Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV9214

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
05/701901-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van een valse identiteitskaart en heeft hiervan gebruik gemaakt. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

POLITIERECHTER ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/701901-11

Datum zitting : 29 februari 2012

Datum uitspraak :

tegenspraak

Vonnis van de politierechter in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 01 november 2011 in de internationale trein City Nightline 40447, rijdende op het traject Utrecht-Arnhem, te Wolfheze, gemeente Renkum, althans in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart van [geboorteplaats], voorzien van nummer [nummer], op naam gesteld van [naam], geboren op [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat deze identiteitskaart was voorzien van een foto van verdachte (niet zijnde genoemde [naam]) en/of dat deze identiteitskaart qua gebruikte produktie- en beveiligingstechnieken niet overeen komt met een originele Estlandse identiteitskaart;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 29 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem is wel verschenen en heeft verklaard bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.

De officier van justitie, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 november 2011 is in de rijdende internationale trein CNL 40447 op het traject Utrecht-Arnhem een personencontrole uitgevoerd op grond van artikel 6, lid 1 onder f en g van de Politiewet 1993. Verdachte gedroeg zich opvallend en is op grond van artikel 8a lid 1 van de Politiewet 1993 mede gelet op de Wet op de Identificatieplicht staande gehouden. Verdachte toonde een identiteitskaart (ID-kaart) van Estland op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]. Bij onderzoek van deze ID-kaart kwam naar voren dat de echtheidskenmerken afweken van een echte, onvervalste ID-kaart van Estland.

Nader technisch onderzoek wees uit dat het een valse ID-kaart betrof, nu de berekende waarden van de controlegetallen niet overeenkwamen met de gestandaardiseerde berekeningen en het document qua kleur, detaillering, basismateriaal en druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwamen met een origineel exemplaar .

3.a Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. De raadsman heeft aangevoerd dat het niet de bedoeling van verdachte was om in Nederland te blijven, maar om door te reizen naar Zweden. Ook in de Europese landen waar hij hiervoor heeft verbleven, was dat duidelijk dat er sprake was van ‘doorreizen’.

Standpunt van de officier van justitie

Het openbaar ministerie is wel ontvankelijk in de vervolging, nu de omstandigheid dat verdachte slechts op doorreis was niet relevant is, omdat het in casu gaat om het gebruik maken van een vals reisdocument.

Oordeel van de politierechter

Het eerste lid van artikel 31 Vluchtelingenverdrag heeft de volgende inhoud:

‘De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.’

In zijn arrest van 13 oktober 2009 ( LJN BI1325, NJ 2009/531 ) heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de beoordeling van een beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag geen onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘illegal entry or presence’ enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds. Een andersluidende opvatting doet onvoldoende recht aan de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag om vluchtelingen onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens ‘illegal entry or presence’ en zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekort doen.

Verdachte heeft verklaard dat zijn reis op 27 juli 2011 is begonnen in Iran en dat hij gereisd heeft middels mensensmokkelaars. Als eerste kwam hij aan in Turkije en daarna heeft hij in Athene van een mensensmokkelaar een valse ID-kaart uit Estland gekocht. Verdachte is vervolgens na Athene, via Italie, Frankrijk en Belgie naar Nederland gereisd. Het einddoel van de reis was Zweden.

Verdachte op het moment van aanhouding diverse treinkaartjes bij zich, zijnde treinkaartjes Milaan-Parijs, Antwerpen- Amsterdam CS en Amsterdam-Kopenhagen.

Ten eerste is de politierechter van oordeel dat verdachte niet rechtstreeks uit een land komt waar zijn leven of zijn vrijheid wordt bedreigd. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als rechtstreeks komend uit een zodanig land aangemerkt de asielzoeker die gedurende korte tijd verblijft in een land dat als transitland kan worden beschouwd zonder dat hij in dat land asiel heeft aangevraagd (vgl. HR 24 mei 2011, LJN BO15787, NJ 2011/260 ). Nu verdachte echter heeft aangegeven dat hij voor aankomst in Nederland diverse landen heeft bezocht, waaronder Athene - waar hij drie maanden heeft verbleven- , kan niet meer worden gesproken van ‘coming directly’ in de zin van art. 31 Vluchtelingenverdrag (vgl. HR 20 september 2011, LJN BQ7762).

Daarnaast kan worden vastgesteld dat verdachte zich niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld, nu verdachte -komend van Antwerpen- is aangehouden op het traject Utrecht-Arnhem.

De politierechter is derhalve van oordeel dat verdachte geen beroep toekomt op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3.b Bewezenverklaring

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de staandehouding, aanhouding en inverzekeringstelling op grond van de beslissing van de Rechter Commissaris en daarnaast diverse uitspraken van rechtbanken in soortgelijke zaken onrechtmatig waren en dat het daaruit voortvloeiende bewijs onrechtmatig verkregen is. De verklaringen van verdachte en de bevindingen rond de ID-kaart dienen dan ook te worden uitgesloten van bewijs, hetgeen ertoe moet leiden dat verdachte wegens gebrek aan wettig bewijs wordt vrijgesproken.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de staande houding, die op grond van artikel 8a lid 1 van de Politiewet heeft plaatsgevonden, rechtmatig was. Op grond daarvan was de daaruit voortvloeiende aanhouding terzake artikel 231 van het wetboek van Strafrecht eveneens rechtmatig. De officier van justitie is dientengevolge van mening dat op grond van de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat hij een valse ID-kaart bij zich droeg, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

De politierechter stelt vast dat in het proces verbaal aanhouding is vermeld dat als wettelijke grondslag voor de staandehouding artikel 8a lid 1 van de Politiewet is aangenomen. Deze bepaling houdt het volgende in:

Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.

De politierechter is evenwel van oordeel dat, gelezen dit proces verbaal aanhouding, die staandehouding is geschied ter uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken. Immers, de betreffende opsporingsambtenaren van de Marechaussee bevonden zich toen in de bewuste trein ter uitoefening van ingevolge artikel 6 lid 1 onder F en G van de Politiewet 1993 genoemde taken.

Artikel 6, lid 1 onder f en g van de Politiewet houden in:

Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken overgedragen:

F) de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door onze minister van justitie aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

G) de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

Derhalve dient de rechtmatigheid van de staandehouding te worden beoordeeld in het kader van voornoemde Vreemdelingenwet.

In artikel 20 van de Schengengrenscode is bepaald dat de binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

In artikel 21 aanhef en onder a van de Schengengrenscode is bepaald dat de afschaffing aan de binnengrenzen geen afbreuk doet aan de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voorzover die uitoefening niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles; dit geldt ook in de grensgebieden.

Voor de toepassing van de eerste zin kan met name niet worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect heeft als de uitoefening van grenscontroles wanneer politiële maatregelen:

i) niet grenscontroles ten doel hebben

ii) gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en met name bedoeld ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit

iii) worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen

iv )op basis van controles ter plaatse wordt uitgevoerd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 22 juni 2010 een uitleg gegeven van art. 20 en 21 van de Schengengrenscode. In rechtsoverwegingen 73 en 74 heeft het Hof overwogen:

“73. Voorts bevat artikel 78-2, vierde alinea, van de code de procédure pénale, dat controles toestaat ongeacht het gedrag van de betrokken persoon en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, in het bijzonder met betrekking tot de intensiteit en de frequentie van de controles die op die rechtsgrondslag mogen worden uitgevoerd, noch preciseringen noch beperkingen van de aldus verleende bevoegdheid teneinde te voorkomen dat de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid door de bevoegde autoriteiten leidt tot controles met hetzelfde effect als grenscontroles in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006.

74. Een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles wordt verleend, die enerzijds beperkt is tot het grensgebied van de lidstaat met andere lidstaten en anderzijds losstaat van het gedrag van de gecontroleerde persoon en van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, kan slechts voldoen aan de in het licht van het rechtszekerheidsvereiste uitgelegde artikelen 20 en 21, sub a, van verordening nr. 562/2006, indien zij in het noodzakelijke kader voor de aan die autoriteiten verleende bevoegdheid voorziet, teneinde met name de beoordelingsvrijheid te sturen waarover die autoriteiten bij de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid beschikken. Dat kader moet waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles, zoals met name blijkt uit de in artikel 21, sub a, tweede zin, van verordening nr. 562/2006 vermelde omstandigheden."

In rechtsoverweging 75 heeft het Hof overwogen:

“75. In die omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 20 en 21 van verordening nr. 562/2006 zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid wordt verleend om uitsluitend binnen een 20 kilometer diep gebied langs de landsgrens van die staat met de staten die partij zijn bij de OUSA, de identiteit van een ieder te controleren, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, teneinde de naleving van de verplichtingen ter zake van het houden, het dragen en het tonen van de bij wet voorziene titels en documenten te verifiëren, zonder dat die regeling in het noodzakelijke kader voor die bevoegdheid voorziet om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening ervan niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles."

Ingevolge art.50 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Tegen de achtergrond van het voornoemd arrest is het Vreemdelingenbesluit 2000 met ingang van 1 juni 2011 gewijzigd in die zin dat artikel 4.17 a is ingevoerd, waarmee de wetgever heeft beoogd zodanige waarborgen te geven dat het toezicht op vreemdelingen ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding ( verder te noemen: het mobiel toezicht) niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole in de zin van de Schengengrenscode.

Art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt:

1. De bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:

a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;

b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;

c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

3. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.

4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.

5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden

In de onderhavige zaak moet beoordeeld worden of de staande houding van verdachte met inachtneming van art. 4.17 a Vreemdelingenbesluit 2000 in strijd is met art. 20 en 21 van de Schengengrenscode.

De politierechter stelt vast dat het mobiel toezicht vreemdelingen, de MTV controle, betrekking heeft op het toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding als genoemd in art. 50 lid 1 van de Vreemdelingenwet. Het heeft de illegale immigratie ten doel en niet de grenscontrole als bedoeld in art. 2 aanhef en onder 10 van de Schengengrenscode.

De omstandigheid dat dit mobiel toezicht plaats vindt in het grensgebied is op zichzelf onvoldoende om het oordeel te dragen dat het hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

De politierechter leidt uit rechtsoverweging 75 in samenhang met rechtsoverweging 73 en 74 van voornoemd arrest af dat een nationale wettelijke regeling die identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, dient te voorzien in het noodzakelijke kader voor de aan die autoriteiten verleende bevoegdheid om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.

De vraag rijst op art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet aan die waarborgen. De politierechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Genoemd artikel voorziet naast een ruime zonering voor het uitoefenen van de bevoegdheid in een regulering van de intensiteit en de frequentie van een controle. Daarmee is voldoende gewaarborgd, als bedoeld in eerdergenoemd arrest, dat dit mobiel toezicht feitelijk niet systematisch wordt uitgevoerd en daarmee niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole.

Bovendien heeft de Raad van State in haar uitspraak van 20 oktober 2011 (201108181/1/V4) bepaald dat uit rechtsoverweging 73 en 74 van voormeld arrest moet worden afgeleid dat ‘indien een nationale regeling identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt en die controles niet afhankelijk zijn van het gedrag van betrokkene of van specifieke omstandigheden, de controlebevoegdheid zodanig dient te worden gereguleerd, dat deze niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. In de omstandigheid dat in artikel 4.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen rekening is gehouden met het gedrag en specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, is geen grond gelegen voor het oordeel dat die bepaling niet aan de eisen van het arrest zou voldoen’.

In het onderhavige geval is in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal gerelateerd op welke wijze het mobiel toezicht in casu is uitgevoerd. Daaruit blijkt dat dit in overeenstemming met het gestelde in art. 4.17 a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is uitgevoerd. De politierechter is dan ook van oordeel dat de staande houding is uitgevoerd conform dit artikel.

Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de staandehouding van verdachte onrechtmatig was.

3b. De bewezenverklaring

De politierechter stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

o het proces-verbaal van aanhouding, d.d. 1 november 2011;

o het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2011;

o het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 november 2011, 9.55 uur;

o het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 november 2011, 12.45 uur.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 01 november 2011 in de internationale trein City Nightline 40447, rijdende op het traject Utrecht-Arnhem, te Wolfheze, gemeente Renkum, in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart van Estland, voorzien van nummer [nummer], op naam gesteld van [naam], geboren op [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats], waarvan hij wist dat dit reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat deze identiteitskaart was voorzien van een foto van verdachte (niet zijnde genoemde [naam]) en dat deze identiteitskaart qua gebruikte produktie- en beveiligingstechnieken niet overeen komt met een originele Estlandse identiteitskaart;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van deze feiten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden geëist met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Bij de beslissing over de straf heeft de politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het -blanco- uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 31 januari 2012.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van een valse identiteitskaart en heeft hiervan gebruik gemaakt. Hierdoor kon de identiteit van verdachte niet worden vastgesteld, waardoor de Nederlandse staat schade kan worden berokkend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op de voor de politierechter richtinggevende oriëntatiepunten oordeelt de politierechter dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.M.L.A.T. Doll, politierechter,in tegenwoordigheid van D.T.P.J. Damen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter op 14 maart 2012.