt

uitspraak van 23 maart 2012

vonnis

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in de hoofdzaak in conventie

verwerende partij in de hoofdzaak in reconventie

eisende partij in het incident ex art. 843a Rv

verwerende partij in het incident ex art. 843a Rv

gemachtigde mr. drs. E.L. Pasma

tegen

de stichting Stichting Katholieke Universiteit

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie

eisende partij in de hoofdzaak in reconventie

verwerende partij in het incident ex art. 843a Rv

eisende partij in het incident ex art. 843a Rv

gemachtigde mr. H.A. Hoving

Partijen worden hierna [werknemer] en SKU genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2011

- de akte na tussenvonnis van [werknemer] met producties

- de akte na tussenvonnis in de hoofdzaak (in conventie en reconventie) en het incident ex art. 843a Rv van SKU

- de brief van 14 oktober 2011 van de rechtbank, waarbij de door door de griffier bij afwezigheid van de kantonrechter uitgewerkte processen-verbaal van de comparities van 22 november en 9 december 2010 zijn toegezonden

- de akte van [werknemer]

- het tussenvonnis van 2 december 2011

- de antwoordakte van SKU.

De kantonrechter die de zaak heeft behandeld en de tussenvonnissen van 16 juli 2010 en

18 maart 2011 heeft gewezen, is sinds enige tijd arbeidsongeschikt. De verwachting is dat zij

niet op korte termijn zal zijn hersteld. Daarom is de zaak thans in behandeling bij een andere

kantonrechter.

2. De verdere beoordeling van het geschil in de hoofdzaak in conventie en reconventie en in de incidenten

2.1 [werknemer] vordert in de hoofdzaak in conventie, kort samengevat, nietigverklaring van het hem op 29 september 2008 gegeven ontslag op staande voet, nakoming van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen en betaling van de overeengekomen vergoeding van € 400.000,-, schadevergoeding van € 425.000,- en buitengerechtelijke incassokosten van

€ 2.500,-.

2.2 In het tussenvonnis van 18 maart 2011 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter in de hoofdzaak in conventie het voornemen geuit om (een) deskundige(n) te benoemen met de opdracht een deskundigenrapport uit te brengen over nog te formuleren vraagpunten. Partijen zijn in het tussenvonnis in gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over dit voornemen, alsmede over het aantal, het specialisme en de naam (namen) van de te benoemen deskundige(n). De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat voor een afgewogen beoordeling van de aard en de omvang van een mogelijke fraude met declaraties door [werknemer] een deskundigenbericht noodzakelijk is.

2.3 SKU vordert in het incident ex art. 843a Rv afgifte van

a.) de door [werknemer] of zijn advocaat gemaakte geluidopnames van het gesprek op

14 november 2008 tussen SKU en [werknemer]

b.) alle in het bezit van [werknemer] zijnde overeenkomsten tussen hem en de bedrijven waarover op 14 november 2008 is gesproken

c.) de afschriften van de bankrekening van [werknemer] bij de Banque Baring Bros te Zwitserland over de periode vanaf november 2005 tot november 2008

d.) de afschriften van de bankrekening van [werknemer] bij Van Lanschot Bankiers over de periode vanaf januari 2002 tot november 2008, voor zover nog niet afgegeven

e.) de afschriften van de creditcardrekening van [werknemer] bij American Express over de periode vanaf januari 2002 tot november 2008.

2.4 In het tussenvonnis heeft de kantonrechter wat betreft de incidentele vordering van SKU ten aanzien van de onderdelen d. en e. ook het voornemen geuit een deskundigen-bericht te gelasten. Zij heeft de incidentele vordering onder a. afgewezen en de beslissing op de incidentele vorderingen onder b. en c., die zien op de reconventionele vordering, aangehouden. Ook de beslissing in de hoofdzaak in reconventie is aangehouden.

2.5 [werknemer] stelt in zijn akte na tussenvonnis, kort samengevat, dat hij geen aanleiding ziet voor een deskundigenbericht in het incident en in de hoofdzaak in conventie.

SKU is blijkens haar akte na tussenvonnis dezelfde mening toegedaan ten aanzien van de hoofdzaak. Zij is het niet eens met de beslissing inzake de incidentele vordering ten aanzien van de onderdelen d. en e. dat de gevraagde stukken aan (een) deskundige(n), en dus niet aan haar, ter inzage moeten worden verstrekt en de beslissing om de onderdelen b. en c. nog niet af te doen.

De hoofdzaak

In conventie

2.6 De kantonrechter heeft bij nader inzien geen behoefte aan een deskundigenbericht, mede gelet op het standpunt van partijen daaromtrent. Hij oordeelt op basis van de voorliggende stukken als volgt.

2.7 Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. heeft bij brief van 24 september 2008 het volgende aan SKU geschreven, voor zover hier van belang:

“Zoals besproken met mevrouw (…) ontvangt u hierbij onze bevindingen uit het tot nu toe uitgevoerde onderzoek.

Volledigheidshalve maken wij u erop attent, dat dit geen rapportage betreft en dat aan deze ongecorrigeerde versie geen enkel recht kan worden ontleend (…).

Aanleiding van het onderzoek

Recentelijk zijn er signalen bij u binnengekomen van mogelijke fraude met declaraties. Bij deze fraude zou de heer [werknemer] betrokken zijn.

Onderzoeksmateriaal

Op woensdag 10 september 2008 werd van de harde schijf van de desktop van de heer [werknemer] een forensische bewijskopie gemaakt (…). Tevens werden bestandskopieën gemaakt van het volgende:

- Backups van de persoonlijke netwerkschijf van 16 augustus 2008 tot en met 25

augustus 2008;

- Zakelijke e-mailpostbus van de heer [werknemer];

- Profiel van de heer [werknemer];

- Terminal service profiel van de heer [werknemer].

Bevindingen

Uit onderzoek van de e-mailpostbus van de heer [werknemer] werden inzake declaraties enkele relevante e-mailberichten aangetroffen. De inhoud van de e-mailberichten is van dien aard dat hier verder onderzoek naar gedaan dient te worden.

(…)

Aanbeveling

Op basis van voornoemde bevindingen is nader onderzoek gewenst.

Op 19 september 2008 adviseerde een van onze medewerkers een beperkt administratief onderzoek te doen betrekking hebbend op de door de heer [werknemer] gedeclareerde kosten bij UMC St. Radboud. U gaf daarbij aan dat dit op dit moment nog gewenst is en dat er een aantal relevante stukken zouden worden toegezonden.

Tussen 19 september 2008 en 22 september 2008 ontvingen wij diverse kopieën van declaraties die afkomstig zouden zijn van de door de heer [werknemer] gedeclareerde kosten. Tevens ontvingen wij een tweetal relevante procedurebeschrijvingen.

Uit een eerste zeer beknopte analyse is gebleken dat de toegezonden kopieën van declaraties mogelijk onvolledig waren dan wel mogelijk niet behoorden bij het relevante declaratieformulier. Tevens waren er voor ons verschillende andere onduidelijkheden waardoor met de toegezonden gegevens geen objectief oordeel gevormd kan worden over de vraag of in casu wel of geen sprake is van fraude.

Wij adviseren u alsnog een beperkt administratief onderzoek in uw administratie te laten uitvoeren door een van onze medewerkers. (…)”

2.8 SKU heeft bij brief van 25 september 2008 met daarbij gevoegd de hiervoor genoemde brief van Hoffmann Bedrijfsrecherche en een “verslag gesprek met [persoon A] (functie: senior-secretaresse Radiologie) op dinsdag 23 september 2008”, [werknemer] het volgende geschreven, voor zover hier van belang:

“Zeer recent is de Raad van Bestuur geïnformeerd over de volgende ernstige onregelmatigheden met betrekking tot u:

a. het ter betaling door het UMC St Radboud indienen van kosten voor reizen die plaatsvinden na de met u afgesproken einddatum van de arbeidsovereenkomst

(1 oktober 2008); hierbij heeft u uw secretaresse (mevrouw [persoon A]) onder druk gezet deze kosten alsnog te fiatteren, na haar eerste weigering dit te doen en na het opnieuw laten plaatsen van de facturen in het betalingssysteem via een opdracht per e-mail van u aan de financiële administratie;

b. het in 2007 en 2008 niet nakomen door u van de eerder met u gemaakte schriftelijke afspraken over uw reizen naar Boston voor familiebezoek;

c. het ter betaling indienen als zakelijke kosten ten laste van het UMC St Radboud van exorbitante bedragen;

d. de aard en omvang van door u overigens als zakelijk gedeclareerde onkosten, met twijfels of bepaalde kosten daadwerkelijk door u gemaakt zijn en/of niet ook anderszins aan u vergoed zijn.

Ad a

Door u zijn de volgende reizen geboekt en gedeclareerd, die plaatsvinden na 30 september 2008

• 11 oktober 2008 (…), € 2.790,12, declaratiedatum 25 juni 2008

• 28 oktober 2008 (…), € 1.958,28, declaratiedatum 23 juni 2008

• 1 november 2008 (…), € 2.837,28, declaratiedatum 23 juni 2008

• 26 november 2008 (…), € 2.472,67, declaratiedatum 23 juni 2008.

Bijgevoegd wordt de schriftelijke verklaring van uw secretaresse mevrouw [persoon A] d.d. 24 (lees: 23, kantonrechter) september 2008.

Ad b

In de brief van de Raad van Bestuur aan u d.d. 6 september 2002 werd de navolgende afspraak vastgelegd over uw vluchten naar Boston:

“Voorts … en uw vluchten naar Boston op declaratiebasis economyclass te

vergoeden voor maximaal 12 reizen per jaar. Deze voortzetting is ook gekoppeld aan

het moment van overkomst van uw echtgenote, doch uiterlijk tot 1 september 2004.”

Op 8 november 2006 maakte [persoon B] met u de navolgende afspraak voor 2007 en 2008.

Zie de brief aan u d.d. 27 november 2006:

“op 8 november j.l. besprak ik met u het voorstel om te komen tot een afbouw in twee

jaar van de destijds aan u toegekende compensatie voor familiebezoek in de VS. We

spraken af dat deze per 01-01-2007 wordt gehalveerd en per 01-01-2008 gestopt.”

Uit onderzoek is recentelijk (dus achteraf) naar voren gekomen dat u zowel in 2007 als in 2008 niet gehandeld heeft overeenkomstig deze schriftelijk bevestigde afspraken over uw reizen naar Boston voor familiebezoek. In 2007 is er sprake van 9 (of wellicht 10) vluchten naar Boston in plaats van de afgesproken maximaal 6. Een groot deel daarvan (gezien de bedragen lijkt het erop allemaal) is bovendien business class in plaats van economy class.

(…)

In 2008 blijft u vluchten naar Boston (een keer ook naar New York, op 18 maart), steeds business class, declareren (…)

Ad c

In 2008 zijn door u facturen van Hoek Holding en Linking Coaching & Advies en Koningsplein Advocaten als zakelijke kosten gedeclareerd bij het UMC St Radboud, zonder dat duidelijk is waarop deze werkzaamheden betrekking hebben, anders dan persoonlijke uitgaven die u op eigen gezag gemaakt heeft en zonder overleg, laat staan instemming, door het UMC St Radboud laat betalen.

* Hoek Holding (…) € 5.950,-, declaratiedatum 5 februari 2008

* Linking Coaching & Advies (…) € 1.017,-, declaratiedatum 2 april 2008

* Hoek Holding (…) € 7.437,50, declaratiedatum 4 april 2008

* Hoek Holding (…) € 8.925,-, declaratiedatum 18 april 2008

* Hoek Holding (…) € 8.181,25, declaratiedatum 12 mei 2008

* Linking Coaching & Advies (…) € 357,-, declaratiedatum 5 mei 2008

* Hoek Holding (…) € 5.950,-, declaratiedatum 30 juni 2008

* Koningsplein advocaten (…) € 2.023,-, declaratiedatum 3 mei 2008

* Koningsplein advocaten (…) € 337,96, declaratiedatum 1 juni 2008

* Hoek Holding (…) € 10.055,50, declaratiedatum 1 september 2008.

Deze facturen hebben naar onze indruk uitsluitend (of in ieder geval grotendeels) betrekking op de persoonlijke begeleiding van u door de heer [persoon C] (mediator) en [persoon E] van Koningsplein Advocaten B.V. te Maarheeze. De heer [persoon C] is opgetreden als uw eigen adviseur in het overleg over de op 13/16 mei 2008 getekende vaststellings-overeenkomst. Ook in dit document is niets terug te vinden over betaling van de rekeningen van de heer [persoon C] c.q. Hoek Holding en/of Linking Coaching & Advies en/of Koningsplein Advocaten door het UMC St Radboud.

Ad d

Wij hebben Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. te Almere, ingeschakeld om onderzoek te doen naar door u bij het UMC St Radboud in rekening gebrachte kosten. Dit onderzoek loopt nog en zal naar verwachting op afzienbare termijn worden afgerond. Vooruitlopend hierop heeft de heer [persoon D] van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. de bijgaande brief d.d. 24 september 2008, als voorlopige en tussentijdse bevindingen (voor intern gebruik) aan ons gestuurd. Hierin wordt aanbevolen een (nader) beperkt onderzoek te doen in de administratie.

(…)

Van de bovenstaande feiten en omstandigheden sub a t/m c heeft de Raad van Bestuur op dinsdagavond 23 september 2008 kennis genomen, met als resultaat dat er sprake is van een verdenking dat u uw verplichtingen uit de met u bestaande arbeidsovereenkomst én de met u gesloten vaststellingsovereenkomst grovelijk heeft veronachtzaamd. Nadien is er nadere belastende informatie beschikbaar gekomen, o.a. de brief van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 24 september 2008. De Raad van Bestuur vindt het noodzakelijk dat u eerst over het bovenstaande gehoord wordt en verantwoording aflegt, waarbij alle mogelijke relevante (ook persoonlijke) omstandigheden aan uw zijde kenbaar gemaakt kunnen worden, en dat na kennisneming hiervan aansluitend verdere besluitvorming door de Raad van Bestuur plaatsvindt. (…)”

2.9 In de brief van 29 september 2008 van SKU aan [werknemer] geeft SKU eerst een samenvatting wat in de “horing” in de ochtend van 29 september 2008 aan de orde is gekomen. De brief luidt daarna, voor zover hier van belang, als volgt:

“De Raad van Bestuur heeft op grond van het bovenstaande geconcludeerd dat in voldoende mate vaststaat, althans aannemelijk is, dat uw declaratiegedrag een grove veronachtzaming van uw verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en de met u gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 13/16 mei 2008 oplevert. Het in u gestelde vertrouwen als hoogleraar en (tot voor kort) afdelingshoofd is zeer ernstig en onherstelbaar geschaad. U heeft het UMC St Radboud aanzienlijke schade toegebracht en uzelf onrechtmatig verrijkt ten koste van de werkgever.

Het gaat ons er niet om de in onze brief d.d. 25 september 2008 opgesomde onregelmatigheden sub a-d stuk voor stuk na te lopen. Waar het wel om gaat is dat hieruit in voldoende mate van zekerheid/aannemelijkheid naar voren komt, dat uw declaratiegedrag in ernstige mate in strijd komt met hetgeen met u afgesproken is en van u verwacht mocht (en mag) worden, zeker in aanmerking nemende uw positie van hoogleraar en (destijds) afdelingshoofd.

Dit leidt tot de situatie dat redelijkerwijze niet van de Raad van Bestuur c.q. het UMC St Radboud als werkgever gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met u te laten voortduren.

Al met al hebben wij besloten u op staande voet, dus met onmiddellijke ingang, te ontslaan vanwege de boven aangegeven omstandigheden, die ieder voor zich, maar ook tezamen in voldoende mate een dringende reden oplevert/opleveren om u ontslag op staande voet te verlenen. (…)”

2.10 Een dringende reden voor de werkgever bestaat ingevolge art. 7:678 BW in "zodanige daden, eigenschappen of gedragingen" van de werknemer die ten gevolge hebben dat "van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren". Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is (HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643).

2.11 De kantonrechter zal hierna onderzoeken of het ontslag op staande voet gerechtvaardigd wordt door de door SKU in haar brief van 29 september 2008, onder verwijzing naar haar brief van 25 september 2008, aangevoerde gronden. Dat het ontslag is gebaseerd op de voorlopige bevindingen van Hoffmann Bedrijfsrecherceh zoals verwoord in haar brief van 24 september 2008 leidt, anders dan [werknemer] meent, niet reeds daarom tot nietigheid van het ontslag. Dit zou wellicht anders zijn als het ontslag gebaseerd zou zijn op louter speculatieve gronden, maar dat is dus niet het geval.

Ten aanzien van de in de brief van 25 september 2008 onder a. aangevoerde grond overweegt de kantonrechter als volgt. In de door beide partijen getekende “vaststellingsovereenkomst” van 16 mei 2008 is onder meer in art. 2 overeengekomen dat het dienstverband per 1 oktober 2008 wordt beëindigd. Het kan voor [werknemer] dan ook in redelijkheid niet voor misverstand vatbaar zijn geweest dat de kosten van zijn reizen na

1 oktober 2008 niet meer vergoed zouden worden door SKU.

Het had op de weg van [werknemer] gelegen SIM-travel te melden dat deze reizen niet meer gedeclareerd konden worden bij SKU en dat hij deze reizen “uit eigen zak” zou betalen. Dat is klaarblijkelijk niet gebeurd, aangezien SIM-travel deze reizen heeft gedeclareerd bij SKU. Gelet hierop kan het [werknemer] ernstig verweten worden dat hij, zoals onweersproken door SKU is aangevoerd, de facturen in het betalingssysteem van SKU opnieuw heeft geplaatst via een opdracht per e-mail van hem aan de financiële administratie, nadat hij had vernomen dat SKU deze door SIM-travel ingediende facturen had afgekeurd. Hieruit kan niet anders afgeleid worden dan dat [werknemer] aldus handelend heeft geprobeerd de desbetreffende facturen vergoed te krijgen van SKU, terwijl hij wist dat hij geen recht meer op vergoeding ervan had.

2.12 Ten aanzien van de in de brief van 25 september 2008 onder b. aangevoerde grond verwijst de kantonrechter naar de hierna volgende overweging onder 2.28. Daarin wordt uit hetgeen onder 2.20 tot en met 2.27 is overwogen geconcludeerd dat [werknemer] over de jaren 2007 en 2008 in totaal een bedrag van € 27.837,95 ten onrechte aan reiskosten voor familiebezoek te Boston heeft gedeclareerd bij en ontvangen van SKU.

2.13 Ten aanzien van de in de brief van 25 september 2008 onder c. aangevoerde grond, stelt de kantonrechter vast dat de op deze ten onrechte gedeclareerde kosten gebaseerde vordering in reconventie wordt beperkt tot de facturen van Hoek Holding, Linking Coaching & Advies en Hoek Holding in de periode van 12 mei tot 1 september 2008 ad in totaal

€ 35.829,71 (productie 47 bij de brief van 6 december 2010 van de gemachtigde van SKU). De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de in de brief van 25 september 2008 onder c. aangevoerde grond alleen op deze facturen ziet. De in deze grond genoemde facturen van

5 februari en 2, 4 en 18 april 2008 worden daarom buiten beschouwing gelaten.

[werknemer] stelt dat de factuur van Linking Coaching & Advies d.d. 5 mei 2008 ad

€ 357,- ziet op coaching/opleiding die hij genoot met toestemming van SKU. Nu SKU deze stelling niet gemotiveerd betwist, wordt ook deze factuur buiten beschouwing gelaten.

Wel staat tussen partijen vast dat de desbetreffende facturen van de heer [persoon C] (Hoek Holding) en [persoon E] (Koningsplein Advocaten) zien op ondersteuning van [werknemer] in het kader van zijn onderhandelingen met SKU nadat hij op 12 maart 2008 te horen had gekregen dat zijn arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden.

Het door SKU opgestelde “Verslag horing prof. [1e letter voornaam] [werknemer], maandag 29 september 2008, van 9.00 – 10.15 uur” (productie 22 bij dagvaarding) houdt het volgende, voor zover hier van belang, in: “De heer [persoon C] (Hoek Holding, kantonrechter) heeft prof. [werknemer] ook bijgestaan bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Koningsplein advocaten, [persoon E], heeft de heer [persoon C] geadviseerd met betrekking tot de juridische aangelegenheden van de vaststellingsovereenkomst. De heer [persoon C] trad op als gemachtigde. In de vaststellingsovereenkomst is geen afspraak gemaakt en opgenomen over de betaling van deze kosten. De reden dat prof. [werknemer] deze rekeningen toch heeft gedeclareerd is in zijn woorden: “de overtuiging dat het de gewoonte is dat als iets jou wordt aangedaan door je werkgever, de werkgever dit betaalt.”” [werknemer] heeft de weergave van zijn reactie in het door SKU opgestelde verslag niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat [werknemer] de facturen van Hoek Holding en Koningsplein Advocaten heeft gedeclareerd bij SKU en door deze zijn vergoed, terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij geen recht op vergoeding van deze facturen had. Het beroep dat [werknemer] doet op het feit dat deze facturen, na door hem bij SKU te zijn gedeclareerd, zijn gefiatteerd en uitbetaald door de administratie van SKU kan hem, gelet op deze wetenschap, niet baten. Dit betekent dat [werknemer] een bedrag van in totaal € 35.472,71 (€ 35.829,71 – € 357,-) ten onrechte heeft gedeclareerd bij en ontvangen van SKU.

2.14 De in de brief van 25 september 2008 onder d. aangevoerde grond kan niet als grondslag van het gegeven ontslag op staande voet dienen, aangezien deze grond niet feitelijk geconcretiseerd is in die brief. SKU meent, onder verwijzing naar HR 20 november 1987, NJ 1988, 282, dat het voor [werknemer] voldoende duidelijk moet zijn geweest dat deze grond slaat op de schade die zij heeft geleden door belangenverstrengeling doordat [werknemer] voor derden tegen betaling nevenwerkzaamheden heeft verricht, zoals toegelicht in de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie onder de punten 26 tot en met 31. De kantonrechter deelt deze mening echter niet. [werknemer] werpt terecht op dat geen sprake is van eenzelfde soort feit. De samenhang met de andere ontslaggronden, die erop

neerkomen dat SKU [werknemer] verwijt dat hij onterecht reis- en andere kosten bij haar heeft gedeclareerd, ontbreekt namelijk.

2.15 Uit hetgeen onder 2.11, 2.12 en 2.13 is overwogen, volgt dat [werknemer] meermalen kosten in rekening heeft gebracht bij SKU in de wetenschap dat hij geen aanspraak op vergoeding van deze kosten had. [werknemer] heeft zodoende in ernstige mate het vertrouwen dat SKU in hem had geschonden. Een dergelijk handelen is niet verenigbaar met een arbeidsovereenkomst, waarin partijen zich als goed werkgever respectievelijk goed werknemer naar elkaar moeten gedragen. Dit geldt te meer, nu [werknemer] als hoogleraar en afdelingshoofd een voorbeeldfunctie vervulde. Deze feiten, zowel op zich als tezamen, hebben tot gevolg dat van SKU na ontdekking van deze feiten redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De persoonlijke omstandigheden van [werknemer], waarbij hij zich beroept op de schade aan zijn naam en reputatie door het ontslag op staande voet en het feit dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 zou eindigen, leiden niet tot een ander oordeel, gezien de aard en de ernst van de dringende reden.

De conclusie is dan ook dat de vorderingen in conventie voor zover die zien op het ontslag op staande voet van [werknemer] worden afgewezen.

2.16 Dan resteren de conventionele vorderingen betreffende de vaststellings-overeenkomst, te weten een verklaring voor recht dat SKU gehouden is de “vaststellings-overeenkomst” na te komen en betaling door SKU van de in de art. 4 van de vaststelllings-overeenkomst overeengekomen vergoeding van € 400.000,-.

SKU verweert zich tegen deze vorderingen met een beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling, althans ontbinding ervan wegens toerekenbare tekortkoming. De verkeerde voorstelling van zaken en de wanprestatie bestaat volgens SKU uit de feiten en omstandigheden, die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd.

De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt. Art. 7:900 lid 1 BW bepaalt dat bij een vaststellingsovereenkomst partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan, die ook geldt voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. De achtergrond van de door partijen gesloten overeenkomst was echter niet onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, maar blijkens de onweersproken stelling van [werknemer] het feit dat SKU in een gesprek op 13 maart 2008 aan [werknemer] heeft meegedeeld dat zij in het kader van een reorganisatie [werknemer] niet zal benoemen tot “afdelingshoofd nieuwe stijl” en dat zij zal streven naar beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Partijen hebben daarna na diverse gesprekken en uitwisseling van voorstellen en ideeën begin mei 2008 overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou worden beëindigd, aldus nog steeds [werknemer] onweersproken.

Gelet hierop is de door partijen gesloten overeenkomst ten onrechte door hen aangeduid als “vaststellingsovereenkomst ex art. 7:900 BW”. De overeenkomst omvat immers de overeenstemming tussen partijen inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per

1 oktober 2008 met wederzijds goedvinden onder toekenning van een vergoeding van

€ 400.000,- bruto door SKU aan [werknemer] en geen vaststelling als bedoeld in art. 900 lid 1 BW.

2.17 Nu de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet reeds per 29 september 2008 rechtsgeldig is geëindigd, is een beïndiging met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 door middel van de beëindigingsovereenkomst niet meer aan de orde. Aan het beroep van SKU op vernietiging, althans ontbinding van de beëindigingsovereenkomst wordt dan ook niet toegekomen.

Dit betekent dat de conventionele vorderingen voor zover betreffende nakoming van de beëindigingsovereenkomst als ongegrond worden afgewezen. Hetzelfde geldt ook voor de conventionele schadevordering, gebaseerd op verzuim in de nakoming van meergenoemde overeenkomst en handelen in strijd met art. 7:611 BW.

2.18 [werknemer] wordt als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in de hoofdzaak veroordeeld.

In reconventie

2.19 SKU vordert in reconventie, na vermindering van eis, kort samengevat, betaling van € 231.196,15 of enig ander bedrag en schadevergoeding nader op te maken bij staat, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de verschillende schadeposten verschuldigd werden. Deze vordering is als volgt gespecificeerd:

- reizen familiebezoek Boston € 42.529,29

- ten onrechte declareerde kosten € 35.829,71

- benadeling door belangenverstrengeling € 42.000,- + PM

- kosten Hoffmann Bedrijfsrecherche € 58.131,50 + PM

- gefixeerde schadevergoeding ontslag € 53.471,-

- overige nog niet achterhaalde schade PM

- buitengerechtelijke juridische kosten PM

SKU voert daartoe aan, kort samengevat, dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige verontachtzaming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, bestaande uit het ten onrechte declareren van onkosten bij SKU en zichzelf verrijken ten koste van SKU door het zonder toestemming verrrichten van nevenwerkzaamheden, en dat hieruit schade voor haar is voortgekomen die hem kan worden toegerekend.

Reizen familiebezoek Boston

2.20 SKU stelt dat [werknemer] in strijd met de gemaakte afspraken stelselmatig heeft gedeclareerd op basis van business class in plaats van economy class en het maximale jaarbudget van € 22.000,- stelselmatig heeft overschreden.

Ten aanzien van de gemaakte afspraken beroept SKU zich op de volgende brieven.

De brief van 18 december 2001, ondertekend door [persoon F], manager bedrijfsvoering, namens het clusterbestuur RRNg van het UMC St Radboud (productie 9 bij antwoord conventie/eis reconventie), inhoudende, voor zover hier van belang:

“Met instemming van de decaan bevestigen wij u hierbij onze afspraken over reis- en onkosten. (…)

Met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2000 gelden de volgende afspraken.

* In verband met het tijdelijk relatief hoge aantal vluchten per jaar voor

gezinshereniging is bij wijze van uitzondering voor alle intercontinentale vluchten ‘business class’ toegestaan voor de periode van 1 september 2000 tot 1 september 2002.

* Alle overige vluchten geschieden op basis van ‘economy class’.

* Ten behoeve van gezinshereniging vergoedt het UMC maximaal twaalf maal per jaar

een vlucht Amsterdam-Boston-Amsterdam, voor de periode tot 1 september 2002.

Totaal beschikbaar budget Euro 22.000 (circa ƒ 48.000) per jaar. (…)

* Reis- en onkosten ten behoeve van scholing en wetenschappelijk congresbezoek

kunnen ten laste van de werkgever worden gebracht in het kader van de bij CAO vastgelegde Honreringsregeling Medisch Specialisten. Voor details verwijzen wij u naar de CAO en de desbetreffende richtlijnen van de Raad van Bestuur. Indien het daarin genoemde persoonlijk budget is uitgeput, komen de overige hier bedoelde kosten voor rekening van de betrokken medisch specialist danwel de betrokken congresorganisatie.

* Ten behoeve van een juiste en snelle administratieve afhandeling worden alle

rekeningen voor reiskosten vanuit een nader te bepalen reisbureau naar het UMC verzonden rechtstreeks ter attentie van Staf FEZ. (…)

De brief van 6 september 2002 van de Raad van Bestuur van het UMC St Radboud aan [werknemer] (productie 10 bij antwoord conventie/eis reconventie), inhoudende, voor zover hier van belang:

“(…)

Voorts hebben wij (…) besloten om de vergoeding van (…) uw vluchten naar Boston op declaratiebasis economyclass te vergoeden voor maximaal 12 reizen per jaar. Deze voortzetting is ook gekoppeld aan het moment van overkomst van uw echtgenote, doch uiterlijk tot 1 september 2004. (…) ”

De brief van 27 november 2006, ondertekend door [persoon B], voorzitter Cluster Ondersteunende Specialismen van het UMC St Radboud (hierna: het COS) (productie 11 bij antwoord conventie/eis in reconventie), inhoudende, voor zover hier van belang:

“Op 8 november j.l. besprak ik met u het voorstel om te komen tot een afbouw in twee jaar van de destijds aan u toegekende compensatie voor familiebezoek in de VS. We spraken af dat deze per 01-01-2007 wordt gehalveerd en per 01-01-2008 gestopt. (…)”

De vordering van SKU is als volgt opgebouwd:

2006: gedeclareerd en vergoed € 27.277,10, dus teveel € 5.277,10

2007: gedeclareerd en vergoed € 31.219,30, dus teveel € 20.219,30

2008: gedeclareerd en vergoed € 17.032,89, dus teveel € 17.032,89

Totaal teveel gedeclareerd en vergoed 2006 - 2008 € 42.529,29

De desbetreffende facturen zijn overgelegd als producties 43, 44 en 45 bij de brief van de gemachtigde van SKU van 6 december 2010.

2.21 [werknemer] voert gemotiveerd verweer en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Hij is nooit akkoord gegaan met een wijziging van de gemaakte afspraken inzake vergoeding van vliegtickets om zijn gezin in Boston te bezoeken. [persoon B], voorzitter van het COS, heeft in 2007 geprobeerd deze afspraken eenzijdig te wijzigen. Hij heeft [persoon B] destijds aangegeven dat deze dan maar een voorstel moest doen. Hij heeft op geen enkel moment ingestemd met enige wijziging van deze arbeidsvoorwaarde. De reiskosten die hij in rekening heeft gebracht, heeft SKU steeds gefiatteerd en uitbetaald en zijn dus willens en wetens aanvaard door SKU, aldus [werknemer].

2.22 De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

De vergoeding van de reiskosten van [werknemer] aan zijn gezin in Boston is niet geregeld in de arbeidsovereenkomst. Uit de hiervoor genoemde brieven van 18 december 2001 en

6 september 2002, waarvan de ontvangst of inhoud niet is bestreden door [werknemer], volgt dat SKU beoogde om deze privékosten slechts tijdelijk te vergoeden. Nu SKU zijn toezegging om maximaal € 22.000,- aan reiskosten familiebezoek te Boston te vergoeden tot 1 januari 2007 gestand heeft gedaan, ongeacht of [werknemer] business class of economy class vloog, en in de, niet betwiste, brief van 27 november 2006 een afbouwregeling voor één jaar (50% over 2007) - en niet twee jaar zoals ten onrechte in de brief wordt geschreven - aankondigt, kan niet worden volgehouden, zoals [werknemer] doet, dat SKU niet als goed werkgever heeft gehandeld. [werknemer] kan immers in redelijkheid niet verlangen dat deze kosten gedurende de gehele looptijd van zijn arbeidsovereenkomst door SKU worden vergoed, tenzij hij met de beëindiging van de vergoeding ervan instemt.

2.23 Het feit dat SKU de teruggevorderde reiskosten aanvankelijk heeft gefiatteerd en uitbetaald, staat, anders dan [werknemer] betoogt, niet aan terugvordering in de weg. [werknemer] was blijkens de drie hiervoor onder 2.20 geciteerde brieven namelijk op de hoogte van het standpunt in dezen van SKU, zodat hij in redelijkheid geen beroep kan doen op het feit dat de administratie van SKU niet overeenkomstig dit standpunt handelde.

2.24 Thans wordt toegekomen aan de beoordeling van de hoogte van deze vordering. [werknemer] beroept zich erop dat stop-overs te Boston vanaf of op weg naar een congres of lezing in Amerika waren goedgekeurd en niet meetelden voor het reisbudget voor familiebezoek van € 22.000,- . Deze stelling is niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken door SKU. Het komt ook redelijk voor dat kosten van reizen naar Amerika met deels zakelijk, deels privékarakter niet als privékosten worden beschouwd. Hoogstens zouden de kosten van een interne vlucht in Amerika vanaf of naar Boston als privékosten kunnen worden beschouwd, maar SKU heeft een dergelijke splitsing bij reizen met een gecombineerd karakter niet aangebracht. Het voorgaande brengt met zich dat bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering geen rekening wordt gehouden met kosten van reizen met een gecombineerd karakter.

Bij de beoordeling van de desbetreffende facturen en declaratieformulieren gaat de kantonrechter uit van de omschrijving op de gedeclareerde facturen. Weliswaar heeft [werknemer] blijkens het verslag van zijn “horing” door SKU op 29 september 2008 toen gezegd dat een aantal reizen naar Boston ook een zakelijk doel hadden, wat hij ook tijdens de comparities van partijen heeft aangevoerd, maar hij heeft dit in de processtukken niet nader geadstrueerd met bijvoorbeeld een uitnodiging voor een congres, lezing of een andere zakelijke activiteit in Boston of omgeving. Dit betekent dat de kantonrechter uitgaat van privékosten indien op een factuur of declaratieformulier enkel Boston als reisdoel wordt vermeld.

2.25 In 2006 ingediende facturen en declaratieformulieren

De volgende facturen van SIM-travel noemen enkel als plaats van bestemming Boston:

- factuur van 12 december 2005 ad € 2.135,16

- factuur van 28 januari 2006 ad € 2.539,17

- factuur van 31 maart 2006 ad € 2.353,54

- factuur van 23 mei 2006 ad € 2.644,58

- factuur van 25 juli 2006 ad € 2.154,30

- factuur van 16 oktober 2006 ad € 2.645,19

- factuur van 6 november 2006 ad € 2.390,68

met bijbehorend declaratieformulier

205748 ad € 889,73

- factuur van 6 december 2006 ad € 2.199,36

Totaal € 19.951,71

Hieruit vloeit voort dat [werknemer] in 2006 het budget van € 22.000,- niet heeft overschreden.

2.26 In 2007 ingediende facturen en declaratieformulieren

De volgende facturen van SIM-travel noemen enkel als plaats van bestemming Boston:

- factuur van 27 mei 2007 ad € 2.956,37

- factuur van 27 mei 2007 ad € 2.769,70

- factuur van 16 juli 2007 ad € 2.767,58

- factuur van 30 juli 2007 ad € 2.756,75

- factuur van 6 september 2007 ad € 2.741,16

met bijbehorend declaratieformulier

243728 ad € 1.660,79

- factuur van 1 oktober 2007 ad € 2.358,29

met bijbehorend declaratieformulier

243729 ad € 856,75

- factuur van 23 oktober 2007 ad € 2.498,67

- factuur van 16 november 2007 ad € 2.871,60

bijbehorend declaratieformulier ad € 458,66

subtotaal € 24.696,32

- declaratieformulier 243733ad € 768,30 (als reisdoel Boston ingevuld)

- declaratieformulier 247315 ad € 458,66 (behoort bij factuur van 6 december

2006 voornoemd)

Totaal € 25.923,28

Hieruit vloeit voort dat [werknemer] in 2007 het voor dat jaar geldende budget van € 11.000,- met € 14.923,28 heeft overschreden.

2.27 In 2008 ingediende facturen en declaratieformulieren

De volgende facturen van SIM-travel noemen enkel als plaats van bestemming Boston:

- factuur van 20 februari 2008 ad € 2.623,66

- factuur van 14 april 2008 ad € 2.357,14

- factuur van 29 april 2008 ad € 2.402,14

- factuur van 19 mei 2008 ad € 3.059,23

- factuur van 25 juni 2008 ad € 2.472,50

Totaal € 12.914,67

Dit betekent dat [werknemer] in 2008 een bedrag van € 12.914,67 ten onrechte heeft gedeclareerd en ontvangen.

Ten aanzien van de factuur van 20 februari 2008 merkt de kantonrechter op dat op de factuur ook “London” als reisdoel wordt vermeld, maar [werknemer] typeert de reis in zijn voornoemde “horing” als huisbezoek.

2.28 De conclusie uit het voorgaande is dat [werknemer] over de jaren 2007 en 2008 in totaal een bedrag van € 27.837,95 ten onrechte aan privékosten heeft gedeclareerd en ontvangen. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

Ten onrechte gedeclareerde kosten

2.29 Uit hetgeen hiervoor onder 2.13 is overwogen volgt dat aan ten onrechte gedeclareerde kosten een bedrag van in totaal € 35.472,71 toewijsbaar is.

Benadeling door belangenverstrengeling

2.30 SKU voert ten aanzien van deze vordering in punt 31 van haar conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie onder meer het volgende aan. Het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche en de daarbij horende bijlagen/producties tonen volgens haar genoegzaam aan, althans maken voldoende aannemelijk dat [werknemer] zijn verplichtingen ter zake het melden aan en voorafgaand toestemming vragen van de werkgever voor het aanvaarden/verrichten van nevenwerkzaamheden niet heeft nageleefd. Evident is volgens haar dat de nevenwerkzaamheden van [werknemer] voor [namen van vier rechtspersonen] het belang van UMC St Radboud, een onderdeel van SKU, en een goede functie-uitoefening hebben geraakt. Zij beroept zich daarbij op art. 9.3 lid 1 CAO UMC, luidende: “De medewerker heeft geen voorafgaande toestemming van de werkgever nodig voor het aanvaarden of verrichten van nevenwerkzaamheden, tenzij deze nevenwerkzaamheden het belang van het UMC en/of een goede functie-uitoefening kunnen raken.“ Het is niet met zekerheid vast te stellen in welke mate [werknemer] zichzelf verrijkt heeft ten koste van SKU. In ieder geval is met het overgelegde e-mailbericht van [werknemer] van 18 september 2007 (productie 27 bij antwoord in conventie/eis in reconventie) aangetoond dat hij bij [naam rechtspersoon] aanspraak heeft gemaakt op een bedrag van € 42.000,-, aldus SKU.

[werknemer] bestrijdt ook deze vordering gemotiveerd.

2.31 De kantonrechter stelt vast dat deze vordering als een schadevordering is ingesteld. Onder schade wordt verstaan geleden verlies en gederfde winst (art. 6:96 lid 1 BW). SKU heeft echter niet feitelijk onderbouwd dat de gestelde verrijking van [werknemer] gepaard is gegaan met verarming van SKU, dan wel dat de gestelde bevoordeling van [werknemer] geleid heeft tot benadeling van SKU. De schade voor SKU als gevolg van de niet met toestemming van SKU verrichte nevenwerkzaamheden zou daarom hoogstens kunnen bestaan uit het ten onrechte genoten loon over de werktijd waarin [werknemer] bezig was met zijn nevenwerk-zaamheden in plaats van met zijn arbeid voor SKU. Indien aldus gevorderd zou sprake kunnen zijn van verarming of benadeling van SKU, maar op deze wijze is de gestelde schade niet (subsidiair) onderbouwd. Ook heeft SKU geen vordering tot afdracht van de door [werknemer] genoten winst als bedoeld in art. 6:104 BW, bestaande uit de inkomsten uit zijn nevenwerkzaamheden verminderd met zijn kosten om deze inkomsten te verkrijgen, ingesteld. SKU heeft de vordering immers ingesteld als een vordering tot vergoeding van haar eigen schade.

Deze vordering wordt reeds daarom afgewezen.

Kosten Hoffmann Bedrijfsrecherche

2.32 De op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW gevorderde kosten van Hoffmann

Bedrijfsrecherche ad € 58.131,50 worden, zowel wat betreft de noodzaak om Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen als de omvang van de kosten, niet (voldoende) gemotiveerd betwist door [werknemer]. Deze vordering wordt dan ook toegewezen.

De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt echter afgewezen. De mogelijkheid dat deze schadepost groter is, is niet aannemelijk, althans daartoe is onvoldoende gesteld, nu gezien het tijdsverloop sinds het onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche de definitieve omvang van haar kosten inmiddels duidelijk moet zijn.

Gefixeerde ontslag schadevergoeding

2.33 SKU vordert op grond van de artt. 7:677 leden 3 en 4 in verbinding met 7:680 lid 1 BW schadevergoeding ad € 53.471, 00, bestaande uit drie bruto maandsalarissen ad

€ 17.823,74 inclusief 8% vakantiebijslag en 5,25% eindejaarsuitkering, omdat hij door opzet of schuld aan haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.

Uit hetgeen onder 2.11, 2.12, 2.13 en 2.15 is overwogen volgt dat aan deze maatstaf is voldaan. Nu [werknemer] de hoogte van deze vordering niet heeft betwist, wordt zij toegewezen.

Resterende schadeposten op te maken bij staat

2.34 Nu de mogelijkheid van overige nog niet achterhaalde schade als gevolg van het door [werknemer] ten onrechte declareren van onkosten bij SKU aannemelijk is, is de vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat toewijsbaar.

2.35 Ten aanzien van de buitengerechtelijke juridische kosten overweegt de kantonrechter als volgt. Aannemelijk is dat deze kosten, bestaande uit de kosten van de niet (voldoende) weersproken pogingen tot minnelijke regeling, zijn gemaakt. In de conclusie van eis in reconventie vermeldt SKU hieromtrent als volgt: “De complete omvang van deze kosten van deze kosten staat nog onvoldoende vast.” Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dit echter niet in te zien. Immers, de buitengerechtelijke fase is reeds geëindigd met de dagvaarding, althans de conclusie van eis in reconventie. Bovendien is voor deze kosten geen verder onderzoek nodig. Daarom begroot de kantonrechter deze kosten overeenkomstig de gebruikelijke tarieven uit rapport Voorwerk II op een bedrag van € 2.975,00 inclusief btw.

Conclusie

2.36 Uit het hiervoor overwogene volgt dat een bedrag van (€ 27.837,95 + € 35.472,71 +

€ 58.131,50 + € 53.471,00 + € 2.975,00 =) € 177.888,16 alsmede de gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat toewijsbaar zijn.

Aangezien de ingangsdata van de gevorderde wettelijke rente onvoldoende geconcretiseerd zijn, wordt deze toegewezen vanaf 31 juli 2009, de dag waarop de conclusie van eis in reconventie is ingesteld.

De incidenten

2.37 Aangezien de kantonrechter de hoofdzaak in conventie en in reconventie bij eindvonnis afdoet, hebben partijen thans geen belang meer bij hun vorderingen in de incidenten ex art. 843a Rv. Dit brengt voorts met zich dat de reeds genomen beslissingen in de incidenten in de tussenvonnissen van 16 juli 2010 en 18 maart 2011 hun werking verliezen.

De proceskosten

2.38 [werknemer] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in conventie veroordeeld. Deze kosten bedragen € 3.000,00, bestaande uit 3 punten (antwoord, comparities, akte na het tussenvonnis van 18 maart 2011, antwoordakte na het tussenvonnis van 2 december 2011) ad € 1.000,- per punt.

2.39 [werknemer] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in reconventie veroordeeld. Deze kosten bedragen € 1.050,00, bestaande uit 1,5 punt (eis, comparities en de hiervoor genoemde aktes) ad 700,- per punt.

2.40 De proceskosten in de incidenten worden gecompenseerd als hierna te melden.

3. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1 wijst de vorderingen af,

3.2 veroordeelt [werknemer] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van SKU begroot op € 3.000,00 aan salaris van haar gemachtigde,

in reconventie

3.3 veroordeelt [werknemer] om aan SKU te betalen € 177.888,16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening,

3.4 veroordeelt [werknemer] om aan SKU te betalen schadevergoeding nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening,

3.5 veroordeelt [werknemer] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van SKU begroot op € 1.050,- aan salaris van haar gemachtigde,

3.6 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.7 wijst het meer of anders gevorderde af,

in de incidenten

3.8 compenseert de proceskosten in de incidenten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2012.