Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV9176

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
10/3836
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA1337, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een nieuwe wegenlegger vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 4 van de Wegenwet de onderhavige weg een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Op grond van alle feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige weg vanaf 14 december 1994 gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. Eisers stelling dat hij reeds in 2004 een bord met de tekst “eigen weg” heeft geplaatst is voor de rechtbank niet aannemelijk geworden. Tevens komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de onderhavige weg gedurende de voornoemde periode van 10 jaren is onderhouden door de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3836

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 8 maart 2012.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.J. Hengst,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder,

alsmede

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Twello,

en

[partij ex artikel 8:26 van de Awb], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 september 2010.

2. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst (hierna: B&W) heeft bij besluit van 15 april 2009 het ontwerp van de nieuwe wegenlegger van de gemeente Voorst vastgesteld en het ontwerp, vergezeld van de naar voren gebrachte zienswijzen en haar oordeel daaromtrent, toegezonden aan verweerder.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de nieuwe wegenlegger vastgesteld.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 1 november 2010 hebben B&W en bij faxbericht van 20 januari 2011 heeft [partij ex artikel 8:26 van de Awb] zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 januari 2012. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Hengst, advocaat te Joure.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. van Vlijmen en mr. G.A.W. Jacobse. Voorts zijn verschenen [partij ex artikel 8:26 van de Awb] en namens B&W C. Morren.

3. Overwegingen

Naar aanleiding van het door B&W opgestelde ontwerp-besluit inzake de wegenlegger heeft eiser een zienswijze naar voren gebracht. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat de Emstermate ten onrechte in de ontwerp-wegenlegger is opgenomen aangezien dit geen openbare weg is.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich achter de visie van B&W geschaard, inhoudende dat de Emstermate een openbare weg is.

Eiser heeft aangevoerd dat de Emstermate nimmer een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet is geweest. De weg is noch bestemd tot openbare weg noch is deze door verjaring openbaar geworden. Het deel van de Emstermate dat onderdeel uitmaakt van het perceel van de [perceel] behoort toe aan eiser. Gelet op de akte van levering d.d. 1 oktober 2004 zijn naar aanleiding van een ruilverkaveling in 1994 erfdienstbaarheden van weg gevestigd voor de omwonenden. Het perceel is voorzien van het bord “eigen weg” en eiser onderhield het betreffende perceel zelf. Ook de aard van de weg, te weten half onverhard, verzet zich tegen gebruik als openbare weg, aldus eiser.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de Emstermate in ieder geval langer dan 10 jaren door de gemeente Voorst wordt onderhouden en dat niet is gebleken van maatregelen van aanwonenden ter beperking van de toegankelijkheid. De Emstermate is derhalve ingevolge artikel 4, eerste lid, onder II van de Wegenwet openbaar. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat andere bewoners van de Emstermate in hun zienswijze er juist van uitgaan dat de Emstermate een openbare weg is.

B&W en [partij ex artikel 8:26 van de Awb] hebben zich er op beroepen dat de Emstermate wel degelijk een openbare weg is en dat de gemeente Voorst hiervan het onderhoud uitvoert. [partij ex artikel 8:26 van de Awb] heeft hierbij nog aangevoerd dat het bord “eigen weg” pas medio 2009 door eiser is geplaatst vermoedelijk naar aanleiding van de ontwerp-wegenlegger.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De Emstermate is een deels onverharde weg die een verbinding vormt tussen de Twelloseweg en de Wijkseweg. Tevens vormt de Emstermate een ontsluiting naar de woningen van [partij ex artikel 8:26 van de Awb], [naam] en eiser alsmede naar een stuk weidegrond in bezit van [naam]. De totale lengte van de Emstermate is ongeveer 500 meter en de weg heeft meerdere kadastrale nummers, te weten P6 en P7 in bezit van [partij ex artikel 8:26 van de Awb], P8 in bezit van [naam], P9 in bezit van eiser en P16 in eigendom van de gemeente Voorst.

In oktober 2004 heeft eiser voornoemd perceel gekocht. In de akte van levering is een erfdienstbaarheid ten aanzien van dit perceel opgenomen, waarbij wordt verwezen naar een akte van ruilverkaveling d.d. 14 december 1994. De Emstermate was niet volledig opgenomen in de wegenlegger van 1960.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling waarbij de navolgende wettelijke bepalingen van belang zijn.

In artikel 4, eerste lid van de Wegenwet is bepaald dat een weg openbaar is:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, lijdt het bepaalde onder I en II uitzondering wanneer lopende de termijn van dertig of van tien jaren gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse kenbaar is gemaakt dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Het derde lid van artikel 4 van de Wegenwet bepaalt dat dit kenbaar maken geschieden kan door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

De rechtbank stelt vast dat in december 1994 een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden waarvan ook de onderhavige weg, de Emstermate, deel uitmaakte. Uitgaande van de opschonende werking van de ruilverkaveling – die tussen partijen niet in geschil is – is dan de vraag aan de orde wat de status van de Emstermate vanaf 14 december 1994 (akte van ruilverkaveling) is geweest. Daarbij geldt dat de plaatsing van een bord zoals bedoeld in artikel 4, derde lid van de Wegenwet de termijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wegenwet kan stuiten.

Eiser is op 1 oktober 2004 eigenaar van [perceel] geworden en hij heeft op enig moment ter hoogte van zijn perceel aan de Emstermate een bord met de tekst “eigen weg”geplaatst. Eisers stelling dat hij dit bord medio 2004 heeft geplaatst acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser blijkens de akte van levering pas op 1 oktober 2004 eigenaar van het betreffende perceel is geworden. Het ligt dan niet in de rede dat eiser voor die datum een bord heeft geplaatst, althans een juridische grondslag daarvoor was in elk geval niet aanwezig. Eiser heeft in dit verband nog gesteld dat hij na het sluiten van de koopovereenkomst in maart 2004 en voor de levering de woning al heeft betrokken en dat hij dus wel degelijk bevoegd was een bord te plaatsen. Daargelaten dat eiser deze stelling niet feitelijk heeft onderbouwd, blijft staan dat de levering pas op 1 oktober 2004 is geweest, zodat de rechtbank aan dit betoog van eiser geen betekenis kan toekennen.

Voor de rechtbank is evenmin aannemelijk geworden dat er in de maanden na 1 oktober 2004 een bord met de tekst “eigen weg” is geplaatst. Eiser heeft weliswaar enkele getuigenverklaringen overgelegd die melding maken van een dergelijk bord eind 2004, maar in het dossier bevinden zich eveneens diverse getuigenverklaring waaruit blijkt dat het bord veel later, namelijk pas in 2009 zou zijn geplaatst. Dit betekent dat hetgeen eiser heeft gesteld niet is komen vast te staan. Daarbij neemt de rechtbank ten slotte nog in aanmerking dat in de overgelegde briefwisseling met de gemeente Voorst over de openbaarheid en de onderhoudsplicht van de Emstermate, met name in de brieven van 16 oktober 2006 en 20 februari 2007 steeds wordt gesproken over de Emstermate als een openbare weg waarbij geen melding wordt gemaakt van een door eiser geplaatst bord met het opschrift ‘eigen weg’.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Emstermate vanaf 14 december 1994 gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de Emstermate gedurende die tijd is onderhouden door de gemeente.

B&W hebben ter zitting de achtergrond en de totstandkoming geschetst van de brieven van 16 juli 2002, 16 oktober 2006 en 20 februari 2007. B&W hebben voorts toegelicht dat de gemeente al zeker 25 jaar zorg draagt voor het onderhoud van de weg, een en ander in overleg met de aanwonenden. [partij ex artikel 8:26 van de Awb] - aldaar woonachtig sinds 2000 - heeft deze gang van zaken bevestigd. Hoewel aan eiser moet worden toegegeven dat de redactie van de bovengenoemde brieven ruimte laat voor de stellingen van eiser, ziet de rechtbank mede gezien hetgeen ter zitting is besproken voldoende grond om aan te nemen dat B&W het onderhoud aan de Emstermate uitvoeren. Daarbij neem de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser zelf het onderhoud aan de weg (heeft) verricht. Een enkele factuur d.d. 9 oktober 2004 betreffende de levering en egalisering van 52,5 ton mengkorrelmix is hiervoor onvoldoende.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de Emstermate gedurende de voornoemde periode van 10 jaren is onderhouden door de gemeente Voorst.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat op de Emstermate het bepaalde in artikel 4 eerste lid aanhef en onder II van de Wegenwet van toepassing is, zodat het dient te worden aangemerkt als een openbare weg in de zin van de Wegenwet.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 8 maart 2012.